RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Specifiek programma “Capaciteiten”

Dit specifiek programma heeft tot doel de onderzoeksinfrastructuren in Europa te versterken. De verschillende acties die worden uitgevoerd beogen enerzijds het dichter bij elkaar brengen van kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's), regio's, maatschappelijk middenveld, derde landen en de wetenschapswereld, en anderzijds het versterken van het onderzoekspotentieel van deze verschillende actoren en de coherentie tussen de beleidslijnen. In dit document wordt het specifiek programma in detail voorgesteld (specifieke doelstellingen, kenmerken, benaderingen, activiteitengebieden, enz.).

BESLUIT

Beschikking 2006/974/EG van de Raad van 19 december 2006 betreffende het specifiek programma "Capaciteiten" tot uitvoering van het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013).

SAMENVATTING

In het verlengde van de eerdere acties beoogt het specifiek programma “Capaciteiten” hoofdzakelijk de totstandbrenging van nieuwe infrastructuren voor onderzoek en innovatie in Europa.

Daartoe voorziet het programma in een strategische aanpak in twee fasen, namelijk een voorbereidingsfase en een bouwfase. Deze aanpak betreft de volgende gebieden:

  • onderzoeksinfrastructuren;
  • onderzoek voor KMO's;
  • kennisregio's;
  • onderzoekspotentieel;
  • wetenschap in de maatschappij;
  • horizontale internationale samenwerkingsactiviteiten.

Voor de uitvoering van het specifiek programma wordt een bedrag van 4 097 miljoen euro nodig geacht voor de periode van 1 januari 2007 tot 31 december 2013.

ALGEMENE KENMERKEN EN DOELSTELLINGEN

Het geheel van de door het programma gemobiliseerde middelen beantwoordt aan gebiedspecifieke doelstellingen:

  • optimaliseren van het gebruik en de ontwikkeling van onderzoeks­infrastructuren;
  • versterken van de innovatieve capaciteiten van KMO's en hun vermogen om onderzoek nuttig te exploiteren;
  • bevorderen en ondersteunen van de ontwikkeling van regionale door onderzoek aangestuurde clusters;
  • ontsluiten van het onderzoekspotentieel in de convergentieregio's en ultraperifere regio's van de Europese Unie;
  • dichter bij elkaar brengen van wetenschap en maatschappij;
  • stimuleren van internationale samenwerking;
  • bevorderen van de coherentie van de onderzoeksbeleidslijnen alsmede de synergieën met andere communautaire beleidslijnen en programma's.

Opgemerkt zij dat de uitvoering van het zevende kaderprogramma, daaronder begrepen de verschillende specifieke programma's en alle daaruit voortvloeiende onderzoeksactiviteiten, gebeurt met inachtneming van de fundamentele ethische beginselen, maar ook de sociale, juridische, sociaaleconomische, culturele en gendergelijkheidsaspecten.

THEMA’S: DOELSTELLINGEN, BENADERINGEN, ACTIVITEITEN

Voor elk thema dat in het specifiek progamma aan bod komt, worden bepaald:

  • een specifieke doelstelling;
  • een aangepaste aanpak;
  • concrete activiteiten.

Onderzoeksinfrastructuren

Het specifiek programma beoogt de optimalisering van het gebruik en de ontwikkeling van de Europese onderzoeksinfrastructuren *, maar eveneens de ondersteuning van de oprichting of modernisering ervan. Bovendien zijn ondersteuningsmaatregelen denkbaar om te voorzien in eventuele later rijzende behoeften. Meer algemeen gaat het om het versterken van de Europese technologische knowhow ten dienste van een meer concurrerende en dynamische kenniseconomie.

De acties betreffende de (bestaande of onlangs gecreëerde) onderzoeks­infrastructuren almede het opkomen van nieuwe behoeften bestaan in het:

  • bevorderen van de transnationale toegang tot de bestaande structuren;
  • verbeteren van de coördinatie via een geïntegreerde modernisering;
  • ontwikkelen van e-infrastructuren op basis van de ICT;
  • ondersteunen van het ontwerp en de bouw van nieuwe infrastructuren;
  • versterken van de samenwerking binnen de Europese ruimte en op internationaal niveau.

De begroting die voor dit onderzoeksgebeid is uitgetrokken bedraagt 1 715 miljoen euro.

Onderzoek voor KMO's

Om de KMO's en verenigingen van KMO's in staat te stellen de vooruitgang van het onderzoek beter te exploiteren ten behoeve van hun groei, hun knowhow en hun innovatiecapaciteit, is in twee specifieke regelingen voorzien:

  • de ene regeling beoogt groepjes van ondernemingen te helpen op korte termijn gemeenschappelijke of complementaire technologische problemen op te lossen;
  • de andere regeling moet het mogelijk maken op langere termijn technische oplossingen te vinden voor problemen die een groot aantal KMO's gemeenschappelijk heeft (bv. conformiteit met Europese normen of regelingen op gebieden zoals gezondheid, veiligheid en milieubescherming).

Deze regelingen zullen worden gefinancierd met een totaalbedrag van 1 336 miljoen euro.

Kennisregio's

Versterken van het onderzoekspotentieel van de Europese regio's, dat is het eerste doel dat door het specifiek programma wordt nagestreefd. Daartoe zal voorrang worden gegeven aan het ondersteunen van de ontwikkeling in heel Europa van "regionale clusters" waarin de regionale overheden, universiteiten, onderzoekscentra, ondernemingen en de andere belanghebbenden zijn verenigd. Een betere coördinatie tussen het regionale beleid en de onderzoeksbeleidslijnen maakt eveneens deel uit van de prioriteiten van het programma.

De verschillende projecten van dat onderdeel hebben betrekking op de volgende activiteiten:

  • de analyse, opstelling en uitvoering van de onderzoeksagenda's van de regionale clusters (planning voor de capaciteiten en prioriteiten inzake onderzoek en ontwikkeling);
  • de mentoring van regio's met een minder ontwikkeld onderzoeksprofiel door meer ontwikkelde regio's via met name het opzetten van transnationale regionale consortia;
  • initiatieven voor het verbeteren van de integratie van onderzoeksactoren en ‑instellingen in regionale economieën (bv. in het kader van de regionale clusters georganiseerde transnationale activiteiten);
  • acties voor het bevorderen van systematische onderlinge uitwisseling van informatie alsmede interactie tussen vergelijkbare projecten (bijvoorbeeld workshops over analyse en synthese, rondetafelconferenties, publicaties, enz.).

De begroting voor de financiering van de kennisregio's bedraagt 126 miljoen euro.

Onderzoekspotentieel

De acties van het programma moeten zich concentreren op de minst ontwikkelde regio's van de Europese Unie (EU) alsmede op de ultraperifere regio's opdat deze ten volle hun onderzoekscapaciteiten kunnen exploiteren. Dit zou het op termijn mogelijk moeten maken het onderzoekspotentieel van de uitgebreide Unie te vertienvoudigen (uitbreiding van de kennis, ontwikkeling van nieuwe competenties, vergroting van de zichtbaarheid).

De actie begunstigt in termen van concrete activiteiten in het bijzonder de strategische partnerschappen, inclusief jumelages, tussen onderzoeksgroepen (van de openbare en particuliere sector) in deze regio's en reeds gevestigde onderzoeksgroepen in andere gebieden van Europa. Deze partnerschappen en jumelages zullen de (op basis van hun kwaliteit en potentieel) geselecteerde onderzoeksgroepen in de minst ontwikkelde regio's in staat stellen te profiteren van de:

  • uitwisseling van knowhow en ervaring;
  • rekrutering van ervaren onderzoekers ten behoeve van kennisoverdracht en opleiding;
  • de aanschaf en ontwikkeling van bepaalde onderzoeksuitrusting;
  • de organisatie van workshops en conferenties;
  • publiciteitsactiviteiten om de bekendheid en de zichtbaarheid van de geselecteerde centra en hun activiteiten te vergroten.

Er wordt een bedrag uitgetrokken van 340 miljoen euro voor de ontwikkeling van het onderzoekspotentieel.

Wetenschap in de maatschappij

Het opbouwen van een effectieve en democratische Europese kennismaatschappij vereist de integratie van de wetenschappelijke dimensie in de Europese sociale structuur.

Wetenschappelijk onderzoek, motor van innovatie en dus van groei, welvaart en duurzame ontwikkeling, blijft over het algemeen slecht geïntegreerd in de maatschappij. Daarvoor zijn meerdere oorzaken aan te wijzen:

  • het publiek neemt onvoldoende deel aan het vaststellen van de prioriteiten en het tot stand brengen van de richtsnoeren voor het wetenschapsbeleid;
  • er bestaan steeds meer reserves ten opzichte van bepaalde wetenschappelijke ontwikkelingen (er is een gevoel van gebrek aan controle, er zijn onbeantwoorde vragen betreffende de inachtneming van fundamentele waarden, enz.);
  • de indruk bestaat van een isolement van de wetenschap ten opzichte van de alledaagse realiteit op economisch en sociaal gebied;
  • de objectiviteit van wetenschappelijke bewijzen die de publieke beleidsvorming ter beschikking worden gesteld, wordt in twijfel getrokken.

Er bestaan onder de burgers gemengde gevoelens ten aanzien van de mogelijke voordelen en een echte publieke controle van wetenschap en technologie. Enerzijds willen ze graag dat de onderzoekssector zich meer inzet voor de oplossing van de huidige problemen (ziekten, vervuiling, epidemieën, werkloosheid, klimaatverandering, vergrijzing van de bevolking, enz.) en beter anticipeert op de mogelijke gevolgen voor de toekomst. Anderzijds geven zij blijk van een duidelijk wantrouwen tegenover bepaalde gebruiksdoeleinden van de wetenschap.

Om te vermijden dat het tot een wetenschappelijke breuk komt in onze maatschappijen lijkt het van essentieel belang:

  • het wetenschappelijk onderzoek opener, transparanter en ethischer te maken;
  • Europa in staat te stellen een actievere rol te spelen op het wereldtoneel, bij het debat over en bij de verbreiding van gemeenschappelijke waarden, gelijke kansen en maatschappelijke dialoog;
  • de kloof tussen degenen met en zonder wetenschappelijke opleiding te overbruggen;
  • de wetenschapscultuur te bevorderen;
  • een maatschappelijke dialoog over onderzoeksbeleid te bevorderen;
  • de wetenschap toegankelijker te maken en een beeld van de wetenschap te geven dat iedereen aanspreekt;
  • vrouwen te helpen te blijven vooruitgaan in wetenschappelijke loopbanen en hun wetenschappelijke talenten beter te gebruiken;
  • de wetenschapscommunicatie te moderniseren door gebruik te maken van de nieuwe communicatiemiddelen om meer mensen te bereiken.

Voor de uitvoering van dit onderdeel is in drie grote actielijnen voorzien:

  • verbeteren van de interactie tussen wetenschap en maatschappij: versterking en verbetering van het Europese wetenschapssysteem, vergroten van de betrokkenheid om te anticiperen op en uitleg te geven over politieke, maatschappelijke en ethische kwesties, beter begrip van de plaats van wetenschap en technologie in de maatschappij, veranderingen in de rol van universiteiten;
  • versterken van het potentieel, verbreden van de horizon: consolidering van de rol van vrouwen en jongeren;
  • wetenschapscommunicatie: herstellen van de koppeling tussen wetenschap en maatschappij.

Wat het Europese wetenschapssysteem betreft staan drie elementen op de agenda:

  • verbeteren van het gebruik van wetenschappelijke adviesverlening en expertise voor beleidsvorming in Europa en evaluatie van de gevolgen daarvan;
  • bevorderen van vertrouwen en zelfregulering in de wetenschappelijke gemeenschap;
  • stimuleren van het debat over informatieverspreiding.

Wat betreft het vergroten van de betrokkenheid om te anticiperen op en uitleg te geven over politieke, maatschappelijke en ethische kwesties spelen twee elementen een rol:

  • grotere betrokkenheid bij wetenschapsgerelateerde kwesties;
  • voorwaarden voor een geïnformeerde discussie over ethiek en wetenschap.

Voor een beter begrip van de plaats van wetenschap en technologie in de maatschappij moeten wetenschappers van deze vakgebieden netwerken vormen om het onderzoek en de discussie zodanig te structureren dat duidelijk wordt welk aandeel de wetenschap echt heeft aan de opbouw van een Europese maatschappij en identiteit. Daarbij moet vooral aandacht worden geschonken aan:

  • de betrekkingen tussen wetenschap, democratie en recht;
  • onderzoek naar ethiek in wetenschap en technologie;
  • de wederzijdse invloed van wetenschap en cultuur;
  • de rol en het beeld van wetenschappers.

Wat de veranderingen in de rol van universiteiten betreft zal het accent worden gelegd op het:

  • vaststellen van betere raamvoorwaarden voor doeltreffender universitair onderzoek;
  • bevorderen van de oprichting van gestructureerde partnerschappen met het bedrijfsleven;
  • versterken van het delen van kennis tussen universiteiten en de maatschappij als geheel.

Bovendien zal een actiekader worden gecreëerd voor het versterken van de rol van vrouwen alsook de genderdimensie binnen het wetenschappelijk onderzoek.

De jongerenactiviteiten zullen zich richten op het:

  • ondersteunen van wetenschapsonderwijs op school;
  • versterken van de koppeling tussen wetenschapsonderwijs en wetenschappelijke loopbanen;
  • onderzoek en coördinatie van nieuwe methoden voor het wetenschapsonderwijs.

Wat tenslotte wetenschapscommunicatie betreft zullen de inspanningen betrekking hebben op de volgende aspecten:

  • verstrekken van betrouwbare informatie aan de wetenschappelijke pers;
  • de ontwikkeling van een Europees centrum voor de wetenschappelijke pers;
  • opleidingsactiviteiten en uitwisseling van goede praktijken om de kloof tussen de media en de wetenschappelijke gemeenschap te overbruggen;
  • versterken van de Europese dimensie in wetenschapsevenementen voor het grote publiek;
  • bevorderen van de zichtbaarheid van wetenschap met behulp van audiovisuele middelen;
  • bevorderen van transnationale communicatie (bv. door middel van populaire prijzen);
  • onderzoek ten behoeve van de verbetering van de methoden en producten van wetenschappelijke communicatie.

Voor dit thematisch gebied is een begroting van 330 miljoen euro uitgetrokken.

Internationale samenwerking

Om belangrijk internationaal beleid inzake wetenschap en technologie te ontwikkelen beoogt de EU:

  • ondersteuning van het Europese concurrentievermogen via strategische partnerschappen met derde landen en door het aantrekken van de beste wetenschappers uit derde landen;
  • het oplossen van mondiale problemen waarmee derde landen worden of zouden worden geconfronteerd.

De samenwerking met derde landen zal vooral betrekking hebben op de kandidaat-lidstaten, mediterrane partnerlanden (MPL), de landen van de westelijke Balkan (WBL), de landen van Oost-Europa, de Kaukasus en Centraal-Azië (EECCA), de ontwikkelingslanden en de opkomende economieën.

Deze samenwerking vereist:

  • vaststelling van prioriteiten en strategieën voor het samenwerkingsbeleid;
  • verbetering en ontwikkeling van partnerschappen;
  • ondersteuning van de coördinatie van nationale beleidsmaatregelen en activiteiten.

Er zal een budget van 180 miljoen euro worden uitgetrokken voor internationale samenwerkings­activiteiten.

Samenhang van het onderzoeksbeleid

Afgezien van de versterking van de doeltreffendheid en de samenhang van het onderzoeksbeleid van de lidstaten en de EU, heeft de EU als doelstelling:

  • de coördinatie van dit onderzoeksbeleid met andere beleidsgebieden te versterken;
  • de impact van het publieke onderzoek te versterken en de banden daarvan met de bedrijfswereld aan te halen;
  • de overheidssteun te vergroten en het hefboomeffect daarvan op de investeringen van de particuliere sector te versterken.

Om dit te bewerkstelligen zullen twee actielijnen moeten worden vastgelegd:

  • de follow-up en de analyse van het beleid van de overheidsinstanties en de strategieën van de particuliere sector ten aanzien van onderzoek, met inbegrip van de effecten ervan;
  • de steun aan initiatieven ten gunste van open coördinatie en transnationale samenwerking.

Deze aspecten zullen door het programma worden gefinancierd ter hoogte van 70 miljoen euro.

Context

Sinds 1984 voert de EU een beleid van onderzoek en technologische ontwikkeling dat is gebaseerd op meerjarige kaderprogramma’s. Het zevende kaderprogramma is het tweede sinds de lancering van de Lissabonstrategie in 2000. Het zal in de komende jaren een cruciale rol spelen voor de groei en de werkgelegenheid in Europa. De Commissie wil de door het onderzoeks-, onderwijs- en innovatiebeleid gevormde "kennisdriehoek" ontwikkelen teneinde kennis in dienst te stellen van economische dynamiek en van vooruitgang op sociaal gebied en op het gebied van milieu.

Belangrijkste begrippen
  • Onderzoeksinfrastructuren: faciliteiten, hulpbronnen of diensten die de onderzoeksgemeenschap nodig heeft om onderzoek te verrichten op alle wetenschappelijke en technologische gebieden. Hieronder vallen personeel, uitrusting, cognitieve hulpbronnen, ICT-infrastructuren en alle andere voor wetenschappelijk onderzoek gebruikte zaken.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtreding - vervaldatumUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Beslissing 2006/974/EG

1.1.2007 - 31.12.2013

-

L 400 van 30.12.2006

GERELATEERDE BESLUITEN

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's betreffende de voortgang bij de uitvoering het Zevende Kaderprogramma voor Onderzoek van de EU [COM(2009) 209 – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
Er is veel vraag naar de acties van het programma “Capaciteiten”, vooral naar die welke onderzoek voor KMO’s en KMO-associaties ondersteunen.
De uitvoering van de 44 prioritaire infrastructuurprojecten van strategisch Europees belang die door het Europees Strategieforum voor Onderzoeksinfrastructuren (ESFRI) zijn aangewezen, wordt afgeremd door een gebrek aan communautaire en nationale middelen. De vaststelling in 2009 van het nieuw rechtskader voor de Europese onderzoeksinfrastructuur zou evenwel een verdere impuls moeten verschaffen en financiële-planningszekerheid mogelijk maken, met inbegrip van de integratie van de overige financiële instrumenten (EIB en Structuurfondsen).
De activiteiten “Onderzoekspotentieel” en “Kennisregio’s”, die bijdragen tot de ontwikkeling van de wetenschappelijke capaciteit over de regio’s heen, hebben eveneens door gebrek aan financiële middelen niet de gewenste resultaten opgeleverd (met name in de convergentieregio’s). Een beter en meer gericht gebruik van de Structuurfondsen zou het niveau van wetenschappelijke en technologische excellentie in de hele EU kunnen helpen optrekken.
Met de nieuwe financieringsregeling worden nog meer inspanningen geleverd om een Europees partnerschap tussen onderzoek en maatschappij tot stand te brengen.

Beschikking 743/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende de deelneming door de Gemeenschap aan een door verscheidene lidstaten opgezet programma voor onderzoek en ontwikkeling dat gericht is op de ondersteuning van onderzoek en ontwikkeling verrichtende kleine en middelgrote ondernemingen [Publicatieblad L 201 van 30.7.2008].
Het Eurostars-programma ondersteunt KMO’s die actief zijn op het gebied van onderzoek en ontwikkeling (O&O). Dit programma stoelt op artikel 169 van het EG-Verdrag betreffende de deelneming door de Gemeenschap aan het door verscheidene lidstaten opgezette programma voor O&O. Eurostars heeft tot doel de nationale beleidsmaatregelen op het gebied van onderzoek en innovatie op elkaar af te stemmen en te synchroniseren om aldus tot een geïntegreerd gemeenschappelijk programma te komen op wetenschappelijk, administratief en financieel gebied en bij te dragen tot de realisering van de Europese onderzoeksruimte.
Eurostars is een gemeenschappelijk programma van Eureka en het zevende kaderprogramma voor onderzoek en technologische ontwikkeling (Capaciteiten).
Het wordt medegefinancierd door de lidstaten en de derde landen die eraan deelnemen alsook door de Gemeenschap. De financiële bijdrage van de Gemeenschap zal 100 miljoen euro bedragen; de 22 lidstaten en de 5 met het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling geassocieerde landen zullen samen nog 300 miljoen euro extra op tafel leggen. De particuliere sector zal 400 miljoen euro bijdragen. In totaal zal dus gespreid over zes jaar een totaalbedrag van 800 miljoen euro worden besteed aan Europese KMO’s die onderzoeksactiviteiten verrichten.

Laatste wijziging: 30.05.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven