Navigation path

Left navigation

Additional tools

De antidopingregelgeving van het Internationaal Olympisch Comite valt onder het communautaire mededingingsrecht

Court of Justice - CJE/06/65   18/07/2006

Other available languages: EN FR DE ES IT EL CS HU PL SK SL

CJE/06/65

18 juli 2006

Pers en Voorlichting

PERSCOMMUNIQUE nr. 65/06

18 juli 2006

Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-519/04 P

David Meca-Medina en Igor Majcen / Commissie van de Europese Gemeenschappen

De antidopingregelgeving van het Internationaal Olympisch Comite valt onder het communautaire mededingingsrecht

Zij is echter niet in strijd met dit recht omdat zij niet verder gaat dan noodzakelijk is om het goede verloop van sportcompetities te verzekeren

D. Meca-Medina en I. Majcen zijn twee beroepssporters die aan langeafstandzwemmen doen. Tijdens een wereldbeker in deze discipline zijn zij positief bevonden op nandrolon (een anabolicum). De Internationale Zwemfederatie (FINA) heeft hen krachtens de antidopingcode van de Olympische Beweging voor vier jaar geschorst, welke schorsing nadien door het Hof van arbitrage voor de sport werd verminderd tot twee jaar. Meca-Medina en Majcen hebben bij de Europese Commissie een klacht ingediend met het argument dat de antidopingregelgeving van het Internationaal Olympisch Comité indruiste tegen de communautaire regels inzake mededinging en het vrije verrichten van diensten. De Commissie heeft deze klacht afgewezen bij beschikking van 1 augustus 2002.

Meca-Medina en Majcen hebben bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen beroep ingesteld tot nietigverklaring van deze beschikking. Bij arrest van 30 september 2004[1] heeft het Gerecht het beroep verworpen door te oordelen dat de regels inzake dopingbestrijding niet binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht inzake de mededinging en het vrije verrichten van diensten valt. Van oordeel dat deze uitspraak van het Gerecht blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting, hebben zij hogere voorziening ingesteld bij het Hof.

De vernietiging van de beslissing van het Gerecht van eerste aanleg

Het Hof wijst erop dat sportbeoefening slechts onder het gemeenschapsrecht valt in zoverre zij een economische activiteit vormt. Het Hof heeft echter geoordeeld dat de bepalingen van het Verdrag die het vrije verkeer van personen en het vrije verrichten van diensten waarborgen, niet van toepassing zijn op regels betreffende vraagstukken die alleen verband houden met sport en als zodanig buiten de economische activiteit staan.

Dat deze regels het vrije verkeer niet beperken omdat zij vraagstukken betreffen die alleen verband houden met de sport en als zodanig buiten de economische activiteit staan, impliceert daarentegen niet dat de betrokken sportieve activiteit noodzakelijkerwijze buiten de werkingssfeer van de communautaire mededingingsregels valt, noch dat deze regels de specifieke voorwaarden voor toepassing van deze artikelen niet vervullen.

Door de tegengestelde redenering te volgen, zonder eerst na te gaan of deze regelgeving voldeed aan de specifieke voorwaarden voor toepassing van het communautaire mededingingsrecht, heeft het Gerecht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

Bijgevolg vernietigt het Hof het arrest van het Gerecht. Aangezien de zaak in staat van wijzen is, beslist het Hof over het verzoek tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie.

De nietigverklaring van de beschikking van de Commissie

Inzake de verenigbaarheid van de bestreden regelgeving met de mededingingsregels oordeelt het Hof dat het repressieve karakter van de litigieuze antidopingregelgeving en de zwaarte van de in geval van overtreding van deze regelgeving toepasselijke sancties de mededinging ongunstig kunnen beïnvloeden. Om niet onder het door het Verdrag gestelde verbod op mededingingsvervalsing te vallen, mogen de door deze regelgeving opgelegde beperkingen niet verder gaan dan noodzakelijk is om het goede verloop van de sportcompetitie te verzekeren.

Een dergelijke regelgeving zou namelijk buitensporig kunnen zijn, in de eerste plaats bij het trekken van de grens tussen situaties die onder strafbaar dopinggebruik vallen en situaties die daar niet onder vallen, en in de tweede plaats wat de strengheid van de sancties betreft.

Volgens het Hof gaan de beperkingen die aan beroepssporters worden opgelegd door de grenswaarde waarboven de aanwezigheid van nandrolon in het lichaam van een sporter als doping moet worden beschouwd, niet verder dan noodzakelijk om het verloop en het goed functioneren van sportcompetities te verzekeren.

Aangezien Meca-Medina en Majcen overigens niet hebben aangevoerd dat de in casu toepasselijke en opgelegde sancties buitensporig zijn, is dus niet komen vast te staan dat de betrokken antidopingregelgeving onevenredig is.

Bijgevolg verwerpt het Hof het beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 1 augustus 2002.

Voor de media bestemd niet-officieel stuk, dat het Hof van Justitie niet bindt.
Beschikbare talen: FR CS DE EN ES EL HU IT NL PL SK SL
De volledige tekst van het arrest is op de dag van de uitspraak te vinden op de internetpagina
van het Hof
http://curia.europa.eu/jurisp/cgi-bin/form.pl?lang=NL&Submit=rechercher&numaff=C-C-519/04P
vanaf ongeveer 12.00 uur.
Voor nadere informatie wende men zich tot de heer Stefaan Van der Jeught.
Tel: 00 352 4303 2170 Fax: 00 352 4303 3656


[1] Arrest van het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen van 30 september 2004, Meca-Medina en Majcen/Commissie (T-313/02, Jurispr. blz. II-3291).


Side Bar

My account

Manage your searches and email notifications


Help us improve our website