RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Verblijfsrecht van werknemers die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd

Archief

Deze richtlijn beoogt de hinderpalen weg te nemen voor het vrije verkeer van personen, uitbreiden van het verblijfsrecht van al dan niet in loondienst werkzame personen tot het niet-actieve deel van hun beroepsleven.

BESLUIT

Richtlijn 90/365/EEG van de Raad van 28 juni 1990 inzake het verblijfsrecht van werknemers en zelfstandigen die hun beroepswerkzaamheid hebben beëindigd.

Vervangen door:

Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG.

SAMENVATTING

De lidstaten kennen het verblijfsrecht toe aan iedere onderdaan van een lidstaat die in de Gemeenschap al dan niet in loondienst een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend, mits hij:

  • een invaliditeitsuitkering, vervroegd pensioen of ouderdomsuitkering, dan wel
  • een uitkering van de arbeidsongevallen- of beroepsziekteverzekering ontvangt, en

hij door een ziekteverzekering is gedekt of over andere, toereikende middelen beschikt en tijdens zijn verblijf niet ten laste komt van de sociale bijstand van het gastland. Het verblijfsrecht wordt eveneens toegekend aan zijn gezinsleden (zijn echtgenoot en hun ten laste komende bloedverwanten in neergaande lijn, alsmede de bloedverwanten in opgaande lijn van de houder van het verblijfsrecht en van de bloedverwanten in opgaande lijn van de houder van het verblijfsrecht en van zijn echtgenoot, die te zijnen laste zijn).

De lidstaten geven een verblijfskaart af, waarvan de geldigheidsduur kan worden beperkt tot vijf jaar. Deze geldigheidsduur kan worden verlengd. De lidstaten kunnen echter, wanneer zij dit noodzakelijk achten, verlangen dat de geldigheidsduur van de verblijfskaart aan het eind van het tweede verblijfsjaar wordt bekrachtigd. Het verblijfsrecht blijft anders bestaan zolang degenen die dit recht genieten, voldoen aan de onder punt 1 genoemde voorwaarden. Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, ontvangen een verblijfsdocument met dezelfde geldigheidsduur als het document dat is afgegeven aan de onderdaan van wie zij afhankelijk zijn. Voor de afgifte van de verblijfskaart of het verblijfsdocument kan de lidstaat van de aanvrager slechts verlangen dat hij een identiteitsbewijs overlegt en aantoont dat hij aan de voorwaarden voldoet.

De echtgenoot en de ten laste komende kinderen van een onderdaan van een lidstaat die het verblijfsrecht geniet, hebben het recht (zelfs indien zij niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten) om op het gehele grondgebied van die lidstaat iedere arbeid, al dan niet in loondienst, te verrichten.

De lidstaten mogen uitsluitend om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid van deze richtlijn afwijken.

Uiterlijk drie jaar na de inwerkingtreding van deze richtlijn, en vervolgens om de drie jaar, maakt de Commissie een verslag op over de toepassing van deze richtlijn en wordt dit verslag aan de Raad en aan het Europees Parlement voorgelegd.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Richtlijn 90/365/EEG-30.6.1992L 180 van 13.7.1990

GERELATEERDE BESLUITEN

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement, van 18 maart 1999, over de toepassing van de Richtlijnen 90/364, 90/365 en 93/96 (Verblijfsrecht) [COM(99) 127 def.].
Het recht van vrij verkeer, dat oorspronkelijk beperkt was tot degenen die een economische activiteit uitoefenden, is uitgebreid tot alle onderdanen van de lidstaten, ook als ze geen economische activiteit uitoefenen. Deze uitbreiding, onder bepaalde voorwaarden, van het verblijfsrecht is formeel bekrachtigd in het Verdrag van Maastricht: door de invoeging van het toenmalige artikel 8 A in het EG-Verdrag (nu artikel 18) heeft iedere burger een fundamenteel en persoonlijk recht om op het grondgebied van de lidstaten te reizen en te verblijven.
De omzetting van de Richtlijnen 90/364, 90/365 en 93/96 heeft ertoe geleid dat tegen bijna alle lidstaten inbreukprocedures werden ingeleid. Slechts drie lidstaten hadden de richtlijnen namelijk op tijd omgezet. De procedures werden echter beëindigd naarmate de omzettingsmaatregelen werden goedgekeurd.
De toepassing van de richtlijnen in de praktijk werd beoordeeld aan de hand van brieven, klachten en petities aan het Europees Parlement, en door middel van een onderzoek onder voormalige ambtenaren van de Commissie die zich na hun pensionering hadden gevestigd in een andere lidstaat dan die waar zij vandaan kwamen of waar zij het laatst hadden gewerkt. Hierbij kwamen nog de opmerkingen vanuit het Eurojus-adviseursnetwerk en de Wegwijzerdienst voor de burgers (Europa binnen bereik / Burgers van Europa). Hieruit bleek dat de volgende gebieden problemen opleverden voor de burgers: onzekerheid over de te volgen procedures, tijdrovende en ingewikkelde formaliteiten bij de aanvraag van een verblijfskaart enz. Ook de overheden hadden te kampen met moeilijkheden, met name bij de beoordeling van de voorwaarden ten aanzien van bestaansmiddelen en ziektekostenverzekering.
Uit de eerste conclusies ter zake blijkt dat het noodzakelijk is:

  • de voorlichting aan de burgers te verbeteren;
  • streng te blijven toezien op naleving van het bestaande communautaire recht;
  • het communautaire recht op het gebied van het vrij verkeer van personen duidelijker te formuleren en te ordenen rond het begrip 'burgerschap van de Unie';
  • na te denken over fundamentele aanpassingen van het bestaande recht.

Tweede verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de toepassing van de Richtlijnen 90/364, 90/365 en 93/96 (Verblijfsrecht) [COM(2003) 101 def.]
Dit verslag is het tweede over de toepassing van de drie richtlijnen over het verblijfsrecht van de burgers van de Unie en hun familieleden, ongeacht hun nationaliteit, die in de lidstaat van opvang geen economische activiteit uitoefenen (de "inactieven"). Het bestrijkt de periode 1999 - 2002.

Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 5 april 2006 over de toepassing van de Richtlijnen 90/364, 90/365 en 93/96 (Verblijfsrecht) [COM (2006) 156 def.]
Vijftien jaar na de aanneming van Richtlijn 90/365/EEG kan de tenuitvoerlegging van deze teksten grosso modo bevredigend worden genoemd, zoals mag blijken uit het afnemend aantal geconstateerde tekortkomingen. Toch heeft de Commissie enkele klachten ontvangen over problemen als gevolg van de niet-naleving van de bepalingen van de richtlijn.

In het verslag wordt er bijvoorbeeld op gewezen dat de Commissie Spanje op 21 december 2005 een aanmaningsbrief heeft gestuurd omdat dit land gepensioneerde Britse onderdanen die langer dan drie maanden per jaar in Spanje verblijven, maar hun woonplaats niet definitief daarheen willen overbrengen, de verplichting oplegt om het in Verordening 1408/71 bedoelde formulier E 121 in te dienen teneinde in Spanje een verblijfskaart te verkrijgen. De Commissie acht deze verplichting strijdig met Richtlijn 90/365.

Laatste wijziging: 09.07.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven