RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Derde verslag over de economische en sociale cohesie: voorstellen voor het regionaal beleid na 2006

Voor het eerst sinds de lancering van het Europese debat in 2001 worden in het derde verslag over de economische en sociale cohesie concrete voorstellen geformuleerd over de toekomst van het regionaal beleid na 2006. De analyse van het verslag is gebaseerd op de beoordeling van het effect van het communautaire en nationale beleid op de cohesie. Het bevat geactualiseerde gegevens over de sociaal-economische situatie van de Europese Unie.

BESLUIT

Mededeling van de Commissie - Derde verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2004) 107 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].

SAMENVATTING

Het beleid voor economische en sociale cohesie heeft positieve gevolgen voor de regio's in moeilijkheden van de Europese Unie. Niettemin blijven er tussen de lidstaten en de regio's grote sociaal-economische verschillen bestaan. Deze verschillen in welvaart en dynamiek zijn het gevolg van structurele tekortkomingen bij sommige factoren die van groot belang zijn voor de mededinging, zoals investeringen in materiële infrastructuur, innovatie en menselijke hulpbronnen. Bijgevolg moeten zowel de lidstaten als de regio's via het communautaire beleid worden geholpen om hun achterstand te overbruggen, hun comparatieve voordelen te ontwikkelen en zich beter te weren in een omgeving waar de concurrentie steeds groter wordt.

VOORSTELLEN VOOR EEN HERVORMD COHESIEBELEID

Op 10 februari 2004 keurde de Commissie een ontwerpbegroting goed voor een tot 27 lidstaten uitgebreide Europese Unie (de vijftien oude, de tien nieuwe lidstaten, Bulgarije en Roemenië) voor de periode 2007-2013. In deze mededeling over de financiële vooruitzichten stelt de Commissie meer bepaald dat het cohesiebeleid onder één enkele, versterkte begrotingslijn zou moeten vallen. Het derde verslag over de cohesie past in deze benadering. Daarin wordt verslag gedaan over de uitdaging die de uitbreiding voor het cohesiebeleid vertegenwoordigt. Voor het eerst formuleert de Commissie concrete voorstellen die voortvloeien uit het debat over de toekomst van het regionaal beleid na 2006. In financiële termen stelt zij een begroting 2007-2013 voor die gelijk is aan 0,41 % van het bruto binnenlands product (BBP) van de Unie met 27 lidstaten. Dit komt voor de betrokken periode neer op een bedrag van 336,3 miljard euro. De Commissie baseert haar voorstellen op de sociaal-economische situatie van de Unie en op het onderzoek naar het effect van het regionaal beleid, het Europese beleid op andere terreinen en het nationale beleid van de lidstaten.

De uitbreiding zorgt voor een omwenteling in de sociaal-economische situatie van de Unie

Met de uitbreiding op 1 mei 2004 groeit de bevolking van de Europese Unie met 20 % en neemt haar oppervlakte toe met ongeveer één vierde. Het BBP stijgt echter slechts met 5 %. Regionale verschillen worden tweemaal zo groot. De gemiddelde welvaart per inwoner in een Unie met 25 daalt met ongeveer 12,5 %. Het aandeel van de bevolking in regio's met een ontwikkelingsachterstand neemt toe, van 20 % tot 25 %. Tegelijk zullen de moeilijkheden waarmee de achterstandsgebieden van de huidige Unie kampen, niet verdwenen zijn. Vandaar de noodzaak om die regio's te blijven steunen.

Voor de Europese Unie is een fase van economische herstructurering aangebroken. Deze evolutie is het gevolg van de globalisering van het handelsverkeer, de invoering van de kenniseconomie en de vergrijzing van de bevolking. Bovendien is de economische conjunctuur de voorbije drie jaar verslechterd en is de werkloosheid gestegen.

In maart 2000 stelde de Europese Unie zich op de Europese Raad van Lissabon (DE)(EN)(FR) ten doel de meest competitieve en dynamische ruimte ter wereld te worden. Een sterke, op kennis gebaseerde economie zal het scheppen van werkgelegenheid stimuleren en sociale en ecologische beleidsplannen bevorderen die borg staan voor duurzame ontwikkeling en sociale cohesie. De Europese Raden van Nice (EN)(FR) en Göteborg hebben deze transversale doelstelling omgezet in sectorale strategieën, respectievelijk op de gebieden van sociale integratie en duurzame ontwikkeling. Bovendien draagt het cohesiebeleid bij tot de verwezenlijking van de doelstelling van Lissabon. De hervorming van dit beleid moet in toenemende mate die richting uitgaan.

Communautaire ondersteuning voor de nieuwe lidstaten tussen 2004 en 2006

De tien nieuwe lidstaten hebben recht op communautaire ondersteuning vanaf hun toetreding. Tijdens de periode 2000-2006 krijgen ze 3 miljard euro aan structurele steun in het kader van de financiële pretoetredingsinstrumenten ISPA (vervoer en milieu) en SAPARD (landbouw en plattelandsontwikkeling) en van het Phare-programma (versterken van de administratieve bekwaamheden). Na hun toetreding zullen de nieuwe lidstaten, Bulgarije en Roemenië via Phare tot in 2006 jaarlijks beschikken over 1,6 miljard euro aan steun.

Voor de nieuwe lidstaten wordt 2004-2006 een overgangsperiode, waarin ze vertrouwd kunnen raken met het beheer van de Structuurfondsen volgens de geldende regels. Ze zullen steun krijgen van de Structuurfondsen voor een totaalbedrag van 21,8 miljard euro. De acties zullen zich concentreren op een beperkt aantal prioriteiten (castellanodeutschenglishfrançais): infrastructuur, menselijke hulpbronnen en productieve investeringen.

Een vernieuwd cohesiebeleid voor de periode 2006-2013

In de toekomst zal het regionaal beleid zich concentreren op een beperkt aantal kernthema's: innovatie en kenniseconomie, milieu en risicovoorkoming, toegankelijkheid en diensten van algemeen belang (DAB). Om deze prioriteiten te realiseren zal worden uitgegaan van drie hoofdthema's die in de plaats komen van de huidige Doelstellingen 1, 2 en 3:

De Doelstelling "convergentie" steunt de groei en de werkgelegenheidschepping in regio's met een ontwikkelingsachterstand.
Deze doelstelling is bestemd voor de regio's van het niveau NUTS II (castellanodeutschenglishfrançais), waar het BBP per inwoner kleiner is dan 75 % van het gemiddelde van de Unie van 25. Met ongeveer 78 % van de begroting van het toekomstige regionale beleid, zal deze doelstelling tot in 2013 ook overgangssteun bieden aan de regio's die vandaag in aanmerking komen, maar niet langer subsidiabel zullen zijn als gevolg van een eenvoudig statistisch effect. Aangezien het BBP van de Unie van 25 lager is dan het BBP van de Unie van 15, zullen sommige regio's die vandaag in aanmerking komen voor Doelstelling 1, niet langer voldoen aan het subsidiabiliteitscriterium.
Het Europees Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) zal de modernisering van de basisinfrastructuur (netwerken voor vervoer, telecommunicatie en energie), de economische diversificatie van de regio's en de bescherming van het milieu (waterzuivering en afvalbehandeling, voorkomen van natuurlijke en technologische risico's) cofinancieren. Het Europees Sociaal Fonds (ESF) zal zijn rol van belangrijkste communautair financieel instrument versterken ten gunste van de Europese strategie voor de werkgelegenheid ( (DE) (EN) (ES) (FR))(ESW), die de lidstaten steunt bij het hervormen van de arbeidsmarkt.
Alleen de lidstaten met een BBP lager dan 90 % van het communautaire BBP kunnen ook nog de steun genieten van het Cohesiefonds, voor investeringen in vervoer en milieu. Het relatief gewicht van dit fonds zal toenemen, aangezien het één derde van de steun die is bestemd voor de tien nieuwe lidstaten, zal verdelen.

De Doelstelling "Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" zal het economisch weefsel dynamiseren in overeenstemming met de doelstellingen van Lissabon en Nice.
De Commissie stelt een dubbele benadering voor, regionaal en nationaal. Regionale programma's zullen toelaten beter te anticiperen op economische veranderingen. Ze worden uitsluitend gesteund door het EFRO en richten zich tot de regio's die vandaag in aanmerking komen voor Doelstelling 1 maar daaruit op natuurlijke wijze zullen verdwijnen, alsook tot de regio's die niet vallen onder de convergentieprogramma's.
Nationale programma's dienen om de uitvoering van de ESW te versterken. Ze worden alleen gesteund door het ESF en focussen op drie prioriteiten: aanpassen van de werkende bevolking aan de arbeidsevoluties (een leven lang leren), bevorderen van werkgelegenheid en bestrijden van het fenomeen waarbij mensen de arbeidsmarkt vroegtijdig verlaten (actief verouderen, grotere deelname van vrouwen), tewerkstellen van categorieën in moeilijkheden (gehandicapten, etnische minderheden).
Deze Doelstelling zou ongeveer 18 % van de begroting krijgen, gelijk verdeeld tussen het EFRO en het ESF. De verdeling van de kredieten tussen de lidstaten vindt plaats op grond van economische, sociale en territoriale criteria die op Europees niveau zijn vastgelegd.

De territoriale samenwerking zal een evenwichtige ontwikkeling van de regio's bevorderen.
Op basis van de erkende ervaring van het initiatief INTERREG III stelt de Commissie voor een nieuwe doelstelling voor grensoverschrijdende, transnationale en interregionale samenwerking te creëren, die 4 % van de kredieten van het toekomstige regionale beleid zou ontvangen.
Alle regio's van het niveau NUTS III langs de binnen- en buitengrenzen, op land en op zee, zullen met hun buren kunnen samenwerken, met name op de voornaamste gebieden op de agenda van Lissabon en Göteborg.
De Commissie wenst twee nieuwe juridische samenwerkingsinstrumenten te creëren: het "grensoverschrijdend regionaal openbaar lichaam" aan de binnengrenzen en een "nieuw instrument voor nabuurschap" aan de buitengrenzen van de Unie. Deze instrumenten zullen het hoofd bieden aan de juridische en administratieve problemen die deze vorm van samenwerking meebrengt.

Natuurlijke gebreken intensiveren de ontwikkelingsproblemen. In het kader van het toekomstige cohesiebeleid zullen sommige regio's daarom bijzondere aandacht krijgen. De acties ten gunste van stedelijke regio's zullen volledig worden opgenomen in de regionale programma's, zodat meer steden steun zullen kunnen genieten dan tot op heden het geval was via het communautaire initiatief URBAN II. Binnen het kader van de toekomstige doelstelling "Convergentie" zal de Commissie een specifiek programma opstellen voor elke van de zeven ultraperifere regio's (Guadeloupe, Martinique, Guyana, Réunion, de Canarische Eilanden, de Azoren, Madeira). Problemen van toegankelijkheid zijn erg nijpend op tal van eilanden, in bergstreken en in dunbevolkte regio's. Bij het toekennen van middelen ten gunste van de Doelstelling "Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" zal met deze realiteit rekening worden gehouden, door regionale criteria vast te stellen en het maximumbedrag van communautaire financiering te vergroten. Bovendien zullen de instrumenten voor steun aan plattelandsontwikkeling en aan de visserij worden vereenvoudigd en verduidelijkt. Het initiatief LEADER+, dat vernieuwende strategieën voor ontwikkeling in landelijke gebieden ondersteunt, wordt volledig opgenomen in de totale programmering.

De complementariteit van het regionale beleid met het communautair beleid op andere terreinen is een sleutelpunt van de economische en sociale cohesie. Zaken zoals het innovatiebeleid, onderwijs en vorming, gelijke kansen voor vrouwen en mannen en overheidsopdrachten hebben territoriale impact. Bovendien is de samenhang tussen cohesie en mededinging een wezenlijk element. Regio's met een ontwikkelingsachterstand blijven in aanmerking komen voor steunmaatregelen van de lidstaten. Dit geldt ook voor de ultraperifere regio's, maar alleen in een overgangsperiode. Voor de overige regionale programma's stelt de Commissie voor een einde te maken aan het huidige systeem, dat een gedetailleerde kaart van subsidiabele regio's op subregionaal niveau opmaakt. De samenhang zal worden verzekerd op het niveau van de te financieren prioriteiten.

Het beheer van de Structuurfondsen hervormen

De procedures voor het beheer van het regionaal beleid beïnvloeden de efficiëntie van dat beleid. Ze leggen uniforme en strikte regels op. Programmering, partnerschap, cofinanciering en evaluatie blijven de algemene principes van het toekomstige regionale beleid. Om de aanwending van de kredieten te vergroten, zijn verbeteringen mogelijk:

  • Een strategie die meer is gericht op de prioritaire doelstellingen van de Unie.
    Deze strategie zal volledig gebaseerd zijn op de doelstellingen die in Lissabon, Nice en Göteborg werden bepaald. Ze zal ook de samenhang versterken met de globale richtsnoeren voor het economisch beleid (GOPE 2003). Elk jaar zullen de Europese instellingen onderzoeken welke vooruitgang werd geboekt op basis van een rapport van de Commissie;
  • Een vereenvoudigd beheer dat steunt op meer subsidiariteit.
    Op het niveau van de programmering moet elke lidstaat een politiek document opstellen over zijn ontwikkelingsstrategie. Dit document zal als basis dienen voor de goedkeuring van regionale en nationale programma's. De aanvullende programmering en het beheer via maatregelen zullen verdwijnen. Het aantal Fondsen wordt tot drie beperkt (EFRO, ESF en Cohesiefonds) en elk programma zal door één enkel fonds worden gefinancierd. Voor de investeringen in vervoer en milieu zal een uniek programmeringssysteem werken met het EFRO en het Cohesiefonds.
    Met betrekking tot de uitgaven zullen subsidiabiliteitsregels toepasbaar zijn. De betalingen zullen plaatsvinden op het niveau van elke prioriteit, niet op het niveau van de maatregelen. Het systeem van voorschotten en terugbetalingen blijft bestaan. Hetzelfde geldt voor de automatische terugname volgens de "N+2-regel", die een aanwending van de kredieten binnen de twee jaar volgend op hun programmering voorschrijft.
    Met betrekking tot de controle zal de graad van bijstandsverlening door de Commissie afhangen van de communautaire cofinanciering. Onder bepaalde drempels volstaat het nationale systeem. Om haar verantwoordelijkheden in de uitvoering van de begroting na te komen, zal de Commissie procedures voor het afsluiten van de rekeningen en financiële correctiemechanismen hanteren. Voorts wordt voorzien in strengere sancties en in een snelle invordering van de fondsen bij onregelmatigheid of fraude.
    Het additionaliteitsbeginsel, dat stelt dat de communautaire middelen bij de nationale middelen moeten worden gevoegd, blijft een van de sleutelprincipes van het cohesiebeleid. De Commissie zal toezien op de toepassing ervan voor de programma's van de Doelstelling "Convergentie".
    Tot slot zal een betere samenwerking tussen de lidstaten, de lokale overheden, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld het partnerschap versterken. De versterkte rol van de Europese Investeringsbank (EIB) zal een beter gebruik van moderne financieringsvormen zoals risicokapitaal mogelijk maken.
  • De concentratie van de middelen zal ten goede komen aan de armste lidstaten en regio's, waarbij voorrang zal worden verleend aan de nieuwe lidstaten.
    De Commissie stelt voor het huidige systeem van microzonering te schrappen. Voor de Doelstelling "Regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid" zal de concentratie plaatsvinden op de niveaus van de financiële intensiteit, door het invoeren van minimumdrempels, en van de drie aangekondigde prioriteiten: innovatie en kenniseconomie, toegankelijkheid en diensten van algemeen belang, milieubescherming en risicovoorkoming.
  • Meer voorrang voor resultaten en kwaliteit.
    De beoordeling vóór, tijdens en op het einde van de programma's vormt een essentieel onderdeel van hun kwaliteit. Bovendien stelt de Commissie voor een communautaire prestatiereserve aan te leggen om de lidstaten en regio's te belonen die de beste resultaten behalen. Ze vraagt aan de lidstaten hetzelfde te doen om snel het hoofd te bieden aan sectorale of lokale crisissen.
    De mededeling over de financiële vooruitzichten stelt voor een bijzonder instrument te creëren, het Fonds voor groeiaanpassing, om snel te kunnen reageren op economische en handelscrisissen. De Commissie stelt voor dit instrument te financieren met een bedrag van 1 miljard euro, door gebruik te maken van de ongebruikte fondsen van het EFRO en het ESF.

De Commissie steunt haar voorstellen op de sociaal-economische situatie van de Unie en op het onderzoek naar het effect van het regionaal beleid, het Europees beleid op andere terreinen en het nationaal beleid van de lidstaten. Zie het specifieke SCADPlus-document.

Voor meer informatie kunt u terecht op de website IINFOREGIO van het Directoraat-generaal Regionaal beleid:

  • het volledige derde verslag over de economische en sociale cohesie;

GERELATEERDE BESLUITEN

Tweede tussentijds verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2003) 34 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Zie het betreffende SCADPlus-document (castellanodeutschenglishfrançais)

Eerste tussentijds verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2003) 46 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Zie het betreffende SCADPlus-document (castellanodeutschenglishfrançais)

"Eenheid van Europa, solidariteit tussen de volkeren, verscheidenheid van de regio's" - Tweede verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2001) 24 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Zie de SCADPlus-documenten in kwestie: stand van zaken en resultaten (castellanodeutschenglishfrançais), conclusies en aanbevelingen (castellanodeutschenglishfrançais), 10 vragen voor het debat

Laatste wijziging: 07.05.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven