RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Derde verslag over de economische en sociale cohesie: sociaal-economische situatie van de Unie en effect van het Europese en nationale beleid

Naar aanleiding van het Europese debat dat in 2001 werd gelanceerd, worden in het derde verslag over de economische en sociale cohesie concrete voorstellen geformuleerd voor de toekomst van het regionaal beleid na 2006. De analyse van het verslag is gebaseerd op de beoordeling van het effect van het Europese en nationale beleid op de cohesie. Het bevat geactualiseerde gegevens over de sociaal-economische situatie van de Europese Unie.

BESLUIT

Mededeling van de Commissie - Derde verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2004) 107 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].

SAMENVATTING

Het beleid voor economische en sociale cohesie heeft positieve gevolgen voor de regio's in moeilijkheden van de Europese Unie. Niettemin blijven er tussen de lidstaten en de regio's grote sociaal-economische verschillen bestaan. Deze verschillen in welvaart en dynamiek zijn het gevolg van structurele tekortkomingen bij sommige factoren die van groot belang zijn voor de mededinging, zoals investeringen in materiële infrastructuur, innovatie en menselijke hulpbronnen. Bijgevolg moeten zowel de lidstaten als de regio's via het communautaire beleid worden geholpen om hun achterstand te overbruggen, hun comparatieve voordelen te ontwikkelen en zich beter te weren in een omgeving waar de concurrentie steeds groter wordt.

De uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei naar 25 lidstaten is voor de Europese Unie een nooit geziene uitdaging. Meer bepaald brengt de uitbreiding het huidige evenwicht van het regionale beleid in gevaar. In het derde verslag over de economische en sociale cohesie worden concrete voorstellen voor het regionaal beleid na 2006 geformuleerd. De Commissie gaat bij haar voorstellen uit van de sociaal-economische situatie in de Unie en het onderzoek naar het effect van het regionaal beleid, het Europese beleid op andere terreinen en het nationale beleid van de lidstaten.

DE SOCIAAL-ECONOMISCHE SITUATIE VAN DE EUROPESE UNIE

De economische groei

Sinds 1994 dalen de verschillen in inkomsten op het niveau van de lidstaten en de regio's. Het bruto binnenlands product (BBP) en de productiviteit stijgen sneller in de vier landen (Spanje, Griekenland, Ierland, Portugal) die in aanmerking komen voor het Cohesiefonds dan in de rest van de Europese Unie. De stijging is bijzonder hoog in Spanje en Ierland en iets kleiner in Portugal en Griekenland. Niettemin blijven er op het niveau van de lidstaten grote verschillen bestaan. In Griekenland en Portugal ligt het BBP per inwoner nog rond 70 % van het communautaire gemiddelde. Niettemin staat vast dat de inbreng van de Structuurfondsen de groei van de vier cohesielanden bevordert: 1,5 % in Spanje, 2 % in Griekenland, bijna 3 % in Ierland en meer dan 4,5 % in Portugal. De voorbije tien jaar is het handelsverkeer tussen deze vier landen en de rest van de Unie meer dan verdubbeld. Gemiddeld keert bijna één kwart van de structuuruitgaven terug naar de rest van de Unie in de vorm van invoer. Duitsland profiteert daarvan het meest.

Als we de lidstaten onderling bekijken, merken we dat de regio's met een ontwikkelingsachterstand die in aanmerking komen voor Doelstelling 1 een jaarlijkse groei boekten van 3 %, tegen iets meer dan 2 % voor de Unie. Nochtans verschilt de inhaalbeweging sterk van de ene tot de andere regio. Buiten de vier cohesielanden vertraagt de zwakke nationale groei die van de regio's van Doelstelling 1. Terwijl de groei van het BBP in de nieuwe Duitse Länder gelijk is aan het communautaire gemiddelde, is de groei in de regio's van de Italiaanse Mezzogiorno kleiner. Dezelfde vaststelling geldt voor oude industriegebieden. Hoewel ze geen deel uitmaken van Doelstelling 1, zagen de regio's in het noordoosten van Engeland, de noordelijke regio's in Duitsland en de heel dunbevolkte regio's in het noorden van Zweden hun jaarlijks BBP per inwoner minder snel stijgen dan het communautaire gemiddelde sinds 1994.

Werkgelegenheid en sociale cohesie

Inzake werkgelegenheid blijven er grote verschillen bestaan tussen de regio's. In de landen die deel uitmaken van het Cohesieforum is de werkgelegenheid in tien jaar gestegen: aanzienlijk in Spanje en Ierland, iets minder in Portugal en Griekenland. Slechts 43 % van de personen op arbeidsleeftijd had in 2002 werk in de regio's van Zuid-Italië. In de tien nieuwe lidstaten leidt de economische herstructurering van de landbouw en van de traditionele industrieën tot een stijging van de werkloosheid: 56 % van de personen op arbeidsleeftijd heeft werk, tegen 64 % in de huidige Europese Unie.

In 2000 waren ongeveer 55 miljoen personen blootgesteld aan het risico van armoede, d.i. 15 % van de Europese bevolking. Armoede bedreigt vooral bejaarden (65-plussers), alleenstaande ouders, langdurig werklozen, etnische minderheden en gehandicapten. Dit percentage is hoog in de Zuid-Europese landen, het Verenigd Koninkrijk en Ierland. Het komt uit boven het communautaire gemiddelde in heel wat nieuwe lidstaten.

In de komende decennia zal de voortschrijdende vergrijzing van de bevolking leiden tot een geleidelijke afname van de actieve bevolking en een grote weerslag hebben voor het groeipotentieel. Tussen vandaag en 2010 zal deze afname vooral voorkomen in Duitsland, de vier zuiderse lidstaten en de meeste nieuwe lidstaten. In 2025 zullen er voor elke bejaarde gemiddeld minder dan drie personen op arbeidsleeftijd zijn. Om aan deze demografische vooruitzichten het hoofd te bieden, zijn een aanhoudende economische groei, een sterke bezettingsgraad en een daling van het aantal mensen die met pensioen gaan vereist. Ook de immigratie zou een belangrijke bron van extra arbeidskrachten moeten zijn.

De vermindering van de verschillen binnen de regionale concurrentiefactoren

De uitdaging van het cohesiebeleid bestaat erin te investeren in de concurrentiefactoren, om aan de lidstaten en de regio's de kans te bieden hun structurele problemen te overwinnen. De belangrijkste concurrentiefactoren zijn de volgende:

  • materiële infrastructuur: vervoer- en telecommunicatienetwerken.
    Sinds 1994 worden de vervoersverbindingen tussen de cohesielanden onderling en tussen deze landen en de rest van de Unie beter. In 1991 was de dichtheid van het autowegennet in deze landen 20 % lager dan het communautaire gemiddelde. Dankzij de steun van de Structuurfondsen is die dichtheid sinds 2001 10 % groter. Vooral Spanje en Portugal zijn daar wel bij gevaren. In alle regio's van Doelstelling 1 samen bedraagt de dichtheid van het autowegennet slechts 80 % van het communautaire gemiddelde, en ze is nog veel kleiner (minder dan 20 %) in de nieuwe lidstaten. Hoewel het spoorwegnet in de hele Unie werd gemoderniseerd, blijft het verschil tussen dynamische regio's en de regio's met een ontwikkelingsachterstand aanzienlijk. In de toekomstige lidstaten heeft het aanleggen van wegen tot gevolg dat reizigers sneller de auto nemen in plaats van de trein. Er zijn buitengewoon grote investeringen nodig om de spoorwegen in een degelijke staat te herstellen.
    Inzake telecommunicatie is het aantal vaste telefoonlijnen in verhouding tot de bevolking duidelijker lager in de cohesielanden en in de nieuwe lidstaten. Het stijgend gebruik van mobiele telefonie lijkt dit te compenseren. Binnen de Unie zijn er grote verschillen inzake de toegang tot breedbandverbindingen, van groot belang voor snelle internettoegang en de ontwikkeling van de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën (NICT). Deze verschillen hangen samen met verschillende welvaartsniveaus;
  • menselijke hulpbronnen: aanpassingsvermogen en bekwaamheid van de arbeidskrachten.
    Op het gebied van investeringen in menselijke hulpbronnen blijven er grote structurele zwakheden bestaan, zowel binnen de Unie van de vijftien als in de nieuwe lidstaten. Het percentage personen dat meer dan lager onderwijs heeft genoten blijft heel laag in de regio's van Doelstelling 1, vooral in Spanje, Italië en Portugal; alleen de nieuwe Duitse Länder vormen hierop een uitzondering. In de nieuwe lidstaten ligt dit percentage veel hoger dan het Europese gemiddelde. In deze landen is het gemiddeld aantal jongeren dat een volledige universitaire opleiding volgt dan weer lager dan het gemiddelde van de vijftien. Dit geldt ook voor de regio's van Doelstelling 1, ondanks de duidelijke vooruitgang die al werd geboekt. Dezelfde tendensen tekenen zich af op het gebied van permanente vorming;
  • innovatievermogen.
    Innovatie is een van de sleutels voor het concurrentievermogen van de regio's. Het vermogen om te innoveren verschilt sterk van regio tot regio binnen eenzelfde lidstaat, in de Unie van 15 en in de Unie van 25. Acht van de 213 Europese regio's leveren één kwart van het totaal van de uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling (OTO);
  • duurzame ontwikkeling.
    Inzake milieu zijn de investeringsbehoeften groot in de cohesielanden en nog groter in de nieuwe lidstaten. Het gaat vooral om waterzuivering, afvalbeheer en de controle op de emissie van schadelijke stoffen.

EFFECT EN TOEGEVOEGDE WAARDE VAN HET REGIONAAL BELEID

Voor de periode 2000-2006 is op de begroting voor het regionaal beleid 215 miljard euro voorzien. De bedragen voor de regio's van Doelstelling 1 vertegenwoordigen een aanzienlijk deel van de rijkdom van de cohesielanden. Ze zijn goed voor 0,9 % van het nationaal BBP in Spanje, meer dan 2,5 % in Griekenland en Portugal. Deze bedragen veroorzaken een echt hefboomeffect voor de overheidsinvesteringen. De geraamde stijging van de overheidsinvesteringen bedraagt 3 % in Spanje, 4 % in de nieuwe Duitse Länder, 7 % in de Italiaanse Mezzogiorno en 8-9 % in Griekenland en Portugal. In de meeste gevallen speelt hetzelfde hefboomeffect ook voor de private investeringen, zoals blijkt uit de cijfers voor Oostenrijk, Duitsland, Nederland en België. De financiële inspanning van de privé-sector blijft echter zwak in Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk en in de cohesielanden. Verder zijn de kredieten van de Europese Investeringsbank (EIB) een aanvulling op de steun van de Structuurfondsen, meer bepaald voor vervoer en milieu. Sinds 2000 zijn ze goed voor 20 miljard euro per jaar. Meer dan de helft ging naar de regio's van Doelstelling 1, 3 miljard ging naar de nieuwe lidstaten.

In de periode 1994-1999 kregen 82 regio's in twaalf lidstaten steun in het kader van Doelstelling 2. Deze doelstelling steunt de reconversie van regio's met grote natuurlijke of structurele handicaps. De helft van de uitgaven ging naar de reconversie van oude industrieterreinen en naar de diensten aan ondernemingen. In mindere mate kwamen de uitgaven ook ten goede aan de ontwikkeling van menselijke hulpbronnen en aan de steun voor OTO. Dankzij de communautaire hulp konden 700 000 banen worden gecreëerd, 300 000 kleine en middelgrote ondernemingen (KMO's) worden gemoderniseerd en konden 115 miljoen m² verlaten industrieterreinen worden gereconverteerd. In tien jaar tijd is de werkloosheid iets meer gedaald in de regio's van Doelstelling 2 dan in de rest van de Europese Unie.

Diverse werkterreinen maken de toegevoegde waarde van het regionaal beleid zichtbaar

Inzake landbouw en plattelandsontwikkeling hebben de Structuurfondsen de economische activiteiten op het platteland gehouden. Via agrotoerisme en milieubescherming hebben ze de economische diversificatie van landelijke gebieden bevorderd. De visserijsector is aanwezig in een beperkt aantal regio's van de Europese Unie. De structuurmaatregelen hebben met name tot doel hun economische reconversie te stimuleren.

In de periode 1994-1999 heeft het Europees Sociaal Fonds (EFS) bijgedragen tot de ontwikkeling van de menselijke hulpbronnen voor een derde van de investeringen van de Structuurfondsen. De steunmaatregelen in het kader van Doelstelling 3 hadden tot doel de jongeren, de langdurig werklozen en andere met uitsluiting bedreigde sociale categorieën in te schakelen op de arbeidsmarkt. Ze bevorderden ook de gelijkheid van kansen tussen vrouwen en mannen. De vruchtbaarste maatregelen zijn die welke oriëntatie, vorming en bijstand bij het zoeken naar werk combineren. Bovendien stelt het ESF fondsen ter beschikking om de systemen voor tewerkstelling, onderwijs en vorming aan te passen. Zo financiert het ESF sinds 2000 met 60 miljard euro de nationale plannen die afgeleid zijn van de Europese strategie voor tewerkstelling ( (DE) (EN) (ES) (FR)) (EST).

Samenwerking en het oprichten van netwerken zijn echte successen

De vier communautaire initiatieven maken de invoering van innoverende strategieën voor regionale ontwikkeling mogelijk. Op die manier vertegenwoordigen de samenwerking tussen de regio's en de oprichting van netwerken een belangrijke toegevoegde waarde van het structuurbeleid:

  • voor de periode 2000-2006 ondersteunt INTERREG III de grensoverschrijdende en transnationale samenwerking en de uitwisseling van ervaringen tussen Europese regio's met een bedrag van 5 miljard euro. In de uitgebreide Unie zullen grensregio's (castellanodeutschenglishfrançais) een belangrijkere rol spelen;
  • URBAN II steunt de innoverende projecten van 70 steden. De klemtoon ligt op de economische dynamisering van stadswijken in crisis;
  • het doel van EQUAL bestaat erin alle vormen van ongelijkheid en discriminatie op de arbeidsmarkt te bestrijden. Er wordt sterk de nadruk gelegd op samenwerking, het uitwisselen van ervaringen en goede praktijken;
  • LEADER+ komt tussen in landelijke gebieden. Met een jaarlijks budget van 300 miljoen euro helpt dit initiatief de KMO's en steunt het de ontwikkeling van het toerisme.

In 2001 hebben nieuwe innoverende acties (castellanodeutschenglishfrançais) het licht gezien. Met ongeveer 400 miljoen euro verhogen ze het regionale concurrentievermogen dankzij innovatie, de verspreiding van de technologieën en de bevordering van duurzame ontwikkeling. Drie op vier regio's hebben al een aanvraag ingediend voor deze programma's.

Het beheer van de Structuurfondsen gaat vooruit, verbeteringen blijven mogelijk

Het beheer van het regionaal beleid beantwoordt aan vier algemene principes:

  • de programmering staat gelijk met de planning van de uitgaven over een bepaald aantal jaren. Ze zorgde voor meer stabiliteit en samenhang, maar anderzijds zijn de termijnen voor het goedkeuren van de programmeringsdocumenten langer geworden;
  • het partnerschap is sterker geworden bij het bedenken en toepassen van de programma's.
    Het impliceert de medewerking van een aantal actoren: de regionale en lokale overheden, de privé-sector, de sociale partners en het maatschappelijk middenveld. Een doeltreffend partnerschap verbetert de selectie en beoordeling van projecten alsook de verspreiding van informatie;
  • de concentratie van de fondsen betekent dat de financiële steun zich richt naar de regio's die er het meest behoefte aan hebben. Ze is sterker geworden, ook al wijzen de evaluaties uit dat de steunmaatregelen te zeer verspreid zijn;
  • het additionaliteitsbeginsel impliceert dat, voor een gegeven project, de communautaire fondsen andere financieringen van publieke en private instellingen aanvullen.
    In het kader van Doelstelling 1 wordt deze regel in grote mate nageleefd. Dit valt moeilijker te controleren voor de Doelstellingen 2 en 3.

De efficiëntie van de programma's verbeteren blijft een grote uitdaging. Op het terrein hebben lokale actoren kritiek op de achterstand bij het goedkeuren van de regels, waardoor er druk komt te liggen op het aanwenden van de fondsen. Slechts één derde van de projecten van Doelstelling 1 zijn tijdig afgerond, een ander derde heeft één jaar vertraging opgelopen. Twee derde van de projecten hebben hun budget overschreden. Door te bepalen dat de fondsen moeten worden aangewend binnen de twee jaar na hun programmering, zorgt de "N+2"-regel voor meer discipline. Bovendien creëert de periode 2000-2006 een financiële stimulans in de vorm van een prestatiereserve halverwege, waarmee 90 % van de programma's wordt beloond op basis van criteria zoals de financiële absorptiegraad en een gezond beheer.

Opvolging is een wezenlijk onderdeel van het systeem van uitvoering van de Structuurfondsen. Door problemen bij het inwinnen van informatie verliep de opvolging echter minder doeltreffend dan verhoopt. De evaluatie van de programma's verloopt in drie fasen: vóór de uitvoering, halverwege en op het einde van de periode. Een grotere betrokkenheid van alle actoren zal toelaten nog nauwkeuriger analyses te maken.

EFFECT VAN HET COMMUNAUTAIR BELEID OP ANDERE BELEIDSTERREINEN

In tegenstelling tot het structuurbeleid heeft het volgende communautaire beleid niet als hoofddoel regionale verschillen te bestrijden. Niettemin gaat er in de lidstaten een groot effect van uit:

  • het ondernemings-, innovatie- en onderwijsbeleid.
    Het communautaire beleid voor de ondernemingen en de innovatie heeft tot doel het concurrentievermogen in Europa te versterken. Het innovatievermogen van de regio's loopt sterk uiteen, zoals blijkt uit de verschillen in toegang tot de communautaire fondsen voor onderzoek. Om aan dit fenomeen iets te doen, dragen de relaiscentra voor Innovatie (EN) en het netwerk van innoverende regio's in Europa (EN) bij tot de verspreiding van de innovatiecultuur. Bovendien bevorderen sommige delen van het zesde kaderprogramma voor OTO de toenadering tussen de onderzoekscentra van de dynamische regio's in de Unie en die in de periferie. Op onderwijsgebied heeft het programma "Onderwijs en vorming 2010" tot doel een hoog niveau van levenslange vorming en levenslang onderwijs te verzekeren;
  • het sociale en werkgelegenheidsbeleid.
    In maart 2001 stippelde de Europese Raad van Lissabon (DE)(EN)(FR) een globale strategie uit om de economische groei op lange termijn, volledige werkgelegenheid, sociale cohesie en duurzame ontwikkeling te verzekeren. De Europese strategie voor de werkgelegenheid steunt de lidstaten in hun hervormingen van de arbeidsmarkt. Op het gebied van sociale integratie is het noodzakelijk om in alle sectoren van bedrijvigheid tegen uitsluiting te strijden. Ook de inzet van de Europese Unie ten gunste van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen past in een algemene aanpak. De acties hebben meer bepaald tot doel vrouwen ertoe aan te zetten te werken en op de arbeidsmarkt te blijven, waarbij ze de kans krijgen hun professionele loopbaan en hun gezinsleven met elkaar te verzoenen;
  • vervoer, energie, telecommunicatie en hun transeuropese netwerken.
    De openstelling voor mededinging van de sectoren vervoer, telecommunicatie en energie leidde tot een grotere efficiëntie en lagere prijzen. Voor sommige sociale groepen of geografische regio's heeft deze tendens de dreiging van uitsluiting echter groter gemaakt. Daarom heeft de Europese Unie verbintenissen inzake openbare dienstverlening - of diensten van algemeen economisch belang (DAEB) - ingevoerd, die borg staan voor de toegang tot essentiële diensten van redelijke kwaliteit en voor een betaalbare prijs. Voorts bevordert de ontwikkeling van trans-Europese netwerken (TEN) voor vervoer, energie en telecommunicatie een betere toegankelijkheid van de verst gelegen regio's. De TEN die gepland zijn om de Europese Unie van de vijftien te verbinden met de nieuwe lidstaten, zullen hetzelfde effect hebben;
  • milieu, landbouw, plattelandsontwikkeling en visserij.
    Het zesde kaderprogramma voor het milieu heeft tot doel te strijden tegen de schadelijke gevolgen van de groei en tegen de uitputting van natuurlijke rijkdommen. Voor de periode 2000-2006 is de steun voor plattelandsontwikkeling groter in de regio's van Doelstelling 1 (56 % van de uitgaven) dan in de rest van de Unie. Deze steun bevordert het opkomen van een Europese landbouw die gebaseerd is op kwaliteit, het valoriseren van de landschappen en het landelijk cultuurhistorisch bezit, alsook de economische diversificatie van landelijke gebieden. Na 2007 zullen de uitgaven in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) afnemen, meer bepaald met de afname van de ondersteuning van de prijzen en de klemtoon op plattelandsontwikkeling. Op het gebied van de visserij beoogt het gemeenschappelijk beleid de visgronden te beschermen en de industrie te herstructureren. De recente dringende maatregelen zullen ernstige sociale en economische gevolgen hebben in sommige regio's in Spanje en Portugal. In de nieuwe lidstaten zijn Polen en de drie Baltische staten bij de visserij betrokken;
  • het mededingingsbeleid.
    Met strikte naleving van het Europese mededingingsrecht dragen de steunmaatregelen van de lidstaten bij tot de cohesie, aangezien ze invloed uitoefenen op de geografische spreiding van de economische activiteit. Sinds 1997 zijn de totale nationale uitgaven voor steunmaatregelen van de lidstaten sterk gedaald. In 2001 was de steun aan de regio's van Doelstelling 1 en Doelstelling 2 goed voor respectievelijk 9 % en 6 % van het totaal aan bijstandsverlening van de lidstaten. De steunmaatregelen blijven echter groter in vrij welvarende lidstaten dan in de cohesielanden. In de context van de uitbreiding zullen ze een heel belangrijke rol spelen. In de toekomst zullen de toepasbare regels worden hervormd in de zin van kleinere maar meer gerichte hulp.

EFFECT VAN HET NATIONAAL BELEID

De overheidsuitgaven van de lidstaten bedragen gemiddeld 47 % van het BBP van de Europese Unie, terwijl het budget voor het cohesiebeleid kleiner is dan 0,4 %. Het beleid van elke lidstaat waarborgt vooral inkomenssteun en basisdiensten: onderwijs, medische zorgen, sociale bescherming. Anderzijds vertegenwoordigen de overheidsuitgaven voor investeringen in menselijk en fysiek kapitaal gemiddeld slechts iets meer dan 2 % van het communautair BBP. Ze zijn nog lager op gebieden zoals steun voor de ondernemingen, hoger onderwijs, innovatie en OTO. In vergelijking met de nationale begrotingen voor structuuruitgaven is de begroting van het Europese cohesiebeleid lang niet meer zo verwaarloosbaar. Ze is vooral gericht op de regio's die het meest behoefte hebben aan steun.

In de lidstaten is de bijdrage van de overheidsuitgaven voor inkomenssteun gewoonlijk hoger dan in minder welvarende regio's, waar het inkomenspeil immers meestal lager is. De overheidsinkomsten echter zijn evenredig met het inkomen, vooral omdat in de lidstaten de meeste belastingen centraal worden geheven op de inkomsten en de uitgaven. Daarna treden herverdelingsmechanismen in werking om de regionale inkomstenverschillen te verkleinen. Momenteel bestaat de algemene tendens erin de bevoegdheid van de overheidsdiensten te delegeren naar de regionale of de lokale overheden, zonder dat dit gepaard gaat met een soortgelijke tendens bij het inzamelen van de noodzakelijke fondsen om sommige diensten te financieren. De voornaamste uitzondering op deze tendens is Italië, waar de regionale bevoegdheid om belastingen te heffen niet gepaard gaat met een versterking van de transfers tussen de regio's.

Directe buitenlandse investeringen (DBI's) kunnen een hoofdrol spelen bij het beperken van de economische verschillen tussen de regio's. Ze zijn niet alleen een bron van inkomsten, maar bevorderen ook de transfer van technologieën. Buitenlandse investeerders richten zich echter niet noodzakelijk op de geografische gebieden waar de noden het hoogst zijn. Met uitzondering van Berlijn ging slechts 2 % van de DBI's in Duitsland naar de nieuwe Länder, de regio's in de Italiaanse Mezzogiorno ontvingen 4 % van de DBI's. Buitenlandse investeringen concentreren zich bij hoofdzaak in dynamische stedelijke gebieden. In de nieuwe lidstaten trekken de hoofdsteden de meeste investeerders aan. In 2001 ging twee derde van de DBI's in Hongarije naar Boedapest. Hetzelfde geldt voor Praag in de Tsjechische Republiek en voor Bratislava in Slowakije.

Voor meer informatie kunt u terecht op de website IINFOREGIO van het Directoraat-generaal Regionaal beleid:

  • het volledige derde verslag over de economische en sociale cohesie;

GERELATEERDE BESLUITEN

Tweede tussentijds verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2003) 34 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Zie het betreffende SCADPlus-document (castellanodeutschenglishfrançais)

Eerste tussentijds verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2003) 46 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Zie het betreffende SCADPlus-document (castellanodeutschenglishfrançais)

"Eenheid van Europa, solidariteit tussen de volkeren, verscheidenheid van de regio's " - Tweede verslag over de economische en sociale cohesie [COM(2001) 24 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Zie de SCADPlus-documenten in kwestie: stand van zaken en resultaten (castellanodeutschenglishfrançais), conclusies en aanbevelingen (castellanodeutschenglishfrançais), 10 vragen voor het debat

Laatste wijziging: 07.05.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven