RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Naar een Europese onderzoeksruimte (EOR)

Archief

De Europese Unie (EU) kan op het vlak van onderzoek en innovatie op een lange traditie bogen maar vaak is er sprake van versnippering van deze uitmuntende kennis. De Europese Commissie heeft derhalve het initiatief genomen om ter zake een mededeling aan te nemen waardoor de basis kan worden gelegd voor een Europese ruimte op dit gebied. Deze onderzoeksruimte heeft ten doel voor de wetenschap een gebied zonder grenzen in het leven te roepen waarin de wetenschappelijke middelen beter worden aangewend met als doel de Europese werkgelegenheid en het Europese concurrentievermogen te vergroten. In de eerste plaats wordt in dit document het concept Europese onderzoeksruimte (context, vaststellingen, inzet, wezenlijke aspecten, enz.) gedefinieerd. Vervolgens worden de te onderzoeken werkwijzen en middelen om deze onderzoeksruimte uiterlijk 2010 te verwezenlijken, aangereikt.

BESLUIT

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's, van 18 januari 2000 - Naar een Europese onderzoeksruimte [COM (2000) 6 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

SAMENVATTING

1. De activiteit van de EU op het gebied van het onderzoek heeft er altijd in bestaan de samenwerking tussen de partners van verschillende landen te stimuleren in het kader van de opeenvolgende kaderprogramma's. Sinds het begin van de jaren 80 hebben deze programma's bijgedragen tot de invoering van een nieuwe op samenwerking gebaseerde aanpak binnen een veranderende samenleving. Op het continent begon een echte "Europese onderzoeksruimte" in het verschiet te komen.

2. In deze "gemondialiseerde" wereld ontwikkelen onderzoek en technologische ontwikkeling zich steeds sneller dankzij de uitwisseling van wetenschappers, informatie en wetenschappelijke resultaten, die steeds vrijer en sneller de wereld rondreizen.

3. Op dit ogenblik kan evenwel nog niet echt van een Europees onderzoeksbeleid worden gesproken omdat 80% van het met openbare middelen gefinancierd onderzoek op nationaal niveau, namelijk hoofdzakelijk in het kader van nationale of regionale onderzoeksprogramma's, wordt gevoerd. Met andere woorden, het onderzoeksbeleid van de lidstaten en dat van de EU verlopen parallel maar vormen geen samenhangend geheel. De geleverde inspanningen zijn derhalve vaak vergeefs.

4. Voorts kent het Europese onderzoek bepaalde zwakke punten. De wetenschappelijke en technologische ontwikkeling is de motor van de economische en sociale groei en schept met name werkgelegenheid. Vele indicatoren wijzen er echter op dat ons dynamisme veel geringer is dan dat van onze belangrijkste concurrenten. Eind jaren 90 waren de uitgaven voor onderzoek in de EU gedaald tot 1,8% van het BBP, terwijl ze in de VS en Japan bijna 3% van het BBP bedroegen.

5. Anderzijds bekleedt de EU een vooraanstaande positie op gebieden zoals medisch onderzoek en chemie. Dit potentieel moet evenwel beschermd, versterkt en ten volle geëxploiteerd worden in samenwerking met het bedrijfsleven, de onderzoeksinstellingen en niet-Europese universiteiten.

6. Kortom, onderzoek moet een duidelijker en belangrijker bijdrage leveren aan de werking van de Europese economie en maatschappij. Vanuit dit oogpunt heeft de Commissie op 18 januari 2000 voorgesteld een Europese onderzoeksruimte (EOR) in het leven te roepen. Het hoofddoel hierbij is "bij te dragen aan een algemeen gunstiger klimaat voor het onderzoek in Europa". De EU wenst uiterlijk 2010 een Europese onderzoeksruimte tot stand te hebben gebracht.

STRUCTUUR

7. In de EOR zijn drie concepten gecombineerd:

  • de oprichting van een "interne markt" voor onderzoek (een ruimte waarin kennis, vorsers en technologieën echt vrij verkeren), met als doel de samenwerking te versterken, de concurrentie te stimuleren en de toewijzing van de middelen te optimaliseren;
  • de reorganisatie van de Europese onderzoekswereld waarbij hoofdzakelijk wordt gestreefd naar een betere coördinatie van de onderzoeksactiviteiten en het onderzoeksbeleid van de lidstaten (deze zijn immers goed voor het grootste gedeelte van het in Europa gevoerde en gefinancierde onderzoek);
  • de ontwikkeling van een Europees onderzoeksbeleid dat zich niet beperkt tot de financiering van de onderzoeksactiviteiten maar tevens alle aspecten van de andere nationale en Europese beleidsgebieden die met onderzoek verband houden, omvat.

8. Kenmerkend voor de Europese onderzoeksruimte zijn de volgende elementen:

  • een op Europese schaal geoptimaliseerd geheel van materiële middelen en infrastructuur;
  • meer samenhang bij het gebruik van openbare instrumenten en middelen;
  • meer dynamiek in particuliere investeringen;
  • een gemeenschappelijk wetenschappelijk en technisch referentiesysteem voor de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen;
  • meer personele middelen en meer mobiliteit;
  • een dynamisch Europa dat openstaat en aantrekkelijk is voor onderzoekers en voor investeringen;
  • een ruimte met gemeenschappelijke waarden.

9. Het belangrijkste financieel instrument van de EOR is het 6de kaderprogramma voor onderzoek dat tot eind 2006 loopt. Het 7de kaderprogramma voor onderzoek (i23022) komt vanaf 2007 in de plaats. Laatstgenoemd programma is opgezet om de EU te helpen bij het bereiken van de doelstellingen die in Lissabon (DE)(EN)(FR) zijn vastgesteld en moet de basis leveren voor de opbouw van een kenniseconomie.

Een op Europese schaal geoptimaliseerd geheel van materiële middelen en infrastructuur

10. Om de EOR tot stand te brengen moeten "centres of excellence " worden gecreëerd, m.a.w. moeten vooraanstaande onderzoeksinstituten tot netwerken worden samengevoegd.

11. "Centres of excellence" van mondiaal niveau bestaan in Europa voor haast alle disciplines. Waarin ze precies zijn gespecialiseerd, is buiten de Europese grenzen echter niet altijd voldoende bekend.

12. Dankzij de talrijke vormen van telewerken die door elektronische netwerken mogelijk zijn geworden, kunnen er echte virtuele, soms multidisciplinaire, 'centres of excellence' in het leven worden geroepen, waarin universiteiten en ondernemingen samenwerken.

13. Elektronische netwerken openen voor onderzoekers volstrekt nieuwe werkmogelijkheden: virtuele laboratoria, bediening van instrumenten op afstand, vrijwel onbeperkte toegang tot complexe databases, enz.

Meer samenhang bij het gebruik van overheidsinstrumenten en -middelen

14. Tot dusverre werden nationale onderzoeksprogramma's volkomen los van elkaar uitgevoerd. Om dit in de toekomst te vermijden hebben de voor onderzoek bevoegde instanties in de lidstaten aanbevolen het beginsel van de wederzijdse openstelling van de nationale programma's te huldigen. De Commissie heeft hier een rol van initiatiefnemer gespeeld en de lidstaten logistieke en juridische middelen ter beschikking gesteld waarmee de onderzoeksactiviteiten in Europa beter kunnen worden gecoördineerd. In die context zijn er in een intergouvernementeel kader enkele Europese organisaties voor wetenschappelijke en technologische samenwerking opgericht, namelijk: de Europese Stichting voor Wetenschappen (ESW) (EN), het Europees Ruimte-Agentschap (ESA) (EN), de Europese samenwerking op het gebied van het wetenschappelijk en technisch onderzoek (COST)(EN), EUREKA (Extracommunautair onderzoeksprogramma) (EN), enz.

15. Om in het Europese onderzoek tot meer samenhang te komen wordt dus een dubbel doel nagestreefd:

  • bij de uitvoering van de nationale en Europese onderzoeksprogramma's gecoördineerder tewerk gaan;
  • de banden tussen de Europese organisaties voor wetenschappelijke en technologische samenwerking aanhalen.

Meer dynamiek in particuliere investeringen

16. Het huidige Europese octrooistelsel, dat wordt beheerd door het Europees Octrooibureau (DE)(EN)(FR) en de nationale octrooibureaus, is gebaseerd op de afgifte van nationale octrooien, die alleen geldig zijn in de lidstaten waarvoor zij zijn uitgereikt. Dit stelsel is duur en is een van de belangrijkste belemmeringen voor het grootschalige gebruik van octrooien in Europa. De Commissie overweegt derhalve de invoering voor te stellen van één Europees octrooi dat voor het gehele grondgebied van de EU geldt.

17. De oprichting van de EOR moet het mogelijk maken:

  • beter gebruik te maken van instrumenten voor onrechtstreekse steun aan het onderzoek;
  • efficiënte instrumenten ontwikkelen ter bescherming van de intellectuele eigendom door de oprichting van ondernemingen en investeringen in risicodragend kapitaal te stimuleren

Een gemeenschappelijk wetenschappelijk en technisch referentiesysteem voor de tenuitvoerlegging van beleidsmaatregelen

18. Het Europese onderzoeksysteem moet zodanig worden georganiseerd dat het de behoeften die zich voordoen in de verschillende stadia van de tenuitvoerlegging van overheidsbeleid kan voorzien en hierop kan inspelen . Het komt er dus op aan de administratieve en ambtelijke hinderpalen bij het wetenschappelijk onderzoek uit de weg te ruimen. Anderzijds moet het eigen onderzoek van de Commissie de belangrijke bekommernissen van de burgers en beleidsmakers, zoals milieubescherming , voedselveiligheid, chemische producten en nucleaire veiligheid, in aanmerking nemen.

19. Eén en ander vereist dat het onderzoek dat de politieke besluitvorming voorafgaat en het gemeenschappelijk wetenschappelijk en technisch referentiesysteem sterker worden ontwikkeld.

Meer personele middelen en meer mobiliteit

20. De drie belangrijkste uitdagingen in het kader van de EOR op het vlak van personele middelen zijn:

  • de mobiliteit van de onderzoekers verhogen;
  • vrouwen meer bij het onderzoek betrekken en een belangrijker rol laten spelen;
  • wetenschappelijke carrières voor jongeren aantrekkelijker maken.

21. Over het algemeen zijn wetenschappers mobieler dan de rest van de bevolking. De Europese wetenschappers zijn evenwel onvoldoende vertrouwd met de onderzoekscultuur van de andere landen. In dat verband moet worden vastgesteld dat in Europa bij rekruteringen voor academische of wetenschappelijke carrières de voorkeur wordt gegeven aan de eigen onderdanen van de rekruterende staat. Het ontbreken van adequate loopbaanstructuren voor onderzoekers uit andere Europese landen verhindert dat onderzoeksorganisaties gebruik kunnen maken van de ervaring en de kennis van elders opgeleide onderzoekers.

22. 50% van de universitaire diploma's worden behaald door vrouwen (castellanodeutschenglishfrançais). Vreemd genoeg nemen zij evenwel slechts zeer beperkt deel aan het wetenschappelijk onderzoek.

23. In alle landen van de Unie ten slotte wordt bij de jongeren een daling van de belangstelling voor wetenschappelijke carrières vastgesteld. De belangstelling voor wetenschap en techniek wordt evenwel in de lagere school gewekt. De Unie moet dus op alle niveaus - lager, middelbaar en hoger - meer de nadruk leggen op het wetenschappelijk onderwijs.

Een dynamisch Europa dat openstaat en aantrekkelijk is voor onderzoekers en voor investeringen

24. De regio's spelen op het gebied van onderzoek en innovatie een steeds belangrijkere rol. Zij beschikken daarbij over aanzienlijke financiële middelen en ontplooien initiatieven om de contacten tussen universiteiten, bedrijven en onderzoekscentra te bevorderen. De centrale rol die zij op deze wijze in de EOR spelen moet nog worden versterkt. Waar het echt op aankomt is dat zij moeten nagaan welk klimaat voor een echte "territorialisering" van het onderzoeksbeleid (m.a.w. aanpassing van dat beleid aan de sociaaleconomische omstandigheden van de regio) geschikt is en dat klimaat moeten creëren.

25. De kandidaat-lidstaten hebben momenteel maar weinig middelen veil voor wetenschappelijk onderzoek en hun onderzoekstructuren moeten worden aangepast zodat de verworven kennis op economisch en sociaal vlak kan worden ingezet. De integratie van de wetenschappers van Oost- en West-Europa bevorderen lijkt derhalve onontbeerlijk.

26. Europa biedt onderzoekers uit derde landen geen bijzonder gunstige materiële en administratieve arbeidsvoorwaarden. De wettelijke bepalingen, de wetenschapscultuur en de taal verschillen van land tot land. Om voor de Europese laboratoria de beste onderzoekers ter wereld aan te trekken, zou een Europees beurssysteem voor wetenschappers in het leven moeten worden geroepen. Wanneer het ontwikkelingslanden betreft zou dit systeem zodanig moeten zijn opgezet dat wordt gestimuleerd dat de onderzoekers naar hun land van herkomst terugkeren.

Een ruimte met gemeenschappelijke waarden

27. De toenemende druk op het milieu, de ernstige crises op het gebied van de voedselveiligheid en het in de handel brengen van genetisch gemodificeerde organismen doen bij het grote publiek terecht vragen rijzen en kunnen het vertrouwen in de wetenschap aan het wankelen brengen. De dialoog tussen de wetenschappers en de andere maatschappelijke actoren (burgers, deskundigen, bedrijfsleiders en politieke beleidsbepalers) moet dus worden aangemoedigd.

28. De ethische problemen in verband met de vooruitgang van de wetenschappelijke en technologische kennis, vooral op het gebied van de biowetenschap, geven aanleiding tot oordelen die van land tot land verschillen. De banden tussen de nationale en Europese ethische commissies ("Europese groep Ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën") moeten aangehaald zodat benaderingen tot stand komen die met elkaar in overeenstemming zijn.

29. In dit verband beoogt een Europese onderzoeksruimte met andere woorden:

  • de problematiek van wetenschap en maatschappij een Europese dimensie te verlenen;
  • een gemeenschappelijke visie op de ethische problematiek in wetenschap en technologie te ontwikkelen.

GERELATEERDE BESLUITEN

Besluit 1982/2006/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor activiteiten op het gebied van onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie (2007-2013).

Besluit 2006/969/EG van de Raad van 18 december 2006 betreffende het zevende kaderprogramma van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom) voor onderzoeks- en opleidingsactiviteiten inzake kernenergie (2007-2011).

Jaarverslag van de Commissie van 15 november 2006 betreffende de activiteiten op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling van de Europese Unie in 2005 [COM(2006) 685 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].

Aanbeveling van de Commissie van 11 maart 2005 betreffende het Europees handvest voor de onderzoeker en een gedragscode voor de aanwerving van onderzoekers [C(2005) 576 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Verslag van de Commissie van 2 augustus 2004: Activiteiten van de Europese Unie op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling. Jaarverslag 2003 [COM(2004) 533 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Beschikking nr. 1608/2003/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2003 betreffende de productie en de ontwikkeling van een communautaire statistiek inzake wetenschap en technologie [Publicatieblad L 230 van 16.09.2003].

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 18 juli 2003: "Onderzoekers in de Europese Onderzoeksruimte: een beroep, meerdere loopbanen [COM(2003) 436 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Mededeling van de Commissie van 16 oktober 2002, "De Europese onderzoeksruimte: een nieuwe aanpak - Versterking en heroriëntering van bestaande perspectieven, opening van nieuwe perspectieven" [COM(2002) 565 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].
Dit document behelst een evaluatie van de vooruitgang die bij de totstandbrenging van de EOR werd geboekt. Tevens worden nieuwe perspectieven geopend met betrekking tot de verdere ontwikkeling van de EOR. Twee jaar nadat de totstandbrenging van de EOR werd gestart, oordeelt de Commissie dat het initiatief ertoe heeft geleid dat op nationaal niveau het bewustzijn is gegroeid dat onderzoek een Europese dimensie heeft gekregen. De Commissie wijst op een aantal positieve activiteiten en ontwikkelingen en richt een oproep tot de lidstaten om zich in te zetten zodat hun betrokkenheid bij het project aanzienlijk wordt vergroot.

Mededeling van de Commissie van 11 september 2002: "Meer onderzoek voor Europa - Op weg naar 3% van het BBP [COM(2002) 499 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].
De doelstelling die door de Raad van Barcelona in maart 2002 werd geformuleerd, behelst een stijging van de investeringen - die momenteel 1,9% van het BBP bedragen - tot 3% van het BBP uiterlijk 2010. De particuliere sector zou meer dan 60% van deze investeringen voor zijn rekening moeten nemen.

Mededeling van de Commissie - De regionale dimensie van de Europese onderzoeksruimte [COM(2001) 549 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].
Dit document heeft ten doel de plaatselijke en regionale autoriteiten aan te sporen maximaal gebruik te maken van de nieuwe mogelijkheden die door de EOR worden geboden. Er wordt immers niet meer aan getwijfeld dat de regio's zeer belangrijke actoren zijn bij de ontwikkeling van een Europese kenniseconomie. Bovendien wordt regionale ontwikkeling beschouwd als zijnde van kapitaal belang voor de toekomstige groei en het toekomstige concurrentievermogen van de EU.

Mededeling van de Commissie van 25 juni 2001 - De internationale dimensie van de Europese onderzoeksruimte [COM(2001) 346 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 juni 2001 - Een mobiliteitsstrategie voor de Europese onderzoeksruimte COM(2001) 331 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 april 2001 - Uitvoering van de taak van het GCO in de Europese onderzoeksruimte [COM(2001) 215 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's van 4 oktober 2000 - Totstandbrenging van de "Europese onderzoeksruimte": Oriëntaties voor de activiteiten van de Unie op het gebied van onderzoek (2002-2006) [COM(2000) 612 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

Mededeling van de Commissie van 17 februari 1999 - "Vrouwen en wetenschap" - Vrouwen mobiliseren om het wetenschappelijk onderzoek in Europa te verrijken [COM(1999) 76 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

 
Laatste wijziging: 30.07.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven