RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid (“Brussel II”)

De Europese Unie (EU) heeft de bepalingen inzake echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid in één rechtsinstrument ondergebracht om het werk van rechters en practici te vergemakkelijken en de uitoefening van het grensoverschrijdend omgangsrecht te regelen. Deze verordening vormt ook een belangrijke stap in de strijd tegen ontvoeringen van kinderen.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van 27 november 2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1347/2000 [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

De onderhavige verordening is bedoeld om de bepalingen inzake echtscheiding en ouderlijke verantwoordelijkheid * in één rechtsinstrument onder te brengen, waarbij onder andere de automatische erkenning van omgangsrechtsbeslissingen wordt geregeld *, hetgeen deel uitmaakte van een initiatief van Frankrijk in 2000. Deze verordening vervangt Verordening (EG) nr. 1347/2000.

Eén prioriteit: het recht van het kind

De Europese Unie (EU) beschouwt het recht van het kind om regelmatig contact met elk van beide ouders te onderhouden, als een prioriteit. Daartoe zal het kind het recht hebben om te worden gehoord over elke aangelegenheid in verband met de over hem uitgeoefende ouderlijke verantwoordelijkheid, in overeenstemming met zijn leeftijd en rijpheid.

Toepassingsgebied, definities en bevoegdheid

Deze verordening is van toepassing op burgerlijke procedures betreffende echtscheiding, scheiding van tafel en bed of nietigverklaring van het huwelijk alsook op alle aangelegenheden in verband met ouderlijke verantwoordelijkheid. Onder ouderlijke verantwoordelijkheid wordt verstaan, het geheel van rechten en plichten die betrekking hebben op de persoon of het vermogen van een kind. Teneinde de gelijke behandeling van alle kinderen te waarborgen is deze verordening van toepassing op alle beslissingen betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid, inclusief maatregelen ter bescherming van het kind, los van ieder verband met een procedure in huwelijkszaken.

De verordening is niet van toepassing op de burgerlijke procedures betreffende onderhoudsverplichtingen, die vallen onder Verordening (EG) nr. 44/2001 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken.

Ook is de verordening niet van toepassing op:

  • de vaststelling en de ontkenning van familierechtelijke betrekkingen;
  • adoptiebeslissingen, voorbereidende maatregelen voor adoptie, alsmede de nietigverklaring en de herroeping van de adoptie;
  • de geslachtsnaam en de voornamen van het kind;
  • de handlichting;
  • trusts en erfopvolging;
  • maatregelen genomen ten gevolge van door kinderen begane strafbare feiten.

De verordening voert een volledige bevoegdheidsregeling in. Wat echtscheiding betreft, worden de bevoegdheidsregels van Verordening (EG) nr. 1347/2000 overgenomen.

Wat de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, berust de bevoegdheid over het algemeen bij de rechterlijke instanties van de EU-lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft. In geval van wettige wijziging van de verblijfplaats van het kind (verhuizing), blijven de rechterlijke instanties van de EU-lidstaat van de oude gewone verblijfplaats van het kind die reeds een beslissing inzake ouderlijke verantwoordelijkheid (met name het omgangsrecht) hebben genomen, onder bepaalde voorwaarden bevoegd. Voorts kunnen de ouders aanvaarden dat de rechterlijke instantie die het verzoek om echtscheiding heeft toegewezen, ook bevoegd is ter zake van de ouderlijke verantwoordelijkheid. Tevens kunnen de ouders onder bepaalde voorwaarden aanvaarden dat de zaak aanhangig wordt gemaakt bij de rechterlijke instanties van een andere EU-lidstaat waarmee het kind een nauwe band heeft, bijvoorbeeld op grond van zijn nationaliteit.

Wanneer de gewone verblijfplaats van het kind niet kan worden vastgesteld, zijn de rechterlijke instanties van de EU-lidstaat waar het kind zich bevindt, bevoegd. Deze bepaling geldt met name voor vluchtelingenkinderen en kinderen die ten gevolge van onlusten die in hun land plaatsvinden, naar een ander land zijn overgebracht. Als de bevoegdheid niet kan worden bepaald aan de hand van specifieke bepalingen van de verordening, kan elke EU-lidstaat zijn nationale wetgeving toepassen. In uitzonderlijke omstandigheden kan een zaak naar een rechtbank worden verwezen die beter in staat is om deze te behandelen indien dat in het belang van het kind is.

De rechterlijke instanties moeten ambtshalve onderzoeken of zij overeenkomstig deze verordening bevoegd zijn. Wanneer bij een rechterlijke instantie van een EU-lidstaat een zaak aanhangig wordt gemaakt waarvoor zij niet bevoegd is, moet zij zich ambtshalve onbevoegd verklaren. Indien een procedure wordt ingesteld tegen een verweerder die zijn of haar gewone verblijfplaats in een andere EU-lidstaat heeft, moeten de rechterlijke instanties onderzoeken of de verweerder het gedinginleidende stuk zo tijdig heeft ontvangen als met het oog op zijn of haar verdediging noodzakelijk was. In spoedeisende gevallen kunnen de rechterlijke instanties voorlopige of bewarende maatregelen met betrekking tot personen en goederen nemen.

Regels in verband met ontvoeringen van kinderen

De verordening voert ook regels in verband met ontvoeringen van kinderen in (ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van het kind *). Deze regels hebben ten doel ontvoeringen van kinderen binnen de EU te voorkomen.

In geval van ontvoering van een kind, mag de persoon die gezagsrechten bezit * bij een centrale autoriteit een verzoek om terugzending van het kind indienen. Hij kan zich hiervoor ook tot een rechtbank wenden.

In de regel blijven de rechterlijke instanties van de EU-lidstaat waar het kind vóór de ontvoering zijn gewone verblijfplaats had, na de ontvoering bevoegd totdat het kind in een andere EU-lidstaat over een gewone verblijfsplaats beschikt (met toestemming van enige persoon, instelling of andere lichamen die gezagsrecht bezitten en na een verblijf van minimaal een jaar).

Het betreffende gerecht moet uiterlijk zes weken nadat het verzoek aanhangig is gemaakt, een beslissing geven. Het kind wordt tijdens de procedure gehoord, tenzij dit gezien zijn leeftijd of mate van rijpheid niet raadzaam wordt geacht. Een gerecht kan de terugkeer van een kind niet weigeren indien de persoon die om de terugkeer van het kind verzoekt, niet is gehoord.

De rechterlijke instanties van de EU-lidstaat waar het kind is ontvoerd, kunnen de terugkeer van het kind niet weigeren tenzij er een ernstig risico bestaat voor de lichamelijke en geestelijke gezondheid van het kind (ingevolge artikel 13, onder b), van het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980). De rechter dient echter de terugkeer van het kind te gelasten wanneer vaststaat dat er adequate voorzieningen zijn getroffen om de bescherming van het kind na de terugkeer te verzekeren.

Als een gerecht een beslissing houdende niet-terugkeer heeft gegeven, moet het de stukken toezenden aan het bevoegde gerecht van de EU-lidstaat waar het kind vóór zijn ongeoorloofde overbrenging zijn gewone verblijfplaats had. Dit gerecht heeft het laatste woord inzake de terugkeer van het kind. De rechter moet het kind en de partijen in de gelegenheid stellen te worden gehoord en ook rekening houden met de argumenten en bewijsstukken op basis waarvan de eerste rechter zijn beslissing tot niet-terugkeer heeft gegeven. Als de rechter in de EU-lidstaat van oorsprong tot een andere beslissing komt, namelijk dat het kind moet terugkeren, wordt deze beslissing in de andere EU-lidstaat automatisch erkend en is deze uitvoerbaar zonder dat een beslissing tot uitvoerbaarverklaring benodigd is (“afschaffing van het zogeheten exequatur”). Er kan niet tegen de beslissing in beroep worden gegaan mits de rechter uit de EU-lidstaat van oorsprong een certificaat (bijlage IV) heeft afgegeven.

Erkenning en tenuitvoerlegging

De regels inzake de erkenning en tenuitvoerlegging nemen de regels van Verordening (EG) nr. 1347/2000 ter zake over.

De verordening waarborgt de automatische erkenning van iedere beslissing zonder dat een bijzondere procedure vereist is. Zij beperkt de gronden tot weigering voor beslissingen inzake huwelijkszaken en ouderlijke verantwoordelijkheid indien:

  • de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde;
  • de verweerder niet in zijn verdediging heeft kunnen voorzien door een laattijdige betekening van het gedinginleidende stuk;
  • de erkenning onverenigbaar is met een andere beslissing.

Voor beslissingen inzake ouderlijke verantwoordelijkheid zijn er nog twee andere gronden tot niet-erkenning, namelijk:

  • het kind heeft niet de gelegenheid gekregen te worden gehoord;
  • een persoon die beweert dat de beslissing in de weg staat aan de uitoefening van zijn of haar ouderlijke verantwoordelijkheid, is niet in de gelegenheid gesteld te worden gehoord.

Een beslissing betreffende de uitoefening van de ouderlijke verantwoordelijkheid zal op verzoek van een belanghebbende uitvoerbaar kunnen worden verklaard in een andere EU-lidstaat (en in de verschillende regio's van het Verenigd Koninkrijk, na voor tenuitvoerlegging te zijn geregistreerd). Tegen de beslissing die de beslissing uitvoerbaar verklaart, kan een rechtsmiddel worden ingesteld.

Wat de beslissingen inzake huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid betreft, kan elke belanghebbende de bevoegde rechterlijke instantie verzoeken om een certificaat volgens een modelformulier dat bij de verordening is gevoegd (bijlage I en bijlage II).

Elke beslissing inzake het omgangsrecht en de terugzending van het kind die overeenkomstig de bepalingen van deze verordening is genomen, zal automatisch worden erkend en ten uitvoer worden gelegd in alle EU-lidstaten zonder dat daartoe enigerlei bijzondere procedure vereist is (afschaffing van het exequatur), op voorwaarde dat bij de beslissing een certificaat is gevoegd. Een modelformulier van certificaten betreffende het omgangsrecht en de terugzending van het kind is als bijlage bij deze verordening gevoegd (respectievelijk bijlage III en bijlage IV).

Tegen het certificaat dat met het oog op een vereenvoudigde tenuitvoerlegging van de beslissing wordt afgegeven, dient geen rechtsmiddel open te staan. Wanneer het certificaat de inhoud van de beslissing niet correct weergeeft, kan echter een rectificatieprocedure worden gestart.

De procedure van tenuitvoerlegging wordt geregeld bij de nationale wetgeving van de aangezochte EU-lidstaat.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de beslissing die het omgangsrecht erkent en de modaliteiten van uitoefening. De rechter van de EU-lidstaat van tenuitvoerlegging kan de modaliteiten van de uitoefening van het omgangsrecht vaststellen indien de noodzakelijke modaliteiten niet zijn vastgesteld in de beslissing van de gerechten van de andere EU-lidstaat waar de beslissing inzake het omgangsrecht is gegeven. Wel moet de rechter de wezenlijke bestanddelen van die beslissing eerbiedigen bij de vaststelling van de modaliteiten.

Samenwerking tussen de centrale autoriteiten

Elke EU-lidstaat wijst een of meer centrale autoriteiten aan die verschillende taken hebben, met name:

  • bevordering van de uitwisseling van informatie over de respectieve nationale wetten en procedures;
  • ondersteuning van de informatie-uitwisseling tussen de gerechten;
  • verlening van bijstand aan personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind dragen, bij een verzoek om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing;
  • bevordering van het oplossen van conflicten tussen personen die de ouderlijke verantwoordelijkheid dragen via alternatieve middelen zoals bemiddeling.

In dit verband komen de centrale autoriteiten regelmatig bijeen in het kader van het Europees justitieel netwerk in burgerlijke en handelszaken.

Iedereen die de ouderlijke verantwoordelijkheid voor een kind draagt, kan om gratis hulp vragen bij de centrale autoriteit van de EU-lidstaat waar het kind gewoonlijk verblijft.

Over het algemeen treedt de verordening in de plaats van de bestaande overeenkomsten tussen twee of meer EU-lidstaten die betrekking hebben op onderwerpen welke in deze verordening zijn geregeld. Zij heeft voorrang op bepaalde multilaterale verdragen inzake betrekkingen tussen de EU-lidstaten voor zover zij betrekking hebben op onderwerpen die in deze verordening zijn geregeld: het Verdrag van 's-Gravenhage van 1961 (toepasselijke wet inzake de bescherming van minderjarigen), het Verdrag van Luxemburg van 1967 (erkenning van beslissingen betreffende de huwelijksband), het Verdrag van 's-Gravenhage van 1970 (erkenning van echtscheidingen), het Europees Verdrag van 1980 (gezag over kinderen) en het Verdrag van 's-Gravenhage van 1980 (burgerrechtelijke aspecten van internationale ontvoering van kinderen).

In de verhouding tot het Verdrag van ’s-Gravenhage van 19 oktober 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen en is de verordening in haar geheel van toepassing indien het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats op het grondgebied van een EU-lidstaat heeft. Bovendien zijn de voorschriften voor de erkenning en de tenuitvoerlegging ook van toepassing wanneer het bevoegde gerecht van een EU-lidstaat een beslissing geeft terwijl het betrokken kind zijn gewone verblijfplaats heeft op het grondgebied van een derde land dat partij is bij het genoemde verdrag.

Verder zijn bijzondere bepalingen van kracht voor:

  • de betrekkingen met Finland en Zweden met Denemarken, IJsland en Noorwegen in verband met de toepassing van de Noordse overeenkomst inzake het huwelijk van 6 februari 1931;
  • de betrekkingen tussen de Heilige Stoel en Portugal, Italië, Spanje en Malta.

Slotbepalingen

Een comité bestaande uit vertegenwoordigers van de EU-lidstaten staat de Commissie bij in de tenuitvoerlegging van de verordening.

Uiterlijk op 1 januari 2012 en vervolgens om de vijf jaar dient de Commissie, op basis van de door de EU-lidstaten verstrekte gegevens, bij het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité een verslag over de toepassing van deze verordening in, dat zo nodig vergezeld gaat van voorstellen tot wijziging van de verordening.

Het Verenigd Koninkrijk en Ierland nemen deel aan toepassing van de verordening. Denemarken neemt niet deel aan de aanneming van de verordening, die derhalve niet bindend is voor dit land.

Deze verordening treedt in werking op 1 augustus 2004 en is van toepassing met ingang van 1 maart 2005 (de artikelen 67-70 zijn van toepassing vanaf 1 augustus 2004).

Achtergrond

De politieke wil van de EU-lidstaten om de wederzijdse erkenning van rechterlijke uitspraken, met name in burgerlijke zaken, op te voeren, kwam duidelijk naar voren in punt 34 van de conclusies van de Europese Raad van Tampere. De automatische erkenning van beslissingen zou voorlopig moeten worden gerealiseerd in een aantal beperkte sectoren, zoals het familierecht en inzonderheid de onderhoudsvorderingen en het omgangsrecht.

Overeenkomstig de conclusies van Tampere:

  • heeft de Raad in mei 2000 Verordening (EG) nr. 1347/2000(“Brussel II”) goedgekeurd;
  • heeft Frankrijk in juli 2000 een initiatief betreffende het grensoverschrijdend omgangsrechtingediend;
  • heeft de Commissie in september 2001 een voorstel inzake ouderlijke verantwoordelijkheid ingediend.

De bepalingen van het voorstel van de Commissie van 20 september 2001 zijn in het voorstel voor deze verordening overgenomen en op 6 juni 2002 derhalve formeel ingetrokken. Hetzelfde geldt voor het initiatief van Frankrijk van juli 2000.

Belangrijkste begrippen
  • “Ouderlijke verantwoordelijkheid”: alle rechten en verplichtingen die ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst aan een natuurlijke persoon of aan een rechtspersoon zijn toegekend met betrekking tot de persoon of het vermogen van een kind. De term omvat onder meer het gezagsrecht en het omgangsrecht.
  • “Gezagsrecht”: de rechten en verplichtingen die betrekking hebben op de zorg voor de persoon van een kind, in het bijzonder het recht de verblijfplaats van het kind te bepalen.
  • “Omgangsrecht”: het recht om een kind voor een beperkte tijd mee te nemen naar een andere plaats dan zijn gewone verblijfplaats.
  • “Ongeoorloofde overbrenging of niet doen terugkeren van een kind”: ontvoering of schending van het gezagsrecht dat ingevolge een beslissing, van rechtswege of bij een rechtsgeldige overeenkomst is toegekend in de EU-lidstaat waar het kind zijn gewone verblijfplaats had.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 2201/2003

1.8.2004

-

L 338 van 23.12.2003

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 2116/2004

3.1.2005

-

L 367 van 14.12.2004

GERELATEERDE BESLUITEN

Verordening (EU) nr. 1259/2010 van de Raad van 20 december 2010 tot nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed [Publicatieblad L 343 van 29.12.2010].

Besluit 2010/405/EU van de Raad van 12 juli 2010 houdende machtiging om nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed [Publicatieblad L 189 van 22.7.2010].
In 2008 werd duidelijk dat het lastig zou worden om de unanimiteit te bewerkstelligen die vereist was voor de aanneming van het voorstel van 2006 tot wijziging van Verordening 2201/2003 (zie hieronder). Sindsdien heeft een aantal EU-lidstaten het voornemen te kennen gegeven een nauwere samenwerking aan te gaan op het gebied van het toepasselijke recht in huwelijkszaken. Dit besluit machtigt hen om onderling een dergelijke nauwere samenwerking aan te gaan. De andere EU-lidstaten kunnen te allen tijde tot deze samenwerking toetreden.
Nauwere samenwerking op het gebied van het toepasselijke recht inzake echtscheiding en scheiding van tafel en bed zal de deelnemende lidstaten een duidelijker en vollediger rechtskader voor grensoverschrijdende zaken bieden. Bovendien zal zij de burger meer rechtszekerheid, voorspelbaarheid en flexibiliteit bieden. De nauwere samenwerking stoelt op het beginsel van wederzijdse erkenning van rechterlijke beslissingen en draagt zo bij tot de verenigbaarheid van de in de lidstaten geldende regels voor wetsconflicten.

Voorstel voor een verordening van de Raad van 17 juli 2006 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 2201/2003 wat de bevoegdheid betreft en tot invoeging van regels inzake toepasselijk recht in huwelijkszaken [COM(2006) 399 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
Gezien de toename van “internationale” huwelijken en scheidingen wil de Commissie een duidelijk en volledig juridisch kader in huwelijkszaken opzetten voor wat betreft de aspecten rechtszekerheid, voorspelbaarheid, flexibiliteit en toegang tot het recht. Daartoe voorziet het voorstel onder andere in:

  • geharmoniseerde collisieregels in geval van echtscheiding en scheiding van tafel en bed, zodat de echtgenoten vooraf kunnen weten welke wet van toepassing zal zijn op de rechtsvorderingen betreffende het huwelijk;
  • een zekere autonomie van de partijen, die het toepasselijke recht en het bevoegde gerecht in een procedure voor echtscheiding of scheiding van tafel en bed onder bepaalde voorwaarden kunnen kiezen.

Dit voorstel is ingegeven door het Groenboek over het toepasselijke recht en de rechterlijke bevoegdheid in echtscheidingszaken van 14 maart 2005.
Raadplegingsprocedure (CNS/2006/0135)

Laatste wijziging: 21.05.2012

Zie ook

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven