Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE ES IT PT EL PL BG RO

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 94/10

Luxemburg, 30 september 2010

Arrest in zaak C-104/09

Roca Álvarez / Sesa Start España ETT SA

In loondienst werkzame vaders hebben recht op zogeheten „borstvoedings”verlof ongeacht de beroepssituatie van de moeder van hun kind

De Spaanse regeling, op grond waarvan een in loondienst werkzame vader dit verlof alleen dan in de plaats van de moeder van zijn kind kan nemen, wanneer zij arbeid in loondienst verricht, voert een niet-gerechtvaardigde discriminatie op grond van geslacht in

Volgens het Spaanse werknemersstatuut hebben in loondienst werkzame moeders gedurende de eerste negen levensmaanden van hun kind recht op zogeheten „borstvoedings”verlof. Dit verlof biedt hun de mogelijkheid om de arbeid gedurende een uur te onderbreken – aaneengesloten of in twee keer –, dan wel om de dagelijkse arbeidstijd met een half uur te verkorten. In dat werknemersstatuut is uitdrukkelijk bepaald dat, wanneer beide ouders werken, het betrokken verlof zonder onderscheid door de moeder of door de vader kan worden genomen.

Roca Álvarez werkt in loondienst van de onderneming Sesa Start España ETT SA. Zijn aanvraag voor borstvoedingsverlof is afgewezen op grond dat de moeder van zijn kind geen werkneemster maar zelfstandige was. Hij heeft de beslissing van zijn werkgever bij de nationale rechterlijke instanties aangevochten.

Het Tribunal Superior de Justicia de Galicia (Hoger gerechtshof van Galicië, Spanje), dat in hoger beroep van de zaak kennis heeft genomen, heeft uiteengezet dat dit verlof, naarmate de nationale regeling en rechtspraak zich hebben ontwikkeld, is ontkoppeld van het biologische feit bestaande in het geven van borstvoeding. Terwijl het in 1900 was ingevoerd om de moeder de gelegenheid te bieden, haar baby borstvoeding te geven, kan het sinds enkele jaren ook worden toegekend wanneer flesvoeding wordt gegeven. Het moet thans worden beschouwd als louter voor de zorg voor het kind bedoelde tijd en als een maatregel om gezins- en beroepsleven na het moederschapsverlof te conciliëren. Niettemin geldt ook vandaag nog dat de vader het verlof slechts in de plaats van de moeder kan opnemen, wanneer de moeder in loondienst werkzaam is en het recht op borstvoedingsverlof haar dus uit dien hoofde toekomt.

In deze samenhang wordt het Hof van Justitie de vraag gesteld of het recht op borstvoedingsverlof niet zowel aan mannen als aan vrouwen moet worden toegekend en of het voorbehouden daarvan aan vrouwen in loondienst en de vaders van hun kinderen geen discriminerende maatregel is die strijdt met het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen zoals erkend in de richtlijnen die dat beginsel ten uitvoer leggen op het gebied van arbeid en beroep.1

In zijn arrest van heden stelt het Hof vast dat deze richtlijnen zich verzetten tegen een nationale maatregel op grond waarvan in loondienst werkzame moeders recht hebben op borstvoedingsverlof, terwijl in loondienst werkzame vaders dat verlof slechts kunnen genieten wanneer ook de moeder van hun kind arbeid in loondienst verricht.


Richtlijn 76/207/EEG van de Raad van 9 februari 1976 betreffende de tenuitvoerlegging van het beginsel van gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden (PB L 39, blz. 40), zoals gewijzigd bij richtlijn 2002/73/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 september 2002 (PB L 269, blz. 15) en ingetrokken bij richtlijn 2006/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 juli 2006 betreffende de toepassing van het beginsel van gelijke kansen en gelijke behandeling van mannen en vrouwen in arbeid en beroep (herschikking) (PB L 204, blz. 23).

Om te beginnen wijst het Hof er namelijk op dat dit verlof, dat tot een wijziging van de arbeidstijd leidt, invloed heeft op de arbeidsvoorwaarden zoals vastgelegd in de richtlijnen die elke discriminatie op grond van geslacht verbieden.

Voorts stelt het Hof vast dat twee werknemers, die respectievelijk vader en moeder van jonge kinderen zijn, zich in een vergelijkbare situatie bevinden wat de behoefte betreft om hun dagelijkse arbeidstijd te verkorten, teneinde voor hun kinderen te kunnen zorgen. Onder de in het Spaanse werknemersstatuut vervatte regeling volstaat voor mannelijke werknemers, anders dan voor vrouwelijke werknemers, de hoedanigheid van ouder echter niet om dat verlof te kunnen genieten. Zodoende voorziet de Spaanse regeling in een ongelijke behandeling van in loondienst werkzame moeders en in loondienst werkzame vaders op grond van geslacht.

Ten slotte is het Hof van oordeel dat deze discriminatie noch kan worden gerechtvaardigd door het doel, de vrouw te beschermen, noch door de bevordering van gelijkheid van kansen voor mannen en vrouwen.

Ten eerste beoogt dit verlof niet de bescherming van de biologische gesteldheid van de vrouw na haar zwangerschap of van de bijzondere relatie met haar kind te verzekeren. Het feit dat het verlof zonder onderscheid door de vader of de moeder kan worden opgenomen, impliceert namelijk dat zowel de vader als de moeder zich met de voeding van en de zorg voor het kind kan bezighouden, zodat dit verlof wordt toegekend aan de werknemers in hun hoedanigheid van ouders.

Ten tweede leidt een dergelijke regeling niet tot opheffing of vermindering van de feitelijke ongelijkheden die voor de vrouw in de realiteit van het maatschappelijk leven kunnen bestaan. Een dergelijke regeling strekt evenmin ertoe, nadelen in haar beroepsloopbaan te voorkomen of te compenseren.

Deze maatregel kan inderdaad tot de bevoordeling van vrouwen leiden doordat in loondienst werkzame moeders de mogelijkheid wordt geboden om hun baan te behouden en tegelijk tijd aan hun kind te besteden. Dit effect wordt nog versterkt door het feit dat de vader dat verlof kan opnemen in de plaats van de moeder, zodat de zorg en de aandacht voor het kind geen nadelige gevolgen hebben voor haar baan.


Evenwel bestendigt het feit dat alleen de in loondienst werkzame moeder altijd recht heeft op dat verlof, terwijl de vader die zich in dezelfde beroepssituatie bevindt, dat recht niet rechtstreeks bezit, een traditionele rolverdeling, aangezien mannen bij de uitoefening van het ouderschap aldus een ondergeschikte rol blijven spelen. Bovendien kan dit tot gevolg hebben dat een vrouw met een zelfstandige beroepsactiviteit, zoals de moeder van het kind van Roca Álvarez, die op dit verlof geen recht heeft, zich ertoe verplicht ziet, haar beroepsactiviteit te beperken en de aan de geboorte van haar kind verbonden belasting helemaal alleen te dragen, zonder dat zij op hulp van de vader van het kind kan rekenen.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170


Side Bar