Navigation path

Left navigation

Additional tools

Het Hof vernietigt het arrest van het Gerecht waarbij de opneming van Al‑Aqsa op de lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden zijn bevroren nietig was verklaard

Court of Justice - CJE/12/147   15/11/2012

Other available languages: EN FR DE ES IT EL

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 147/12

Luxemburg, 15 november 2012

Arrest in de gevoegde zaken C‑539/10 P

Stichting Al-Aqsa/Raad en C‑550/10 P Nederland/Al-Aqsa

Het Hof vernietigt het arrest van het Gerecht waarbij de opneming van Al‑Aqsa op de lijst van personen en entiteiten waarvan de tegoeden zijn bevroren nietig was verklaard

De maatregelen die de Raad tegen Al‑Aqsa heeft genomen zijn in overeenstemming met de regels van Unierecht inzake de strijd tegen het terrorisme

De Nederlandse Stichting Al‑Aqsa verzet zich sinds 2003 in rechte tegen haar plaatsing en haar handhaving op de door de Raad opgestelde lijst van personen en entiteiten waarvan de financiële middelen in het kader van de strijd tegen het terrorisme worden bevroren. Een eerste reeks besluiten van de Raad waarbij Al-Aqsa op deze lijst werd geplaatst en vervolgens gehandhaafd, heeft het Gerecht bij een arrest van 2007 nietig verklaard wegens ontoereikende motivering.1 Een tweede reeks van maatregelen van de Raad, betreffende de jaren 2007 tot en met 2009, heeft het Gerecht bij een arrest van 2010 nietig verklaard, in dat geval omdat Nederland de regeling waarbij sancties in verband met terrorisme waren vastgesteld tegen Al-Aqsa (Sanctieregeling), die uiteindelijk de grondslag vormde voor de maatregelen van de Raad, had ingetrokken. Aan de plaatsing en vervolgens de handhaving op de lijst is namelijk de voorwaarde verbonden dat tegen de betrokkene een nationale onderzoeks- of vervolgingsprocedure loopt in verband met terroristische daden, dan wel dat hem reeds een straf is opgelegd.2 (PC nr. 72/12)

In het kader van hogere voorzieningen die de Stichting Al‑Aqsa (zaak C‑539/10 P) en Nederland (zaak C‑550/10 P) tegen laatstgenoemd arrest van het Gerecht hadden ingesteld, werd het Hof van Justitie verzocht om te onderzoeken of aan de voorwaarden voor de bevriezing van tegoeden was voldaan. (PC nr. 72/12)

Bij het vandaag gewezen arrest verklaart het Hof om te beginnen de hogere voorziening van Al‑Aqsa in zaak C‑539/10 P niet-ontvankelijk, omdat zij enkel betrekking heeft op de wijziging van bepaalde rechtsoverwegingen van het bestreden arrest.

Vervolgens stelt het Hof met betrekking tot de hogere voorziening van Nederland in zaak C‑550/10 P vast dat het Gerecht blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat er na de intrekking van de Sanctieregeling geen „grondslag” meer bestond in het nationale recht die de handhaving van Al‑Aqsa op de lijst rechtvaardigde, zonder naar behoren rekening te houden met de reden voor die intrekking. De intrekking werd immers uitsluitend gerechtvaardigd door de doelstelling een overlapping te vermijden tussen enerzijds de bij de Sanctieregeling opgelegde nationale maatregel tot bevriezing van de tegoeden en anderzijds de maatregel tot bevriezing van tegoeden waarin op het niveau van de Unie bij verordening nr. 2580/20013 was voorzien ten gevolge van de plaatsing van Al‑Aqsa op de lijst. Deze intrekking was dus uitsluitend bedoeld ter eerbiediging van het VWEU, volgens hetwelk een verordening van de Unie verbindend is in al haar onderdelen en rechtstreeks toepasselijk is in elke lidstaat, wat in beginsel uitsluit dat parallelle nationale bepalingen worden vastgesteld of gehandhaafd. Het Hof vernietigt daarom het arrest van het Gerecht.

Na die vernietiging doet het Hof zelf het beroep af dat Al‑Aqsa aanvankelijk voor het Gerecht had ingesteld en dat strekte tot nietigverklaring van de beslissingen van de Raad inzake de bevriezing van tegoeden.

Het Hof stelt allereerst vast dat de Raad over welbepaalde inlichtingen en dossierelementen beschikte, die aantoonden dat een bevoegde Nederlandse instantie ten aanzien van Al‑Aqsa een beslissing had genomen die aan de in het Unierecht gestelde criteria beantwoordde. Het Hof benadrukt in die context dat een dergelijke verwijzing naar een nationale beslissing overeenkomstig het Unierecht inhoudt dat er serieuze en geloofwaardige bewijzen bestaan inzake iemands betrokkenheid bij terroristische activiteiten, die door de bevoegde nationale autoriteiten geloofwaardig worden geacht. Voorts heeft de Raad geen beoordelingsfout gemaakt door ervan uit te gaan dat Al‑Aqsa wist dat zij met het inzamelen en ter beschikking stellen van gelden meewerkte aan terroristische activiteiten.

Vervolgens oordeelt het Hof dat de Raad niet heeft tekortgeschoten in zijn verplichting om te evalueren of de gronden die de beslissingen tot bevriezing van de tegoeden rechtvaardigden, waren blijven voortbestaan. Het stelt vast dat de intrekking van de Sanctieregeling niet volstond om de handhaving van Al‑Aqsa op de lijst onverenigbaar met het Unierecht te verklaren. Er bestaan immers geen aanwijzingen op basis waarvan de Raad had kunnen besluiten dat Al-Aqsa haar medewerking aan de financiering van terroristische activiteiten heeft opgeschort of beëindigd, los van het feit dat zij dergelijke medewerking door de bevriezing van haar tegoeden nog maar moeilijk, of zelfs helemaal niet meer, kon verlenen.

Het Hof is van oordeel dat de beslissingen van de Raad het eigendomsrecht van Al‑Aqsa niet aantasten. In die context brengt het in herinnering dat het eigendomsrecht in het Unierecht geen absolute bescherming geniet en dat de uitoefening van dat recht aan beperkingen kan worden onderworpen, mits deze daadwerkelijk aan door de Unie nagestreefde doeleinden van algemeen belang beantwoorden en, het nagestreefde doel in aanmerking genomen, geen onevenredige en onduldbare ingreep opleveren waardoor de gewaarborgde rechten in hun kern worden aangetast. De bevriezing van tegoeden is een conservatoire maatregel en heeft dus niet tot doel de betrokkenen hun eigendom te ontnemen. Aangezien het door de Unie nagestreefde doel, te weten de strijd tegen de financiering van het terrorisme, niet op even doeltreffende wijze kan worden bereikt met de minder belastende alternatieve maatregelen die Al‑Aqsa voorstelt – zoals een stelsel van voorafgaande machtiging of de verplichting a posteriori te verantwoorden waarvoor de uitgekeerde gelden zijn gebruikt – waren de beperkingen die de Raad heeft gesteld aan het eigendomsrecht van Al‑Aqsa noodzakelijk. Gezien het belang van deze strijd tegen het terrorisme, zijn deze beperkingen bovendien niet onevenredig met de nagestreefde doelstellingen.

Tot slot wijst het Hof het argument van Al‑Aqsa dat het besluit van de Raad niet voldoet aan de in het Unierecht voorgeschreven motiveringsplicht, van de hand. Niets wijst er immers op dat zich, met betrekking tot de betrokkenheid van Al‑Aqsa bij de financiering van terroristische activiteiten, sinds de vaststelling van de Sanctieregeling nieuwe feiten hebben voorgedaan of dat de Nederlandse nationale instanties de feiten anders hebben beoordeeld. Bijgevolg hoefde de Raad niet nader uiteen te zetten waarom hij ervan overtuigd was dat de redenen die de plaatsing van Al‑Aqsa op de litigieuze lijst rechtvaardigden, geldig bleven.

Derhalve verwerpt het Hof het door de Stichting Al‑Aqsa aanvankelijk ingestelde beroep.

NOTA BENE: Bij het Hof van Justitie kan een tot rechtsvragen beperkte hogere voorziening worden ingesteld tegen een arrest of een beschikking van het Gerecht. In beginsel heeft de hogere voorziening geen opschortende werking. Indien de hogere voorziening ontvankelijk en gegrond is, vernietigt het Hof de beslissing van het Gerecht. Ingeval de zaak in staat van wijzen is, kan het Hof de zaak zelf afdoen. In het omgekeerde geval verwijst het de zaak naar het Gerecht, dat aan de door het Hof in het kader van de hogere voorziening gegeven beslissing is gebonden.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

1 :

Arrest Gerecht van 11 juli 2007, Al-Aqsa/Raad (T-327/03), zie ook PC nr. 47/07.

2 :

Arrest Gerecht van 9 september 2010, Al-Aqsa/Raad (T-348/07), zie ook PC nr. 81/10.

3 :

Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van de besluiten 2006/379/EG en 2006/1008/EG (PB L 169, blz. 58).


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website