Navigation path

Left navigation

Additional tools

Other available languages: EN FR DE ES IT PT EL CS HU PL SK BG RO

Pers en Voorlichting

Hof van Justitie van de Europese Unie

PERSCOMMUNIQUÉ nr. 118/10

Luxemburg, 7 december 2010

Arrest in de gevoegde zaken C-585/08 en C-144/09

Peter Pammer / Reederei Karl Schlüter GmbH & Co. KG en

Hotel Alpenhof GesmbH / Oliver Heller

Het Hof preciseert de unierechtelijke regels inzake rechterlijke bevoegdheid die van toepassing zijn op consumentenovereenkomsten wanneer via internet diensten worden aangeboden

Het loutere gebruik van een internetsite door de ondernemer brengt op zich niet de toepassing van de beschermende bevoegdheidsregels op consumenten uit andere lidstaten mee

De verordening1 van de Europese Unie betreffende de rechterlijke bevoegdheid in burgerlijke en handelszaken bepaalt dat vorderingen tegen personen die woonplaats hebben op het grondgebied van een lidstaat, in beginsel bij de gerechten van die lidstaat moeten worden ingesteld. Zij bepaalt ook dat contractuele geschillen kunnen worden beslecht door het gerecht van de plaats waar de contractuele verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd. Wanneer het gaat om een consumentenovereenkomst zijn evenwel regels ter bescherming van de consument van toepassing. Indien de ondernemer „zijn activiteiten richt“ op de lidstaat waar de consument woonplaats heeft, kan deze laatste de zaak aanhangig maken bij het gerecht van de lidstaat waar hij woonplaats heeft en slechts in deze lidstaat worden gedagvaard. In beide zaken is de vraag aan de orde of een ondernemer „zijn activiteiten richt” in de zin van de verordening wanneer hij een internetsite gebruikt om met de consumenten te communiceren.

Zaak C-585/08

Pammer, die in Oostenrijk woont, wilde aan boord van een vrachtschip van Triëste (Italië) naar het Verre Oosten reizen. Hij boekte dus een reis bij de Duitse Reederei Karl Schlüter via een Duits reisagentschap dat gespecialiseerd is in de verkoop van reizen per vrachtschip via internet. Pammer weigerde om in te schepen omdat datgene wat op het schip werd aangeboden volgens hem niet overeenstemde met de beschrijving die hij van het agentschap had gekregen, en vorderde terugbetaling van de prijs die hij voor deze reis had betaald. Aangezien Reederei Karl Schlüter slechts een deel van deze prijs heeft terugbetaald, heeft Pammer de zaak aanhangig gemaakt bij de Oostenrijkse gerechten. De Duitse onderneming heeft voor deze gerechten een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen op grond van het feit dat zij geen commerciële of beroepsactiviteiten in Oostenrijk uitoefent.


Zaak C-144/09

Heller, die in Duitsland woont, heeft voor één week meerdere kamers geboekt in Hotel Alpenhof, dat in Oostenrijk is gelegen. Hij heeft deze boeking verricht door een e-mail te versturen naar een adres dat wordt vermeld op de internetsite van het hotel die hij had geraadpleegd. Heller heeft zijn beklag gedaan over de door het hotel verleende diensten en het hotel verlaten zonder zijn rekening te betalen. Het hotel heeft daarop bij de Oostenrijkse gerechten een vordering tot betaling van de rekening ingesteld. Heller heeft een exceptie van onbevoegdheid opgeworpen. Hij is van mening dat hij als consument die in Duitsland woont slechts voor de Duitse gerechten kan worden gedagvaard.

1 Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (PB 2001, L 12, blz. 1).

Het Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), waarbij beide zaken aanhangig zijn gemaakt, vraagt het Hof of het feit dat een in een lidstaat gevestigde vennootschap via internet haar diensten aanbiedt impliceert dat deze diensten ook op andere lidstaten „zijn gericht”. Indien dit het geval zou zijn, zouden consumenten die in deze andere lidstaten wonen en van deze diensten gebruikmaken, zich in geval van een geschil met de ondernemer namelijk ook op de gunstigere bevoegdheidsregels van de verordening kunnen beroepen.

In zijn arrest van heden stelt het Hof vast dat het loutere feit dat een ondernemer een internetsite gebruikt om handel te drijven, op zich niet betekent dat zijn activiteit „gericht is op” andere lidstaten, wat de toepassing zou meebrengen van de beschermende bevoegdheidsregels van de verordening. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat het voor de toepassing van deze regels op de consumenten van andere lidstaten vereist is dat de ondernemer zijn wil tot uitdrukking heeft gebracht om commerciële betrekkingen met hen aan te knopen.

In dit verband onderzoekt het Hof op basis van welke aanwijzingen kan worden aangetoond dat de ondernemer van plan was om handel te drijven met consumenten die woonplaats hebben in andere lidstaten. Tot deze aanwijzingen behoort de duidelijke uitdrukking van de wil van de ondernemer om deze consumenten als klanten te winnen, bijvoorbeeld wanneer hij zijn diensten of goederen aanbiedt in één of meerdere bij name genoemde lidstaten of geld uitgeeft aan een door een exploitant van een zoekmachine aangeboden zoekmachineadvertentiedienst, om de consumenten die in deze verschillende lidstaten woonplaats hebben, gemakkelijker toegang te verlenen tot zijn site.

Andere, minder duidelijke, aanwijzingen, eventueel in hun onderling verband beschouwd, kunnen evenwel ook het bewijs leveren van het bestaan van een activiteit die „gericht is op” de lidstaat waar de consument woonplaats heeft. Het gaat met name om het internationale karakter van de betrokken activiteit, zoals bepaalde toeristische activiteiten, de vermelding van een telefoonnummer met internationaal kengetal, het gebruik van een andere topleveldomeinnaam dan die van de lidstaat waar de ondernemer gevestigd is, bijvoorbeeld „.de”, of het gebruik van een neutrale topleveldomeinnaam, zoals „.com” of „.eu”, routebeschrijvingen vanuit één of meerdere andere lidstaten naar de plaats waar de dienst wordt verricht, en de verwijzing naar een internationaal clientèle dat is samengesteld uit klanten die in verschillende lidstaten woonplaats hebben, met name door de weergave van getuigenissen van deze klanten. Indien de internetsite de consumenten de mogelijkheid biedt om een andere taal of een andere munteenheid te gebruiken dan die welke gewoonlijk in de lidstaat van de ondernemer worden gebruikt, kunnen deze elementen eveneens aanwijzingen vormen dat de activiteit van de ondernemer grensoverschrijdend is.


De vermelding op een internetsite van het e-mailadres of het geografische adres van de ondernemer en de opgave van zijn telefoonnummer zonder internationaal kengetal vormen daarentegen geen aanwijzingen in die zin, aangezien deze informatie er niet op wijst dat de ondernemer zijn activiteit richt op één of meerdere andere lidstaten.

Het Hof komt tot de conclusie dat de Oostenrijkse rechter, rekening houdend met deze aanwijzingen, dient na te gaan of uit de internetsite en de algemene activiteit van de ondernemers blijkt dat dezen van plan waren om handel te drijven met Oostenrijkse (zaak C-585/08) of Duitse (zaak C-144/09) consumenten, in die zin dat zij bereid waren om met hen een overeenkomst te sluiten.

NOTA BENE: De prejudiciële verwijzing biedt de rechterlijke instanties van de lidstaten de mogelijkheid, in het kader van een bij hen aanhangig geding aan het Hof vragen te stellen over de uitlegging van het recht van de Unie of over de geldigheid van een handeling van de Unie. Het Hof beslecht het nationale geding niet. De nationale rechterlijke instantie dient het geding af te doen overeenkomstig de beslissing van het Hof. Deze beslissing bindt op dezelfde wijze de andere nationale rechterlijke instanties die kennis dienen te nemen van een soortgelijk probleem.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.

De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de website CURIA.

Contactpersoon voor de pers: Stefaan Van der Jeught (+352) 4303 2170

Beelden van de uitspraak van het arrest zijn beschikbaar via "Europe by Satellite " (+32) 2 2964106)


Side Bar