Chemin de navigation

Left navigation

Additional tools

Het Hof vernietigt het arrest van het Gerecht betreffende het kartel op de Belgische markt voor internationale verhuisdiensten ten aanzien van de onderneming Coppens

Cour de justice - CJE/12/159   06/12/2012

Autres langues disponibles: FR EN DE ES

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 159/12

Luxemburg, 6 december 2012

Arrest in zaak C‑441/11 P

Commissie / Verhuizingen Coppens NV

Het Hof vernietigt het arrest van het Gerecht betreffende het kartel op de Belgische markt voor internationale verhuisdiensten ten aanzien van de onderneming Coppens

Aangezien die onderneming aansprakelijk is voor haar deelname aan een overeenkomst om aan klanten fictieve offertes te verstrekken, moet haar een geldboete van 35 000 EUR worden opgelegd

Bij beschikking van 11 maart 20081 legde de Commissie geldboeten voor een totaal bedrag van 32,76 miljoen EUR op aan tien ondernemingen, omdat deze in verschillende tijdvakken tussen oktober 1984 en september 2003 hadden deelgenomen aan een kartel op de markt van internationale verhuisdiensten in België. Het kartel betrof directe en indirecte prijsafspraken, marktverdeling en manipulatie van de procedure voor de indiening van offertes, in het bijzonder door het verstrekken van fictieve offertes aan klanten en door een systeem van compensatie tussen de deelnemers voor de afgewezen offertes. In dat verband is aan Coppens een geldboete van 104 000 EUR opgelegd.

Vijf ondernemingen, waaronder Coppens, en bepaalde van hun moedermaatschappijen hebben het Gerecht verzocht om nietigverklaring van de beschikking of om verlaging van het bedrag van hun respectieve geldboete. Hoewel het Gerecht in zijn arresten van 16 juni 2011 de beschikking van de Commissie betreffende dat kartel in grote lijnen heeft bevestigd, heeft het de beschikking en de geldboete evenwel nietig verklaard ten aanzien van Coppens.2 Het Gerecht heeft immers vastgesteld dat de Commissie niet had weten aan te tonen dat die onderneming had deelgenomen aan het gelaakte kartel, behoudens wat haar deelname aan de overeenkomst inzake de fictieve offertes betreft.

De Commissie heeft tegen het arrest van het Gerecht hogere voorziening ingesteld bij het Hof van Justitie.

In zijn arrest van vandaag brengt het Hof om te beginnen in herinnering dat het Gerecht een beschikking van de Commissie niet automatisch in haar geheel nietig kan verklaren op basis van het enkele feit dat het een beroep tot nietigverklaring van deze beschikking gedeeltelijk gegrond acht. Dienaangaande preciseert het Hof dat het Gerecht, wanneer het vaststelt dat de Commissie ten onrechte heeft aangenomen dat een onderneming heeft deelgenomen aan één enkele voortgezette inbreuk, maar wel heeft aangetoond dat deze onderneming aansprakelijk is voor bepaalde mededingingsverstorende gedragingen, de beschikking gedeeltelijk nietig dient te verklaren indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan.

Een onderneming die niet heeft deelgenomen aan of niet op de hoogte was van alle mededingingsverstorende gedragingen waaruit één enkele voortgezette inbreuk bestaat, moet immers toch aansprakelijk worden gesteld voor de mededingingsverstorende gedragingen die zij zelf heeft gesteld en voor de mededingingsverstorende gedragingen waarvan zij op de hoogte was en waarmee dezelfde mededingingsverstorende doelstellingen werden nagestreefd, wanneer deze verschillende gedragingen haar voldoende duidelijk ten laste zijn gelegd door de Commissie.

Aangezien de Commissie in casu meerdere afzonderlijke mededingingsverstorende gedragingen had geïdentificeerd in de beschikking waarin zij vaststelde dat Coppens aan het kartel had deelgenomen, had het Gerecht deze beschikking gedeeltelijk nietig moeten verklaren. Een dergelijke gedeeltelijke nietigverklaring zou de kern van de beschikking niet hebben gewijzigd, waarvan het voorwerp bestaat in de vaststelling van één of meer gedragingen die schending van de mededingingsregels opleveren.

Het Hof brengt tevens in herinnering dat het Gerecht zelf niet had uitgesloten dat Coppens aan het kartel had deelgenomen door het verstrekken van fictieve offertes aan haar klanten. Deze deelname kan op zich het mededingingsrecht van de Unie schenden, zelfs indien die onderneming niet heeft bijgedragen aan alle door de andere karteldeelnemers nagestreefde gemeenschappelijke doelstellingen.

In die omstandigheden stelt het Hof vast dat het arrest van het Gerecht blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting voor zover het de litigieuze beschikking volledig nietig heeft verklaard zonder die vennootschap aansprakelijk te stellen voor de inbreuk die zij heeft begaan. Dientengevolge vernietigt het Hof dat arrest.

Vervolgens beslist het Hof om de zaak zelf af te doen. In dat verband merkt het op dat de inbreuk waarvoor Coppens door de Commissie aansprakelijk werd gesteld uit twee overeenkomsten bestond: de overeenkomst inzake de fictieve offertes, in het kader waarvan de concurrenten van de onderneming die de opdracht diende te krijgen, de klant een offerte deden die duurder was dan de offerte van bedoelde onderneming, en de overeenkomst inzake commissies, waarmee werd beoogd concurrenten te vergoeden die vrijwillig hadden afgezien van het uitbrengen van concurrerende offertes.

In die context bevestigt het Hof dat Coppens heeft deelgenomen aan de overeenkomst inzake de fictieve offertes en dat haar deelname een mededingingsverstorende gedraging was die indruiste tegen het mededingingsrecht van de Unie. Zoals het Gerecht reeds heeft vastgesteld, heeft de Commissie daarentegen niet bewezen dat die onderneming op de hoogte was van de door de andere ondernemingen van het kartel ten uitvoer gelegde overeenkomst inzake commissies. Het Hof concludeert derhalve dat Coppens niet aansprakelijk kon worden gesteld voor die laatste overeenkomst en verklaart de beschikking van de Commissie gedeeltelijk nietig.

Ten slotte verlaagt het Hof de aan Coppens opgelegde geldboete tot 35 000 EUR.

NOTA BENE: Bij het Hof van Justitie kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld tegen een arrest of een beschikking van het Gerecht. In beginsel heeft de hogere voorziening geen opschortende werking. Indien de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond is, vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Ingeval de zaak in staat van wijzen is, kan het Hof de zaak zelf afdoen. In het omgekeerde geval verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat aan de door het Hof in het kader van de hogere voorziening gegeven beslissing is gebonden.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

1 :

Beschikking C (2008) 926 def. van de Commissie van 11 maart 2008 betreffende een procedure op grond van artikel 81 [EG] en artikel 53 van de EER-Overeenkomst (Zaak COMP/38.543 – Internationale verhuisdiensten). De Commissie heeft vervolgens het oorspronkelijke bedrag van de aan Gosselin Group opgelegde geldboete verlaagd bij beschikking C (2009) 5810 def. van 24 juli 2009. Bijgevolg werd het totale bedrag van de opgelegde geldboeten verlaagd tot 31,54 miljoen EUR.

2 :

Arrest van het Gerecht van 16 juni 2011, Verhuizingen Coppens / Commissie (T‑210/08), zie ook CP nr. 63/11.


Side Bar

Mon compte

Gérez vos recherches et notifications par email


Aidez-nous à améliorer ce site