RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


EROP

Archief

1) DOELSTELLING

Politieke doelstellingen en algemene beginselen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling definiëren op de schaal van de Europese Unie met het oog op een duurzame en evenwichtige ontwikkeling van het Europese grondgebied die recht doet aan de verscheidenheid van dat grondgebied.

2) BESLUIT

EROP - Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief. Op weg naar een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het grondgebied van de Europese Unie.

3) SAMENVATTING

Met het beleid inzake ruimtelijke ontwikkeling wordt beoogd een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het grondgebied van de Unie te bewerkstelligen in overeenstemming met de fundamentele beleidsdoelstellingen van de Gemeenschap, namelijk: economische en sociale cohesie, een economisch concurrentievermogen dat is gebaseerd op kennis en dat strookt met de beginselen van duurzame ontwikkeling, en de instandhouding van de verscheidenheid van de natuurlijke en de culturele rijkdommen.

Het was niet de bedoeling om met het Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief (EROP) nieuwe communautaire bevoegdheden op het gebied van de ruimtelijke ordening te scheppen. Het EROP is een politiek oriënteringskader ter verbetering van de samenwerking in de beleidssectoren van de Gemeenschap die een belangrijk ruimtelijk effect hebben. De gedachte achter het document is dat, als de lidstaten zich baseren op doelstellingen inzake ruimtelijke ontwikkeling die gemeenschappelijk zijn bepaald, hun activiteiten elkaar beter kunnen aanvullen. Het gaat om een intergouvernementeel, indicatief document dat geen dwingend karakter heeft. Volgens het subsidiariteitsbeginsel vindt de uitvoering ervan plaats op het meest geschikte bestuursniveau en overeenkomstig de wil van de verschillende actoren van de ruimtelijke ontwikkeling.

Het EROP is het resultaat van intensief overleg. De eerste voorstellen betreffende ruimtelijke ontwikkeling dateren van de jaren 60 en 70, toen met name een Europees plan voor ruimtelijke ordening is voorgesteld door het Europees Parlement. De documenten "Europa 2000" [COM(90)544, niet bekendgemaakt in het PB] en "Europa 2000+" [COM(94)354, niet bekendgemaakt in het PB] van de Europese Commissie hebben een beslissende impuls gegeven aan de beleidscoördinatie. De informele vergadering van de bevoegde ministers in Luik in 1993 vormde het beginpunt van de opstelling van het eigenlijke Europees Ruimtelijk Ontwikkelingsperspectief. Vervolgens zijn door de opeenvolgende voorzitterschappen verscheidene ontwerpen uitgewerkt met hulp van het Comité voor Ruimtelijke Ontwikkeling, waarin vertegenwoordigers van de Commissie en nationale ambtenaren zitting hadden. Uiteindelijk is het EROP in mei 1999 in Potsdam goedgekeurd tijdens een informele vergadering van de ministers van ruimtelijke ordening.

Het EROP omvat twee delen: I) de bijdrage van het beleid inzake ruimtelijke ontwikkeling als een nieuwe dimensie van het Europese beleid en II) de ontwikkelingen, perspectieven en uitdagingen betreffende het grondgebied van de Unie. In dit fiche wordt alleen het eerste deel behandeld. Recentere gegevens over de grote tendensen op het grondgebied van de Gemeenschap zijn reeds verstrekt in andere fiches tweede verslag over de economische en sociale cohesie (castellanodeutschenglishfrançais) en eerste voortgangsverslag).

AANPAK VAN HET RUIMTELIJKE BELEID OP EUROPEES NIVEAU

Uitgangspunt van het EROP is dat economische groei en convergentie van bepaalde economische indicatoren niet voldoende zijn om het doel van economische en sociale cohesie te bereiken. Gecoördineerde maatregelen op het gebied van ruimtelijke ontwikkeling zijn dus wenselijk om de ontwikkelingsverschillen te verkleinen. Daarbij moet rekening worden gehouden met de volgende factoren: een voortschrijdende economische integratie EMU, totstandbrenging van de interne markt), de toenemende rol van de plaatselijke en regionale overheden en de komende uitbreiding van de Europese Unie naar Midden- en Oost-Europa en de ontwikkeling van de relaties van de Vijftien met hun buren.

Met meer dan 370 miljoen inwoners op een grondgebied van 3,2 miljoen km2 en een bruto binnenlands product (BBP) van 6800 miljard euro (1996) is de Europese Unie één van de economisch belangrijkste en sterkste wereldregio's. Grote economische onevenwichtigheden brengen echter de totstandkoming van een model van evenwichtige en duurzame ontwikkeling in gevaar. Het kerngebied van Europa, namelijk het gebied tussen de metropolen Londen, Parijs, Milaan, München en Hamburg, omvat slechts 20 % van de oppervlakte en 40 % van de bevolking van de Gemeenschap, maar draagt circa 50 % bij in het bruto binnenlands product (BBP) van Europa. Voorts worden de verschillen in economische prestaties tussen de rijkere en de armere regio's weliswaar iets kleiner, maar nemen de regionale verschillen binnen de meeste landen juist toe. Eind 1998 was ongeveer 10 % van de beroepsbevolking werkloos (die werklozen waren voor de helft langdurig werklozen en voor meer dan 20 % jongeren), maar met aanzienlijke verschillen tussen de regio's en de lidstaten.

In het EROP komen vier belangrijke thema's aan de orde waartussen interacties bestaan en die de ruimtelijke ontwikkeling van de Europese Unie in sterke mate beïnvloeden:

  • De ontwikkeling van de stedelijke gebieden:
    Tegenwoordig woont bijna 80 % van de Europese bevolking in de stad. Stedelijke centra worden geherstructureerd of gecreëerd, steden vormen netwerken en werken samen over de grenzen heen. Daarbij is een nieuwe relatie tussen stad en platteland noodzakelijk om de ruimtelijke uitdagingen te kunnen aannemen.
  • De ontwikkeling van de plattelandsgebieden:
    De plattelandsgebieden in de Europese Unie verkeren vaak in een marginale positie, met name door een opeenstapeling van beperkende factoren zoals de afstand naar grote steden, een ongunstig klimaat, een gebrekkige infrastructuur en onvoldoende economische diversificatie door een te sterke afhankelijkheid van de landbouw. Op milieugebied zijn er problemen en kansen. Het is noodzakelijk de natuurlijke hulpbronnen en de ecosystemen te beschermen. Daarnaast zijn er mogelijkheden om op een andere manier gebruik te maken van het economische potentieel (groen en cultureel toerisme, diversificatie in de landbouw).
  • Het vervoer:
    Nu de interne markt tot stand is gebracht, neemt het weg- en luchtvervoer voortdurend toe, wat verkeersopstoppingen en milieudruk tot gevolg heeft. De Europese Unie is één van de grootste emittenten van koolstofdioxide ter wereld. Voorts kan de ongelijke verdeling van de infrastructuurvoorzieningen over het Europese grondgebied leiden tot belangrijke onevenwichtigheden bij de economische investeringen en een belemmering vormen voor de territoriale cohesie.
  • Het natuurlijke en culturele erfgoed:
    De verscheidenheid van het natuurlijke en culturele erfgoed betekent een grote rijkdom voor Europa. Nu wordt dit erfgoed door bepaalde processen van sociaal-economische modernisering bedreigd. De overexploitatie van het milieu door de mens leidt tot onevenwichtigheden wat flora en fauna, water en bodem en de traditionele landschappen betreft. Het beleid inzake ruimtelijke ordening in Europa is er in het kader van een duurzame ontwikkeling op gericht dergelijke handelwijzen af te remmen en een rationeel gebruik van de hulpbronnen te bevorderen.

IMPACT VAN DE COMMUNAUTAIRE BELEIDSTAKKEN OP HET GRONDGEBIED VAN DE UNIE

Hoewel het EG-Verdrag een specifieke titel "Economische en sociale samenhang" bevat die bij het Verdrag van Amsterdam is aangepast, is op de sectorale beleidsterreinen van de Unie geen sprake van duidelijk omschreven ruimtelijke doelstellingen. Toch hebben verscheidene van die beleidstakken een sterke invloed op het grondgebied van de Gemeenschap als geografische ruimte waarop de maatregelen betrekking hebben. Hun ruimtelijke impact is afhankelijk van de aard van de maatregelen in kwestie. Het kan gaan om maatregelen van financiële aard gemeenschappelijk landbouwbeleid, regionaal beleid via de Structuurfondsen, specifieke steun voor onderzoek en innovatie), om maatregelen van juridische aard concurrentiebeleid, milieubeleid) of om maatregelen met een planologische component energiebeleid en vervoersbeleid). In 1997 namen het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) en de Structuurfondsen samen 83 % van de Gemeenschapsbegroting voor hun rekening.

Hier volgt een overzicht van de verschillende sectorale beleidstakken met een ruimtelijke impact:

  • De Structuurfondsen:
    Uit de verschillende cohesieverslagen blijkt dat de verschillen in ontwikkeling afnemen tussen de lidstaten, maar de neiging hebben groter te worden tussen de regio's. De Structuurfondsen streven het doel van economische en sociale cohesie na. Verreweg de meeste steun van deze Fondsen gaat naar in aanmerking komende gebieden (de regio's met een ontwikkelingsachterstand via doelstelling 1 en de in een omschakelingsproces verkerende regio's via doelstelling 2). Er wordt nog andere steun verleend aan de hand van een ruimtelijke typologie, zij het in mindere mate, en wel via communautaire initiatieven (INTERREG III voor grensgebieden, URBAN II voor stedelijke gebieden en LEADER+ voor plattelandsgebieden).
    De Structuurfondsen hebben een programmeringssysteem dat het mogelijk maakt om te werken met geïntegreerde ontwikkelingsplannen waarbij alle plaatselijke actoren worden betrokken in het kader van een representatief en doorzichtig partnerschap.
  • Het gemeenschappelijk landbouwbeleid:
    Aanvankelijk werd met het GLB een hogere productiviteit nagestreefd. Bij opeenvolgende hervormingen van dat beleid is in toenemende mate recht gedaan aan de nauwe banden tussen de landbouw en de plattelandswereld. Andere doelstellingen treden nu meer op de voorgrond: voedselveiligheid en milieubewustzijn.
    Een betere coördinatie tussen de verschillende beleidstakken die voor de plattelandsontwikkeling van belang zijn, is des te noodzakelijker nu de plattelandsgebieden als gevolg van de uitbreiding van de Europese Unie en de ontwikkeling van de wereldhandel voor grote uitdagingen komen te staan: de herstructurering van de landbouwsector, vooral in de kandidaat-lidstaten, economische diversificatie in de plattelandsgebieden en de totstandbrenging van een nieuwe relatie tussen stad en platteland.
  • Het concurrentiebeleid:
    Het concurrentiebeleid bevordert de integratie van de nationale markten in de interne markt. Met name zijn kartelafspraken tussen ondernemingen en misbruik van een machtspositie verboden, wordt controle uitgeoefend op fusies en overnames en zijn er regels met betrekking tot de toekenning van staatssteun. Deze maatregelen zijn van invloed op de geografische spreiding van de economie. De Commissie erkent daarbij dat overheden soms moeten ingrijpen om het evenwicht tussen concurrentie en de verwezenlijking van doelstellingen van algemeen belang te waarborgen en om op het hele grondgebied een minimale uniforme universele dienstverlening te handhaven. Regionale staatssteun beschouwt zij als onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt, maar zij kan er wel mee instemmen als daar gegronde redenen voor zijn, namelijk in het geval van specifieke steunverlening aan regio's die een ontwikkelingsachterstand hebben, in een omschakelingsproces verkeren of te kampen hebben met natuurlijke belemmeringen (ongunstig klimaat, afgelegen gebied).
  • De trans-Europese netwerken (TEN 's):
    De Gemeenschap draagt bij tot de totstandbrenging van trans-Europese netwerken op het gebied van het vervoer, de telecommunicatie en de energievoorziening. Dit heeft directe gevolgen voor het grondgebruik. Er komen betere verbindingen tussen de centrale regio's en de eiland-, geïsoleerde en/of perifere regio's, wat dan weer meehelpt om de interne markt tot stand te brengen en de economische en sociale cohesie te versterken.
    Van de Gemeenschapsmiddelen die aan de TEN's worden besteed, gaat 80 % naar de vervoersnetten. Het gaat erom doeltreffende en milieuvriendelijke vervoerssystemen te realiseren. Door de aanleg van spoorwegen voor hoge snelheden en de bevordering van het gebruik van de waterwegen wordt het wegennet ontlast. Het openbare vervoer wordt ontwikkeld en fietsen in de stad wordt gestimuleerd.
    De telecommunicatienetten helpen om geografische handicaps te overwinnen, met name dankzij telewerk en afstandsonderwijs. De ruimtelijke impact in de energiesector (gas, elektriciteit) betreft de effecten op het bodemgebruik en de ontwikkeling van het consumptiegedrag.
  • Het milieubeleid:
    Het Verdrag van Amsterdam heeft het gewicht van dit beleid vergroot dankzij de bepaling dat milieueisen moeten worden geïntegreerd in de uitvoering van alle beleidstakken van de Gemeenschap. Een milieueffectbeoordeling is verplicht voordat met een groot investeringsproject mag worden begonnen. Het milieubeleid heeft voorts een ruimtelijke impact doordat beschermde gebieden voor flora en fauna (" Natura 2000 "-netwerk) worden aangewezen, het gebruik van schadelijke stoffen (nitraten) in de landbouw wordt beperkt, de behandeling van afvalstoffen wordt gereglementeerd, luchtvervuiling en geluidsoverlast aan banden worden gelegd en het gebruik van hernieuwbare energiebronnen (windenergie) wordt gestimuleerd.
  • Onderzoek en technologische ontwikkeling (OTO):
    Het OTO-beleid van de Gemeenschap bevordert de samenwerking tussen ondernemingen, onderzoekscentra en universiteiten. Geen enkel regionaal criterium speelt een rol bij de keuze van de projecten. Door gerichte gebiedspromotie waarbij de aandacht wordt gevestigd op de eigen specifieke hulpbronnen, slagen de minst welvarende regio's er niettemin in om OTO-investeringen aan te trekken. Via het meerjarige kaderprogramma wordt onderzoek inzake ruimtelijke ontwikkeling ondersteund, waarbij het gaat om thema's zoals "de stad van morgen en het culturele erfgoed", "een duurzaam beheer van de landbouw en de visserij" en "een duurzaam beheer en de waterkwaliteit".

Niet uit de Gemeenschapsbegroting afkomstig is de financiële steun van de Europese Investeringsbank (EIB). Deze leningen spelen een belangrijke rol in het structuurbeleid van de Unie. Zij worden speciaal toegesneden op projecten in zwakkere regio's en sorteren ook een impliciet motiverend effect. In het kader van de komende uitbreiding zal de EIB zich zeer nuttig maken door de financiering van langetermijnprojecten zoals infrastructuurinvesteringen.

Zonder coördinatie kunnen de beleidstakken van de Gemeenschap de regionale verschillen in ontwikkeling onopzettelijk verergeren. Zij zijn immers gericht op sectordoelstellingen zonder ruimtelijke dimensie, zodat hun respectieve effecten elkaar soms ongedaan maken. Daarom hebben de lidstaten samen met de Commissie het EROP ontwikkeld als een instrument dat bijdraagt tot een betere coördinatie van de beleidstakken van de Gemeenschap. In deze context moeten de diensten van de Commissie dringend hun onderlinge samenwerking versterken om te zorgen voor de ruimtelijke coherentie van de onder hen ressorterende beleidstakken en om de ruimtelijke impact van die beleidstakken te evalueren.

BELEIDSDOELSTELLINGEN EN -OPTIES VOOR HET EUROPESE GRONDGEBIED

Ten behoeve van alle actoren die zijn betrokken bij de ruimtelijk ontwikkeling op Europees, nationaal, regionaal of plaatselijk niveau, zijn in het EROP de volgende beleidsdoelstellingen en -opties uitgestippeld: a) het opzetten van een polycentrisch en evenwichtig stedelijk stelsel, b) de bevordering van geïntegreerde vervoers- en communicatievoorzieningen die op het hele grondgebied van de Unie een gelijkwaardige toegang tot infrastructuur en kennis bieden, en c) de ontwikkeling en instandhouding van de natuur en van het culturele erfgoed.

A) Polycentrische ruimtelijke ontwikkeling en een nieuwe relatie tussen stad en platteland

Het Europese kerngebied, namelijk het gebied dat ligt tussen Londen, Parijs, Milaan, München en Hamburg, is momenteel in de Unie de enige dynamische zone die op integratie in de wereldeconomie is gericht. Nu worden de huidige ruimtelijke tendensen in de Unie gekenmerkt door een verdere concentratie van zeer hoogwaardige functies van mondiale betekenis in dat kerngebied, ook al worden ook dergelijke functies ontwikkeld in enkele metropolen daarbuiten (Barcelona, Øresund-regio).

In het licht van de komende uitbreiding en van de toenemende integratie van de nationale economieën in de interne markt en in de wereldeconomie, zal het bepleite model van een polycentrische ontwikkeling het mogelijk maken te voorkomen dat de bevolking en de economische, politieke en financiële macht te zeer in één enkele dynamische zone worden geconcentreerd. Door de ontwikkeling van een tamelijk gedecentraliseerde stedelijke structuur zal het potentieel van alle Europese regio's beter kunnen worden benut en zullen zo de regionale verschillen in ontwikkeling kunnen worden verkleind.

Bij het model van een polycentrische ruimtelijke ontwikkeling wordt niet uitsluitend gedacht aan een gewone koppeling van de randgebieden aan het kerngebied door middel van nieuwe infrastructuur, zoals in het verleden gebeurde, maar worden veeleer de volgende maatregelen in overweging gegeven:

  • de totstandbrenging van verscheidene zones die zich op mondiale economische integratie richten;
  • de versterking van een evenwichtig stelsel van verstedelijkte gebieden en clusters van steden;
  • de bevordering van geïntegreerde strategieën voor stedelijke ontwikkeling in de lidstaten waarbij ook de nabijgelegen plattelandsgebieden worden betrokken;
  • de versterking van de thematische samenwerking (plaatselijk vervoer, contacten tussen universiteiten en onderzoekscentra, beheer van het culturele erfgoed, integratie van de nieuwe migranten) binnen grensoverschrijdende en transnationale netwerken waarvan de Noord- en Oost-Europese en de Middellandse-Zeelanden deel uitmaken.

Om een duurzame ontwikkeling mogelijk te maken moeten bij de geïntegreerde strategieën voor de ontwikkeling van steden en stedelijke gebieden verscheidene grote uitdagingen worden aangegaan:

  • de strategische rol van de metropoolgebieden en van de toegang tot de Unie biedende "gateway-steden" (grote havens, intercontinentale luchthavens, steden waar internationale beurzen en tentoonstellingen plaatsvinden, culturele centra met wereldfaam) versterken en daarbij bijzondere aandacht schenken aan de perifere regio's;
  • de uitbreiding van de steden in de hand houden door te werken met het concept van de "compacte stad" (een stad waarin de afstanden kort worden gehouden), vooral in de kustgebieden;
  • de economische basis verbeteren door uit te gaan van de specifieke mogelijkheden van de regio en door bedrijven op te zetten die diverse innovatieve activiteiten ontplooien en werkgelegenheid scheppen;
  • het mengen van functies en maatschappelijke groepen, vooral in de grote steden, stimuleren ter bestrijding van de sociale uitsluiting van een deel van de bevolking, de achterstandsbuurten revitaliseren en een nieuwe bestemming geven aan de verlaten industrieterreinen;
  • de hulpbronnen zoals water, bodem en energie en de afvalstoffen verstandig beheren, de natuur en het culturele erfgoed in stand houden en de natuurterreinen uitbreiden;
  • de betrokken gebieden toegankelijker maken door middel van doeltreffend en niet-vervuilend vervoer.

Wonen en werken op het platteland staat op zichzelf de ontwikkeling van een concurrerende economie en de groei van de werkgelegenheid niet in de weg. De plattelandsgebieden, die qua aard sterk uiteenlopen, hebben een omschakelingsproces voltooid of aangevat met het doel hun structurele tekortkomingen te verhelpen en zich te concentreren op een endogene ontwikkeling. Om het hoofd te kunnen bieden aan de nadelen van een geringe bevolkingsdichtheid en van het feit dat de grond er hoofdzakelijk voor agrarisch gebruik is bestemd, moeten de plattelandsgebieden immers hun activiteiten diversifiëren door hun strategieën af te stemmen op hun eigen kenmerken en behoeften. Herontdekking van de veelzijdigheid van een op kwaliteit gericht landbouw (voedselveiligheid, streekproducten, groen toerisme, benutting van de meerwaarde die erfgoed en landschap bieden, gebruik van hernieuwbare energiebronnen), ontwikkeling van activiteiten met behulp van de nieuwe informatietechnologieën en uitwisseling van ervaringen over specifieke thema's zullen de plattelandsgebieden in staat stellen om hun ontwikkelingspotentieel zo goed mogelijk te gebruiken.

Voorts wordt met de bezinning over een nieuw partnerschap tussen stad en platteland beoogd een geïntegreerde aanpak op het niveau van een regio te bevorderen en samen problemen op te lossen die voor ieder afzonderlijk onoverkomelijk zijn. Dit partnerschap zal het mogelijk maken om met originele ontwikkelingsopties te komen. Het kan zorgen voor de handhaving van een basisaanbod op het gebied van dienstverlening en openbaar vervoer en voor een doeltreffender ruimtelijke ordening. Het zal bijdragen tot de uitwisseling van ervaringen via samenwerkingsnetwerken waarvan plaatselijke overheden en bedrijven in de stad en op het platteland deel uitmaken.

B) Gelijkwaardige toegang tot infrastructuur en kennis

Hoewel de doelstellingen van economische en sociale cohesie niet kunnen worden bereikt met infrastructuurvoorzieningen op het gebied van vervoer en telecommunicatie alleen, zijn deze voorzieningen toch belangrijke instrumenten. Zij maken immers onderlinge verbindingen mogelijk tussen de verschillende gebieden en vooral tussen de centrale en de perifere regio's en tussen de stedelijke centra en hun achterland.

Bij de toekomstige uitbreiding van de trans-Europese netwerken moet het concept van een polycentrische ontwikkeling een belangrijk uitgangspunt zijn. Voorrang moet worden gegeven aan de ontsluiting van de op mondiale economische integratie gerichte zones wanneer deze eenmaal zijn aangewezen, maar ook moet veel aandacht worden besteed aan de regio's die met geografische belemmeringen te kampen hebben, en aan de secundaire verbindingen binnen de regio's. Voorts moeten alle regio's kunnen rekenen op een evenwichtige toegang tot de intercontinentale knooppunten (havens en luchthavens).

Door de huidige toeneming van het personen- en goederenverkeer komt het milieu steeds meer onder druk te staan en worden de vervoerssystemen minder doeltreffend. Een passend beleid inzake ruimtelijke ontwikkeling (openbaar vervoer in de stad, intermodaal vervoer, gezamenlijk gebruik van infrastructuur) kan een geïntegreerde aanpak mogelijk maken van de milieudruk die te wijten is aan de grotere mobiliteit, de verkeerscongestie en het intensievere grondgebruik.

In een kennismaatschappij is de toegang tot kennis en infrastructuur van primordiaal belang. De arbeidsmarkten en de bedrijven hebben behoefte aan dynamische innovatiesystemen, aan een doeltreffende technologieoverdracht en aan uitstekende onderwijs- en opleidingsinstituten. Nu zijn de toegang tot kennis en het innovatiepotentieel nog steeds ongelijk verdeeld in de Europese Unie en zijn zij daar geconcentreerd waar de economische dynamiek het grootst is. Verhoging van het onderwijs- en opleidingsniveau van de bevolking in de probleemregio's, met name door verspreiding van de nieuwe informatietechnologieën (basisdienstverlening, een passend tariefbeleid, opleiding en bewustmaking), zal de genoemde onevenwichtigheden helpen wegwerken.

C) Een zorgvuldig beheer van de natuur en het culturele erfgoed

De ruimtelijke ontwikkeling kan een stimulerende rol spelen in het behoud en het duurzame gebruik van de biodiversiteit op plaatselijk en regionaal niveau. Soms zijn strenge beschermingsmaatregelen gerechtvaardigd, maar vaak is het zinvoller om het beheer van bedreigde elementen in te passen in ruimtelijke strategieën voor grotere gebieden. Natuur en cultuur vormen immers, als er recht aan wordt gedaan, een niet te verwaarlozen economische factor voor de regionale ontwikkeling.

Het rijke erfgoed en de cultuurlandschappen in Europa zijn een uiting van de Europese identiteit en hebben een mondiale betekenis. Om eventuele tendensen in de richting van verwaarlozing en achteruitgang te keren en dit erfgoed onder de best mogelijke omstandigheden aan de toekomstige generaties te kunnen doorgeven, is een creatieve aanpak nodig. Zo dienen geïntegreerde strategieën voor het behoud en herstel van de landschappen en het erfgoed te worden uitgestippeld en dient het publiek bewust te worden gemaakt van de bijdrage die de ruimtelijke ordening kan leveren aan de bescherming van de erfenis van toekomstige generaties.

In het kader van de ontwikkeling van de natuurlijke hulpbronnen in de Europese Unie moeten ook geïntegreerde strategieën worden uitgestippeld voor een duurzaam beheer van de milieuelementen (lucht, water en bodem) en voor een gerichte bescherming van specifieke zones:

  • Vermindering van de CO2-uitstoot overeenkomstig de verbintenissen van het Kyoto-protocol is onontbeerlijk om het broeikaseffect tegen te gaan. Deze vermindering dient met name te worden bereikt door bevordering van woonpatronen die minder energie vergen, minder verkeer veroorzaken en een ruimer gebruik van hernieuwbare energiebronnen mogelijk maken.
  • Water is een vitale hulpbron. In Europa wordt de aanwezigheid ervan vaak vanzelfsprekend gevonden, maar als gevolg van de overexploitatie en de vervuiling zal het in de toekomst steeds moeilijker worden om de drinkwatervoorziening kwalitatief en kwantitatief op peil te houden. Het is dus absoluut noodzakelijk om een gecoördineerd waterbeleid (voor het oppervlakte-, grond- en zeewater) te voeren. De belangrijkste componenten van dat beleid zijn preventie, een beter bodemgebruik, rampenbeheer (overstromingen, droogte), bewustmaking en grensoverschrijdende samenwerking.
  • De totstandbrenging van het "Natura 2000"-netwerk van beschermde zones levert een nuttige bijdrage aan de duurzame ontwikkeling. Ook in andere kwetsbare gebieden (bergen, natte gebieden, eilanden) is sprake van een grote biologische verscheidenheid die ontwikkelingsperspectieven biedt, waarvoor dan wel een adequate geïntegreerde strategie nodig is. Geïntegreerd kustbeheer moet een antwoord bieden op de vele uitdagingen langs de ongeveer 90.000 km lange kustlijn.

DE TOEPASSING VAN HET EROP

De lidstaten wensen dat het EROP resultaten op lange termijn oplevert, hoewel dat document geen rechtskracht heeft. De wenselijk geachte samenwerking tussen de verschillende bestuursniveaus die bij de ruimtelijke ordening zijn betrokken, zal het mogelijk maken tegenstrijdige of elkaar neutraliserende beleidsmaatregelen te voorkomen.

De lidstaten hebben een aantal aanbevelingen geformuleerd:

  • Op communautair niveau:
    a) De Commissie wordt aanbevolen om de ruimtelijke effecten van de beleidstakken van de Gemeenschap systematisch en periodiek te evalueren.
    b) Met het oog op een coherente uitvoering wordt samenwerking in het kader van internationale organisaties en instellingen (Raad van Europa, OESO) bepleit.
    c) De volgende maatregelen dienen te worden genomen om het verzamelen en uitwisselen van gegevens te bevorderen: uitwerking van indicatoren die vergelijkingen mogelijk maken (geografische ligging, economische kracht, sociale en ruimtelijke integratie, natuurlijke en culturele rijkdommen), uitvoering van studies betreffende de grote ruimtelijke tendensen in Europa (demografie, de keuze van de vestigingsplaats voor bedrijven en de mondialisering van de economie, technologische ontwikkelingen, de uitbreiding en de betrekkingen met derde landen) en de uitwisseling van innovatieve ervaringen op het gebied van ruimtelijke ordening.
    d) Er zou zo snel mogelijk moeten worden overgegaan tot de oprichting van een "waarnemingspost voor de ruimtelijke ordening van het Europees grondgebied (FR .) De gespecialiseerde onderzoeksinstituten van de lidstaten zouden dan de politieke samenwerking door middel van gemeenschappelijke studies over de ruimtelijke ontwikkeling kunnen begeleiden.

    Transnationale samenwerking:
    Voorgesteld wordt dat de lidstaten en de Commissie hun inspanningen voor transnationale samenwerking op basis van projecten inzake ruimtelijke ontwikkeling in het kader van het communautaire initiatief INTERREG III voortzetten. Daarbij is het belangrijk om passende samenwerkingszones in stand te houden, gemeenschappelijke administratieve structuren op te zetten ondanks de juridische belemmeringen, deelneming door de regionale en plaatselijke overheden te bevorderen en - vooral in het vooruitzicht van de uitbreiding - de samenwerking met derde landen te ondersteunen met gebruikmaking van de bestaande instrumenten (INTERREG III, en de programma's Phare, TACIS, MEDA, CARDS).
  • Op het niveau van de lidstaten:
    Voorgesteld wordt dat de Vijftien bij hun nationale beleid meer rekening houden met de Europese dimensie van de ruimtelijke ordening en het publiek voorlichten over de Europese samenwerking inzake ruimtelijke ontwikkeling.
  • Grensoverschrijdende en interregionale samenwerking:
    Voorgesteld wordt dat de lidstaten en de regionale en plaatselijke overheden de uitvoering van grensoverschrijdende projecten voortzetten. Enkele relevante voorbeelden: de opstelling van streek- en bestemmingsplannen, een betere aansluiting van de systemen voor regionaal vervoer op de nationale en internationale knooppunten, de uitvoering van strategieën voor duurzame ontwikkeling op het platteland en van programma's om de waarde van het natuurlijke en culturele erfgoed beter te benutten en de totstandbrenging van netwerken van steden rond het thema van de stedelijke ontwikkeling.

DE UITBREIDING VAN DE UNIE EN HET EUROPESE BELEID INZAKE RUIMTELIJKE ONTWIKKELING

De uitbreiding betekent een echte uitdaging voor de Europese Unie en zal een ongekende sociaal-economische en territoriale impact hebben. Wanneer in de toekomst de tien landen in Midden- en Oost-Europa (LMOE's) die kandidaat-lidstaat zijn en Cyprus en Malta zullen zijn toegetreden, zullen de bevolking en de oppervlakte van de Unie ongeveer een derde groter zijn geworden, maar het bruto binnenlands product (BBP) slechts 5 %.

De uitbreiding zal op uiteenlopende terreinen zorgen voor veranderingen in het referentiekader van het EROP:

  • de bevolking:
    De Baltische staten, Slovenië en Cyprus hebben elk minder dan 4 miljoen inwoners. Van de kandidaat-lidstaten zijn alleen Polen en Roemenië grote landen wat bevolking en oppervlakte betreft. Over het geheel genomen wordt de spreiding van de bevolking in de kandidaat-lidstaten gekenmerkt door sterkere concentraties dan in het huidige lidstaten. Van de bevolking van de kandidaat-lidstaten woont 60 % in de grensgebieden, zodat grensoverschrijdende samenwerking een instrument bij uitstek zal zijn voor de Europese integratie.
  • de economie:
    De economische welvaart in de kandidaat-lidstaten (cijfers over 1995) verschilt sterk van land tot land, maar is overal lager dan die in de lidstaten. Slovenië bereikt als rijkste kandidaat-lidstaat nagenoeg het niveau van Griekenland, dat de armste lidstaat is. De Baltische staten, Bulgarije en Roemenië zijn de minst welvarende kandidaat-lidstaten. Binnen de kandidaat-lidstaten zijn de hoofdsteden en de aan de EU grenzende regio's het meest dynamisch. Hierdoor is de omvang van de regionale verschillen in ontwikkeling binnen de kandidaat-lidstaten vergelijkbaar met die in de cohesielanden en die regionale verschillen dreigen nog groter te worden. Ook de ontwikkeling van de werkgelegenheid laat grote regionale verschillen zien. Nog steeds vinden er ingrijpende herstructureringen plaats in de industrie en de landbouw.
  • het vervoer:
    Op dit gebied hebben zich in de kandidaat-lidstaten spectaculaire veranderingen voorgedaan: de vervoersnetten zijn nu op het westen gericht in plaats van op het oosten, er heeft een verschuiving plaatsgevonden van het vervoer per spoor naar het wegvervoer en de rol van de privésector is groter geworden ten koste van die van de overheid. De grote uitdagingen die voor de toekomst moeten worden aangegaan ondanks het gebrek aan middelen, zijn een evenwichtige en duurzame ontwikkeling van het vervoer en de modernisering van de infrastructuur.
  • het milieu:
    De milieusituatie wordt gekenmerkt door tegenstellingen. De meeste kandidaat-lidstaten beschikken over uitgestrekte cultuurlandschappen en ecosystemen die nagenoeg ongeschonden zijn. Daarnaast bestaat er echter ernstige lucht- en watervervuiling, die is geconcentreerd in de sterkst geïndustrialiseerde regio's.

In de LMOE's wordt het aangaan van de uitdagingen die zijn verbonden met het proces van economische transformatie, nog altijd beschouwd als een opgave van nationaal belang. Op het gebied van het regionale beleid en de ruimtelijke ordening bestaat er weinig traditie, waardoor er onvoldoende instrumenten en structuren zijn en een autonoom regionaal niveau in de bestuurlijke indeling vaak ontbreekt. Polen, Slovenië en Hongarije zijn het verst gevorderd met hervormingen in de richting van een regionaal beleid dat beantwoordt aan het huidige model van de Gemeenschap (regionale strategie, programmering, partnerschap, tenuitvoerlegging, toezicht en evaluatie). Zie de aanvullende aanwijzingen voor toekomstige lidstaten (castellanodeutschenglishfrançais) en hun voorbereiding op de tenuitvoerlegging van het regionaal beleid 2004-2006 (castellanodeutschenglishfrançais).

De uitbreiding maakt een hervorming van het huidige regionale en landbouwbeleid noodzakelijk. De Commissie heeft haar voorstellen over dit onderwerp gepresenteerd in het kader van Agenda 2000 (castellanodeutschenglishfrançais) en ook is de aanzet gegeven tot het debat over de toekomst van het regionale beleid na 2006. De vorige uitbreidingen leren dat een toeneming van het aantal minder welvarende landen binnen de Unie de speelruimte op het gebied van het regionale beleid kan verkleinen. Wat zullen dus de prioriteiten van het toekomstige cohesiebeleid zijn? Ondertussen is grondig onderzoek naar de ruimtelijke impact van de uitbreiding noodzakelijk. Ook moeten de kandidaat-lidstaten en hun regionale en plaatselijke overheden zo snel mogelijk bij het beheer van de Fondsen van de Gemeenschap worden betrokken. Daartoe wordt via de financiële instrumenten van het regionale beleid (INTERREG III) en het externe beleid (de programma's PHARE, TACIS, MEDA en CARDS) steun verleend voor de opleiding van nationale, regionale en plaatselijke ambtenaren uit de kandidaat-lidstaten en voor de oprichting van thematische netwerken binnen transnationale samenwerkingszones.

Voor nadere informatie kan de volledige versie van het EROP (FR) (EN) (DE) worden geraadpleegd op de site INFOREGIO van het directoraat-generaal Regionaal beleid.

4) UITVOERINGSMAATREGELEN

5) VERDERE WERKZAAMHEDEN

Beslissing van het Europees Parlement over de ruimtelijke ordening en het Europees ruimtelijk ontwikkelingsperspectief [Publicatieblad C226 van 20.07.1998].

Advies van het Economisch en Sociaal Comité over het "Europees ruimtelijk ontwikkelingsperspectief (EROP) - eerste officieel ontwerp" Publicatieblad C 407 van 28.12.1998].

Advies van het Comité van de Regio's over het Europees ruimtelijk ontwikkelingsperspectief [Publicatieblad C93 van 06.04.1999].

Laatste wijziging: 05.01.2004
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven