RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken

Het doel van deze verordening is de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken te verbeteren, te vereenvoudigen en te bespoedigen.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken.

SAMENVATTING

Deze verordening vergemakkelijkt het verkrijgen van bewijsmateriaal in een andere lidstaat. Zij is van toepassing in burgerlijke en handelszaken wanneer een gerecht van een lidstaat:

  • een gerecht van een andere lidstaat verzoekt bewijsmateriaal bijeen te brengen;
  • verzoekt zelf bewijsmateriaal in een andere lidstaat te mogen bijeenbrengen.

Er mag alleen een verzoek worden gedaan om bewijsmateriaal te verkrijgen voor gebruik in een zaak die reeds is of zal worden aangespannen.

Denemarken neemt niet deel aan de verordening.

Rechtstreekse communicatie tussen de gerechten

De lidstaten moeten een lijst opstellen van gerechten die bevoegd zijn om bewijsmateriaal te verzamelen en hun territoriale en/of bijzondere bevoegdheid aangeven. Een verzoek wordt door het gerecht waarbij de zaak is of zal worden aangespannen (het “verzoekende gerecht”) rechtstreeks gericht tot het gerecht in de lidstaat die het bewijsmateriaal moet verzamelen (het “aangezochte gerecht”).

Elke lidstaat wijst een autoriteit als centrale autoriteit aan, die is belast met:

  • het verstrekken van informatie aan de gerechten;
  • het zoeken naar oplossingen indien zich problemen voordoen bij het verstrekken van die informatie;
  • in uitzonderingsgevallen, het toezenden van verzoeken uit het buitenland aan de bevoegde gerechten.

Vorm en inhoud van de verzoeken

Verzoeken moeten ingediend worden via de standaardformulieren die in de verordening worden voorgeschreven en moeten gegevens bevatten zoals naam en adres van de partijen, de aard en het onderwerp van de rechtszaak, het gevraagde onderzoek enz.

Het verzoek moet worden gesteld in de officiële taal van het aangezochte gerecht of in een andere taal die de aangezochte lidstaat aanvaardt.

Uitvoering

Het verzoek wordt behandeld volgens het nationale recht van de aangezochte lidstaat. Binnen negentig dagen na ontvangst moet gevolg zijn gegeven aan het verzoek.

De uitvoering van een verzoek kan slechts worden geweigerd indien:

  • het verzoek niet binnen de werkingssfeer van deze verordening valt (het gaat bijvoorbeeld om een strafzaak en niet om een burgerlijke of handelszaak);
  • de behandeling van het verzoek niet onder de bevoegdheid van gerechtelijke instanties valt;
  • het verzoek onvolledig is;
  • de persoon die moet worden verhoord zich beroept op een recht of een verbod om getuigenis af te leggen;
  • er geen consignatie of voorschot is betaald voor de kosten verbonden aan het inschakelen van een deskundige.

Indien de behandeling van een verzoek wordt geweigerd, deelt het aangezochte gerecht dit mede aan het verzoekende gerecht binnen 60 dagen na ontvangst van het verzoek.

Indien dit mogelijk is volgens het nationale recht van de lidstaat van het verzoekende gerecht kunnen vertegenwoordigers van dat gerecht aanwezig zijn wanneer het aangezochte gerecht de gevraagde gerechtelijke handeling verricht. Hetzelfde geldt voor de partijen en hun eventuele vertegenwoordigers.

De verordening belet twee of meer lidstaten niet overeenkomsten te handhaven of te sluiten ter verdere bespoediging of vergemakkelijking van de behandeling van verzoeken om het verrichten van gerechtelijke handelingen.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 1206/2001

1.7.2001

PB L 174, 27.6.2001

GERELATEERDE BESLUITEN

Verslag van de Commissie van 5 december 2007 aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité inzake de toepassing van Verordening (EG) nr. 1206/2001 van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de samenwerking tussen de gerechten van de lidstaten op het gebied van bewijsverkrijging in burgerlijke en handelszaken [COM(2007) 769 definitief– Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
Volgens de Commissie zijn de twee belangrijkste doelstellingen van de verordening (de vereenvoudiging van de samenwerking tussen lidstaten en de bespoediging van de bewijsverkrijging) voldoende bereikt. Er zullen echter bepaalde maatregelen genomen moeten worden om de werking van de verordening te verbeteren, met name:

  • rechtspractici meer vertrouwd maken met de verordening;
  • de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de termijn van negentig dagen voor de uitvoering van verzoeken in acht wordt genomen;
  • moderne technologieën, met name videoconferenties, beter benutten.
Laatste wijziging: 22.12.2011

Zie ook

  • Website van het Directoraat-generaal Justitie - bewijsverkrijging (EN)
  • Europese justitiële atlas - bewijsverkrijging
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven