RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Europees aanhoudingsbevel

De Europese Unie (EU) heeft een kaderbesluit betreffende het aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten goedgekeurd. Het besluit maakt de procedures sneller en eenvoudiger door de hele politieke en administratieve fase te vervangen door een gerechtelijk mechanisme.

BESLUIT

Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten [Zie wijzigingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Het in 2002 goedgekeurde Europees aanhoudingsbevel vervangt het stelsel van uitlevering en verplicht de nationale rechterlijke autoriteiten (uitvoerende rechterlijke autoriteiten) door de rechterlijke autoriteit (uitvaardigende rechterlijke autoriteit) van een andere lidstaat gerichte verzoeken tot overlevering van een persoon ipso facto en op grond van minimale controles te erkennen. Het kaderbesluit is op 1 januari 2004 in werking getreden en kwam in de plaats van alle bestaande teksten ter zake.

Het staat de lidstaten evenwel nog altijd vrij bilaterale of multilaterale overeenkomsten te sluiten of toe te passen voor zover deze de procedures voor de overlevering nog sterker vereenvoudigen of vergemakkelijken. De toepassing van deze overeenkomsten dient in ieder geval de betrekkingen met de lidstaten die daarbij geen partij zijn, onverlet te laten.

Algemene beginselen

In het kaderbesluit wordt het "Europees aanhoudingsbevel" gedefinieerd als een rechterlijke beslissing die door een lidstaat wordt uitgevaardigd met als doel de aanhouding of de overlevering door een andere lidstaat van een persoon met het oog op:

  • strafvervolging;
  • de uitvoering van een straf;
  • de uitvoering van een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel.

Gevallen waarin het bevel kan worden uitgevaardigd:

  • bij een definitieve veroordeling tot een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van ten minste vier maanden;
  • een strafbaar feit waarvoor een vrijheidsstraf of een tot vrijheidsbeneming strekkende maatregel van meer dan één jaar is vastgelegd.

Indien daarop in de uitvaardigende lidstaat een straf staat met een maximum van ten minste drie jaar, is onder meer bij de volgende strafbare feiten overlevering zonder toetsing van de dubbele strafbaarheid van het feit mogelijk: terrorisme, mensenhandel, corruptie, deelneming aan een criminele organisatie, vervalsing, moord en doodslag, racisme en vreemdelingenhaat, verkrachting, handel in gestolen voertuigen en fraude, met inbegrip van fraude waardoor de financiële belangen van de Gemeenschap worden geschaad.

Ten aanzien van andere dan de bovengenoemde strafbare feiten kan overlevering afhankelijk worden gesteld van de voorwaarde dat het feit waarvoor om overlevering wordt verzocht een naar het recht van de uitvoerende lidstaat strafbaar feit is (regel van de dubbele strafbaarheid).

Het Europees aanhoudingsbevel moet een hele reeks gegevens bevatten omtrent de identiteit van de persoon, de uitvaardigende gerechtelijke autoriteit, het definitieve vonnis, de aard van het strafbare feit, de opgelegde straf, enz. (een voorbeeld van het formulier is als bijlage bij het kaderbesluit gevoegd).

Procedures

Als algemene regel zendt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit het Europees aanhoudingsbevel rechtstreeks toe aan de uitvoerende rechterlijke autoriteit. Er is voorzien in de mogelijkheid van samenwerking met het Schengeninformatiesysteem (SIS) en met de diensten van Interpol. Indien de uitvaardigende rechterlijke autoriteit niet weet wie de bevoegde uitvoerende rechterlijke autoriteit is, kan zij een beroep doen op het Europees justitieel netwerk.

Elke lidstaat kan de nodige en evenredige dwangmaatregelen vaststellen met betrekking tot de gezochte persoon. Een gezochte persoon die wordt aangehouden, wordt in kennis gesteld van de inhoud van het aanhoudingsbevel en heeft recht op bijstand van een raadsman en van een tolk.

In ieder geval heeft de uitvoerende rechterlijke autoriteit het recht te beslissen of de betrokkene in hechtenis blijft dan wel onder bepaalde voorwaarden in vrijheid wordt gesteld.

In afwachting van een beslissing wordt de betrokkene door de uitvoerende rechterlijke autoriteit gehoord (overeenkomstig de nationale bepalingen). Een definitieve beslissing over de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel moet uiterlijk zestig dagen na de aanhouding van de gezochte persoon worden genomen. De uitvoerende rechterlijke autoriteit stelt de uitvaardigende rechterlijke autoriteit onmiddellijk in kennis van de genomen beslissing.

Elke periode van vrijheidsbeneming op grond van het Europees aanhoudingsbevel moet in mindering worden gebracht op de totale duur van de opgelegde vrijheidsstraf.

De betrokkene kan zijn instemming met de overlevering te kennen geven. De instemming is niet herroepbaar en de betrokkene moet zich ten volle van de gevolgen bewust zijn. In dat geval moet de uitvoerende rechterlijke autoriteit binnen tien dagen na de instemming een definitieve beslissing betreffende de tenuitvoerlegging van het aanhoudingsbevel nemen.

Gronden tot weigering van tenuitvoerlegging en overlevering

Het Europees aanhoudingsbevel wordt niet ten uitvoer gelegd indien:

  • de betrokkene reeds onherroepelijk door een lidstaat is berecht voor dezelfde feiten (ne bis in idem-beginsel);
  • het betrokken feit in de uitvoerende lidstaat onder een amnestie valt;
  • de betrokkene krachtens het recht van de uitvoerende lidstaat op grond van zijn/haar leeftijd niet strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gesteld.

Onder bepaalde voorwaarden (bv. wanneer de strafvervolging of straf volgens de wet van de uitvoerende lidstaat is verjaard of wanneer een derde land voor dezelfde feiten een onherroepelijke veroordeling heeft uitgesproken) kan de uitvoerende lidstaat weigeren het aanhoudingsbevel ten uitvoer te leggen. Hij kan de tenuitvoerlegging van het bevel ook weigeren indien de betrokken persoon niet persoonlijk aanwezig was op de terechtzitting tijdens welke de rechterlijke beslissing werd bekendgemaakt, tenzij passende waarborgen worden gegeven. Elke weigering dient met redenen te worden omkleed.

Iedere lidstaat staat de doortocht over zijn grondgebied toe van een gezochte persoon die wordt overgeleverd, mits verstrekking van bepaalde informatie (met betrekking tot het aanhoudingsbevel, de aard van het strafbaar feit, de identiteit van de betrokkene, enz.).

Het bevel wordt vertaald in de officiële taal van de uitvoerende staat. Het wordt toegezonden in iedere vorm die een schriftelijk spoor nalaat en die de uitvoerende lidstaat de mogelijkheid biedt zich van de echtheid te vergewissen.

Praktische, algemene en slotbepalingen

Sinds 1 januari 2004 worden door de lidstaten ontvangen uitleveringsverzoeken behandeld overeenkomstig de maatregelen die de lidstaten voor de tenuitvoerlegging van dit kaderbesluit hebben goedgekeurd.

Dit kaderbesluit is van toepassing op Gibraltar.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Kaderbesluit 2002/584/JBZ

7. 8.2002

31.12.2003

L 190, 18.7.2002

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Kaderbesluit 2009/299/JBZ

28.3.2009

28.3.2011

L 81, 27.3.2009

GERELATEERDE BESLUITEN

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 11 april 2011 over de uitvoering sinds 2007 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten [COM(2011) 175 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].
In dit verslag maakt de Commissie een stand van zaken op van de tenuitvoerlegging van het Europees aanhoudingsbevel in de eerste zeven jaar na de invoering ervan. Op operationeel niveau is het initiatief een succes: er zijn 54 689 aanhoudingsbevelen uitgevaardigd en er zijn er 11 630 uitgevoerd. De uitlevering van een persoon aan een ander EU-land duurt nu veertien tot zeventien dagen indien de betrokkene ermee instemt en achtenveertig dagen indien hij er niet mee instemt. Voor de invoering van het Europees aanhoudingsbevel nam een uitlevering ruim een jaar in beslag. Deze Europese regeling, die ervoor zorgt dat de open grenzen niet worden gebruikt door personen die uit handen van justitie trachten te blijven, heeft het vrij verkeer van personen in de EU versterkt. De Commissie meldt evenwel ook tekortkomingen, met name wat de naleving van de grondrechten betreft. Zij vraag de lidstaten hun wetgeving in overeenstemming te brengen met Kaderbesluit 2002/584/JBZ als dat nog niet gebeurd is en de reeds genomen maatregelen uit te voeren om de werking van het aanhoudingsbevel te verbeteren. Voorts stelt de Commissie vast dat te veel aanhoudingsbevelen worden uitgevaardigd voor minder ernstige strafbare feiten en moedigt zij de uitvaardigende lidstaten aan het evenredigheidsbeginsel toe te passen.

Verslag van de Commissie van 24 januari 2006 op grond van artikel 34 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten (herziene versie) [COM(2006) 8 definitief - Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].
De herziene versie van het verslag betreft vooral de Italiaanse wetgeving die sinds het oorspronkelijke verslag is aangenomen. De Commissie is van oordeel dat het Europees aanhoudingsbevel ondanks de aanvankelijke vertraging operationeel is in de meeste door de lidstaten vastgestelde gevallen.

Verslag van de Commissie van 23 februari 2005 op grond van artikel 34 van het kaderbesluit van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures voor overlevering tussen de lidstaten [COM(2005) 63 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].
Volgens het evaluatieverslag van de Commissie heeft het Europees aanhoudingsbevel sinds zijn inwerkingtreding op 1 januari 2004 positieve gevolgen gehad, zowel op het vlak van depolitisering en efficiëntie alsook wat betreft de snelheid van de procedure van overlevering, zonder dat de grondrechten van de betrokken personen in het gedrang komen.

Verklaringen waarin wordt voorzien bij artikel 31, lid 2, van Kaderbesluit 2002/584/JBZ van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten [Publicatieblad L 246 van 29.9.2003].
Denemarken, Finland en Zweden verklaren dat de bepalingen van het kaderbesluit kunnen worden verstevigd en uitgebreid op grond van hun geldende uniforme wetgeving. Deze staten zullen de geldende uniforme gezamenlijke wetgeving handhaven, namelijk:

  • Denemarken: Noordse wet betreffende de uitlevering (wet nr. 27 van 3 februari 1960, als gewijzigd);
  • Finland: Noordse wet betreffende de uitlevering (270/1960);
  • Zweden: Wet (1959: 254) met betrekking tot de uitlevering naar Denemarken, Finland, IJsland en Noorwegen voor strafbare feiten.
Laatste wijziging: 10.07.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven