Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE ES IT EL CS HU PL SK SL BG RO

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 169/12

Luxemburg, 13 december 2012

Conclusies van de advocaat-generaal in de zaken C‑512/10, C‑545/10, C‑625/10, C‑627/10, C‑412/11

Commissie / Polen, Tsjechische Republiek, Frankrijk, Slovenië, Luxemburg

Volgens advocaat-generaal N. Jääskinen hebben vijf lidstaten niet voldaan aan de verplichtingen die op hen rusten krachtens de richtlijnen inzake spoorwegvervoer

Hij geeft het Hof in overweging te verklaren dat Polen, de Tsjechische Republiek, Frankrijk, Slovenië en Luxemburg het recht van de Unie ter zake hebben geschonden

In verband met de liberalisering van de spoorwegsector in de Europese Unie dienen de lidstaten de ondernemingen in die sector een billijke en niet-discriminerende toegang tot het spoorwegnet te waarborgen. In deze context kan de verrichting van bepaalde „essentiële” taken niet meer berusten bij de gevestigde spoorwegondernemingen van de lidstaten, maar moet zij aan onafhankelijke beheerders worden toevertrouwd. Bij die taken gaat het onder meer om de afgifte van vergunningen aan de spoorwegondernemingen die deze ondernemingen toegang verlenen tot het spoorwegnet, de toewijzing van infrastructuurcapaciteit en de vaststelling van de heffingen die de vervoersondernemingen moeten betalen om het spoorwegnet te gebruiken.

De onderhavige zaken maken deel uit van een reeks beroepen wegens niet-nakoming1 die de Commissie tegen een aantal lidstaten heeft ingesteld wegens niet-nakoming van de verplichtingen die op hen rusten ingevolge de richtlijnen betreffende de werking van de spoorwegsector, die als voornaamste doel hebben de billijke en niet-discriminerende toegang van de spoorwegondernemingen tot het spoorwegnet te waarborgen.2 Thans moet het Hof van Justitie de tegen Polen, de Tsjechische Republiek, Frankrijk, Slovenië en Luxemburg ingestelde beroepen onderzoeken.3

C‑512/10 Commissie/Polen

Volgens de Commissie heeft Polen verzuimd een regeling in te voeren die de beheerder aanmoedigt de kosten en de gebruiksrechten voor de infrastructuur of de hoogte van de toegangsrechten te verminderen. In dit verband zet advocaat-generaal M. Niilo Jääskinen uiteen dat in het Poolse recht geen aanmoedigingsregeling is gedefinieerd die het causale verband tussen de door de infrastructuurbeheerder te bereiken economische doelstellingen en de door de minister van vervoer getroffen maatregelen op het gebied van de financiering van herstel- en onderhoudskosten voor de spoorweginfrastructuur vastlegt.

Het recht van de Unie bepaalt dat de heffingen voor het minimumtoegangspakket gelijk zijn aan de rechtstreeks uit de exploitatie van de spoorwegdiensten voortvloeiende kosten. Volgens de Commissie verwijst dit begrip kosten naar het begrip „marginale kosten”. Dit laatste begrip strookt, aldus de Commissie, enkel met de kosten die ontstaan door effectief treinverkeer, en niet met de vaste kosten, die niet alleen de kosten in verband met de spoorwegexploitatie omvatten, maar ook de algemene kosten voor de werking van de infrastructuur, die ook zonder treinverkeer niet te vermijden zijn.

De advocaat-generaal is van oordeel dat de Poolse wettelijke regeling voor de vaststelling van de heffing voor het minimumtoegangspakket ertoe leidt dat kosten in aanmerking worden genomen die duidelijk niet kunnen worden beschouwd als rechtstreeks verband houdend met de exploitatie van de spoorwegdienst.

Daarentegen moet volgens advocaat-generaal Jääskinen het beroep van de Commissie worden verworpen voor de grieven dat de infrastructuurbeheerder niet onafhankelijk is en dat maatregelen om tijdig het financiële evenwicht van die beheerder te waarborgen ontbreken.

C‑545/10 Commissie/Tsjechische Republiek

Volgens de Commissie heeft de Tsjechische Republiek door de vaststelling van het maximumbedrag van de heffingen voor het gebruik van de spoorweginfrastructuur het recht van de Unie geschonden. De advocaat-generaal beklemtoont dat ofschoon de lidstaten bevoegd zijn het normatieve kader voor de heffingsregeling vast te stellen, zij niettemin aan de infrastructuurbeheerder de taak moeten toevertrouwen, de heffing te bepalen die voor het gebruik van het spoorwegnet moet worden betaald. Bijgevolg, aldus de advocaat-generaal, heeft de Tsjechische Republiek zich niet naar richtlijn 2001/14 gevoegd.

Vervolgens geeft advocaat-generaal Jääskinen het Hof in overweging, het bezwaar van de Commissie dat geen maatregelen zijn getroffen om de beheerders aan te sporen tot verlaging van de infrastructuurkosten en de toegangsrechten, gegrond te verklaren. Daarentegen moet naar zijn oordeel worden verworpen het bezwaar dat de heffingen die worden geïnd voor alle minimumvoorzieningen en de toegang tot de infrastructuur niet gelijk zijn aan de kosten die rechtstreeks zijn terug te voeren op de exploitatie van de spoorwegdienst.

De advocaat-generaal geeft het Hof in overweging vast te stellen dat de Tsjechische Republiek niet aan haar verplichtingen heeft voldaan door na te laten een prestatieregeling vast te stellen om spoorwegondernemingen en de infrastructuurbeheerder ertoe aan te zetten verstoringen zo gering mogelijk te houden en de prestaties van het spoorwegnet te verbeteren.

De Commissie voert aan dat naar Tsjechisch recht het orgaan waarbij beslissingen van het toezichthoudend orgaan, de spoorwegadministratie, moeten worden aangevochten, het ministerie van Vervoer is. Dit voorafgaand administratief beroep is in strijd met richtlijn 2001/14, die geen bestuurlijk toezicht op besluiten van het toezichthoudend orgaan toestaat. In dit verband merkt de advocaat-generaal op dat genoemde richtlijn op de gedachte berust dat een bestuurlijk besluit van het toezichthoudende orgaan uitsluitend aan rechterlijk toezicht is onderworpen en niet aan voorafgaand bestuurlijk toezicht, ook al wordt die mogelijkheid niet met zoveel woorden uitgesloten. Door te bepalen dat besluiten van het toezichthoudend orgaan moeten worden aangevochten bij het ministerie van Vervoer heeft de Tsjechische Republiek dus het recht van de Unie geschonden.

C‑625/10 Commissie/Frankrijk, C‑627/10 Commissie/Slovenië en C‑412/11 Commissie/Luxemburg

Richtlijn 91/440 bepaalt dat een instantie of onderneming die spoorwegdiensten verricht niet met essentiële taken mag worden belast. Bij die taken gaat het inzonderheid om toewijzing van spoorwegtrajecten en infrastructuurcapaciteit. De Commissie verwijt Frankrijk, Slovenië en Luxemburg, het vereiste van onafhankelijkheid van een instantie of onderneming die spoorwegdiensten verricht niet in acht te hebben genomen.

Met betrekking tot Frankrijk zet de advocaat-generaal uiteen dat het feit een dienst van de gevestigde spoorwegonderneming Société nationale des chemins de fer français (SNCF), de Direction des Circulations Ferroviaires (DCF), handelt voor rekening van het netwerk Réseau ferré de France (RFF), dat de volle bevoegdheid behoudt de dienstregelingen vast te stellen en de individuele spoorwegtrajecten toe te kennen, niet volstaat voor aanvaardbaarheid van het Franse stelsel. Evenzo constateert de advocaat-generaal wat Slovenië betreft dat de omstandigheid dat de Sloveense spoorwegen handelen voor rekening van respectievelijk het Sloveense agentschap voor het spoorwegvervoer, dat volledig bevoegd blijft voor de vaststelling van de dienstregelingen en de toewijzing van individuele spoorwegtrajecten, niet volstaat om te kunnen concluderen dat dit stelsel aan de vereisten van het recht van de Unie voldoet. Aangaande het beroep tegen Luxemburg merkt de advocaat-generaal op dat in geval van verkeersverstoringen de door de Luxemburgse spoorwegadministratie, de Administration des Chemins de Fer (ACF), vastgestelde normale dienstregeling niet meer kan worden gevolgd aangezien de in de dienstregeling vastgestelde tijdstippen reeds zijn verstreken, waarna door de spoorwegonderneming Chemins de fer luxembourgeois (CFL) nieuwe vertrektijden moeten worden vastgesteld voor de vervoerders die op hun beurt wachten.

Vervolgens onderzoekt de advocaat-generaal het bezwaar van de Commissie aangaande de heffingen voor toegang tot de spoorweginfrastructuur. Hij merkt op dat Frankrijk en Slovenië hebben nagelaten prestatieregelingen voor de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders vast te stellen die aan de vereisten van het recht van de Unie beantwoorden. Voor het overige zet advocaat-generaal Jääskinen uiteen dat Slovenië heeft verzuimd maatregelen te treffen die de infrastructuurbeheerders ertoe aanzetten de kosten van de verschaffing van infrastructuur alsmede de hoogte van toegangsrechten te verminderen.

NOTA BENE: De conclusie van de advocaat-generaal bindt het Hof van Justitie niet. De advocaten-generaal hebben tot taak, het Hof in volledige onafhankelijkheid een juridische oplossing te bieden voor het concrete geschil. De rechters van het Hof beginnen vandaag met de beraadslagingen over het arrest, dat op een latere datum zal worden gewezen.

NOTA BENE: Een beroep wegens niet-nakoming gericht tegen een lidstaat die zijn uit het recht van de Unie voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen, kan worden ingesteld door de Commissie of door een andere lidstaat. Indien het Hof van Justitie de niet-nakoming vaststelt, dient de betrokken lidstaat zo snel mogelijk aan dit arrest te voldoen. Wanneer de Commissie van oordeel is dat de lidstaat niet aan het arrest heeft voldaan, kan zij een nieuw beroep instellen en daarin financiële sancties vorderen. Worden de Commissie echter geen maatregelen tot omzetting van een richtlijn meegedeeld, dan kan het Hof van Justitie, op voorstel van de Commissie, bij het eerste arrest sancties opleggen.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van de conclusies (C‑512/10, C‑545/10, C‑625/10, C‑627/10 en C‑412/11) is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

1 :

Het betreft de zaken C-473/10 Commissie / Hongarije, C‑483/10 Commissie/Spanje; C‑512/10 Commissie/Polen; C‑528/10 Commissie/Griekenland; C‑545/10 Commissie/ Tsjechische Republiek; C‑555/10 Commissie/Oostenrijk; C‑556/10 Commissie/Duitsland; C‑557/10 Commissie/Portugal; C‑625/10 Commissie/Frankrijk; C‑627/10 Commissie/Slovenië; C‑369/11 Commissie/Italië; en C‑412/11 Commissie/Luxemburg.

2 :

Richtlijn 91/440/EEG van de Raad van 29 juli 1991 betreffende de ontwikkeling van de spoorwegen in de Gemeenschap (PB L 237, blz. 25), zoals gewijzigd bij richtlijn 2001/12, en richtlijn 2001/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2001 inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur (PB L 75, blz. 29), zoals gewijzigd bij de richtlijnen 2004/49/EG en 2007/58/EG.

3 :

De conclusie in de zaken betreffende Hongarije, Spanje, Oostenrijk, Duitsland en Portugal is genomen op 6 september 2012 (zie CP nr. 109/12).


Side Bar