RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Bevoegdheid, erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (“Brussel I”)

Deze verordening regelt de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken binnen de lidstaten van de Europese Unie (EU).

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad van 22 december 2000 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

De verordening regelt de bevoegdheid van de gerechten in burgerlijke en handelszaken. Zij bepaalt dat in een lidstaat van de Europese Unie gegeven beslissingen, behoudens betwisting, zonder bijzondere procedures in de andere lidstaten moeten worden erkend. De verklaring met betrekking tot de uitvoerbaarheid van een beslissing dient te worden afgegeven na een louter formele controle van de overgelegde documenten. In de verordening worden gronden voor niet-uitvoering vastgesteld, maar gerechtelijke instanties kunnen deze ambtshalve niet aanvoeren. De verordening heeft geen betrekking op fiscale aangelegenheden, douanezaken of administratiefrechtelijke kwesties, noch op de volgende gebieden:

  • de staat en de bevoegdheid van natuurlijke personen, het huwelijksgoederenrecht, testamenten en erfenissen;
  • faillissementen;
  • de sociale zekerheid;
  • de arbitrage.

Algemene bepaling inzake bevoegdheid

Het hoofdbeginsel is dat de bevoegde rechter die van de lidstaat is waar de verweerder zijn/haar woonplaats heeft, ongeacht zijn/haar nationaliteit. De woonplaats wordt vastgesteld aan de hand van de wetgeving van de lidstaat van de aangezochte rechtbank. Wanneer een partij geen woonplaats heeft in een lidstaat waar de rechtbanken worden aangezocht, dient de rechter de wetgeving van een andere lidstaat toe te passen om vast te stellen of de partij haar woonplaats in die lidstaat heeft. De woonplaats van rechtspersonen of vennootschappen wordt bepaald op grond van de plaats waar zich hun statutaire zetel, hun hoofdbestuur of hun hoofdvestiging bevindt. De woonplaats van een trust wordt bepaald door de rechter van de lidstaat waar de zaak aanhangig is gemaakt, op basis van de regels van het voor hem geldende internationaal privaatrecht *.

De verweerder in een andere lidstaat oproepen

Niettegenstaande het grondbeginsel inzake bevoegdheid kan de verweerder onder bepaalde omstandigheden voor rechtbanken in een andere lidstaat worden opgeroepen. Dit is het geval in het kader van de bevoegdheden die zijn opgesomd in de verordening: bijzondere of exclusieve bevoegdheid alsook bevoegdheid op het gebied van verzekeringszaken, door consumenten gesloten overeenkomsten en individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomsten.

De bijzondere bevoegdheid van de gerechten omvat bijvoorbeeld:

  • de verbintenissen (gewoonlijk het gerecht van de plaats waar de verbintenis is uitgevoerd of moet worden uitgevoerd);
  • de onderhoudsverplichtingen (gewoonlijk het gerecht van de plaats waar de tot onderhoud gerechtigde verblijfplaats heeft);
  • verbintenissen uit onrechtmatige daad (het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan).

Op het gebied van verzekeringszaken kan de verzekeraar worden opgeroepen voor de gerechten van de lidstaat waar hij of zij woonplaats heeft of van de lidstaat waar de eiser woonplaats heeft indien het een vordering van de verzekeringnemer, de verzekerde of een begunstigde betreft. Indien het geschil een aansprakelijkheidsverzekering of een verzekering van onroerend goed betreft, kan de verzekeraar worden opgeroepen voor het gerecht van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan.

In de verordening zijn ook bepalingen opgenomen betreffende de bevoegdheid voor door consumenten gesloten overeenkomsten. “Consumenten” zijn personen die met iemand uit het beroep een overeenkomst sluiten voor andere dan bedrijfs- of beroepsmatige doeleinden. Alle tussen consumenten gesloten overeenkomsten met personen die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooien op het grondgebied van de EU vallen hieronder, behoudens overeenkomsten waarbij voor één enkele prijs zowel vervoer als verblijf worden aangeboden. Afgezien van koop en verkoop op afbetaling van roerende lichamelijke zaken, leningen op afbetaling en andere krediettransacties ter financiering van de verkoop van zulke zaken, wordt de bescherming voor de consument alleen gewaarborgd indien de overeenkomst gesloten is met een persoon die commerciële of beroepsactiviteiten ontplooit in de lidstaat waar de consument woonplaats heeft of dergelijke activiteiten op die lidstaat richt. Een consument kan een rechtsvordering instellen voor het gerecht van de lidstaat op het grondgebied waar de verweerder woonplaats heeft of voor het gerecht van de lidstaat waar de consument (de eiser) woonplaats heeft. Rechtsvorderingen die door de wederpartij bij de overeenkomst tegen een consument worden ingesteld, kunnen uitsluitend aanhangig worden gemaakt bij de gerechten van de lidstaat waarin de consument woonplaats heeft.

Voor individuele verbintenissen uit arbeidsovereenkomst kunnen werknemers hun werkgever oproepen voor het gerecht van de lidstaat waar laatstgenoemde woonplaats heeft of voor het gerecht van de lidstaat waarin de werknemers gewoonlijk hun werkzaamheden verrichten. Wanneer werknemers hun werkzaamheden niet gewoonlijk in eenzelfde land verrichten, kunnen zij hun werkgever oproepen voor het gerecht van de plaats waar zich de vestiging bevindt die hen in dienst heeft genomen. Werkgevers die hun woonplaats niet in een lidstaat hebben, maar er wel een filiaal, een agentschap of een andere vestiging hebben, worden geacht hun woonplaats in deze lidstaat te hebben. Werkgevers kunnen tegen werknemers uitsluitend een vordering indienen voor het gerecht van de plaats waar de werknemers woonplaats hebben.

Ongeacht de woonplaats hebben de hieronder vermelde gerechten exclusieve bevoegdheid over vorderingen betreffende:

  • zakelijke rechten op huur of verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen (het gerecht van de lidstaat waar het onroerend goed zich bevindt is bevoegd);
  • de geldigheid, de nietigheid of de ontbinding van vennootschappen of rechtspersonen dan wel van de besluiten van hun organen (het gerecht waar de rechtspersoon gevestigd is);
  • de geldigheid van inschrijvingen in openbare registers (het gerecht van de lidstaat waar deze registers worden gehouden);
  • de registratie of de geldigheid van octrooien, merken, tekeningen en modellen van nijverheid, en andere soortgelijke rechten (de gerechten van de lidstaat op het grondgebied waarvan deponering of registratie is verzocht of heeft plaatsgehad in de zin van een besluit van de Unie of een internationale overeenkomst);
  • de tenuitvoerlegging van beslissingen (de gerechten van de lidstaat van de plaats van tenuitvoerlegging).

Wanneer partijen, waarvan ten minste één met woonplaats op het grondgebied van de EU, een overeenkomst hebben gesloten met een bepaling betreffende de rechtskeuze *, is het door de partijen bepaalde gerecht bevoegd. In de verordening zijn bepaalde formaliteiten voorgeschreven met betrekking tot een dergelijke overeenkomst tot aanwijzing van een bevoegd gerecht: zij dient schriftelijk te worden gesloten dan wel in een vorm die wordt toegelaten door de handelwijzen die de partijen zijn overeengekomen of, in de internationale handel, in een vorm die overeenstemt met een gewoonte waarvan de partijen op de hoogte zijn.

Evenzeer zijn er bepalingen op het gebied van medeverweerders, bij een vordering tot vrijwaring of bij een vordering tot voeging of tussenkomst, ten aanzien van een tegenvordering, alsmede ten aanzien van een verbintenis uit overeenkomst, indien de vordering vergezeld kan gaan van een zakelijke vordering betreffende een onroerend goed.

In de verordening is tevens voorzien in een mechanisme voor aanhangigheid (lis pendens) en samenhang.

Erkenning en tenuitvoerlegging

De in een lidstaat gegeven beslissingen worden in de andere lidstaten erkend, zonder dat tot een aanvullende procedure hoeft te worden overgegaan. In de verordening wordt onder "beslissing" elke beslissing verstaan die door een gerecht van een lidstaat is gegeven, ongeacht de daaraan gegeven benaming, zoals arrest, vonnis, beschikking of rechterlijk dwangbevel. In geen geval wordt overgegaan tot een onderzoek van de juistheid van de in den vreemde gegeven beslissing.

Een beslissing wordt niet erkend indien:

  • de erkenning kennelijk strijdig is met de openbare orde van de aangezochte lidstaat;
  • het stuk dat het geding inleidt niet zo tijdig en op zodanige wijze als met het oog op zijn/haar verdediging nodig was, aan de verweerder was meegedeeld;
  • de beslissing onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen in de aangezochte lidstaat gegeven beslissing;
  • de beslissing onverenigbaar is met een beslissing die vroeger in een andere lidstaat of in een derde land tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust.

Een gerecht kan zijn uitspraak aanhouden indien tegen een in een andere lidstaat gegeven beslissing een gewoon rechtsmiddel is ingesteld.

De beslissingen worden in een andere lidstaat ten uitvoer gelegd nadat zij aldaar, ten verzoeke van iedere belanghebbende partij, uitvoerbaar zijn verklaard. Partijen kunnen tegen de beslissing met betrekking tot het verzoek om een verklaring van uitvoerbaarheid, beroep aantekenen.

Het vervangen van het Verdrag van Brussel van 1968

De verordening komt in de plaats van het Verdrag van Brussel van 1968 dat voorafgaande aan de inwerkingtreding van de verordening tussen de lidstaten van toepassing was. Het Verdrag blijft evenwel van toepassing op de grondgebieden van de lidstaten die onder zijn territoriale werkingssfeer vallen en die zijn uitgesloten van de onderhavige verordening krachtens artikel 299 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (het huidige artikel 355 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie). In de verordening wordt ook een reeks tussen de lidstaten gesloten overeenkomsten en verdragen vermeld die door deze verordening worden vervangen.

Ook na de inwerkingtreding van de onderhavige verordening blijft de gerechtelijke bevoegdheid tussen Denemarken en de andere lidstaten geregeld volgens het Verdrag van Brussel van 1968. Deze uitzondering voor Denemarken berust op Protocol nr. 5 over de positie van Denemarken van 1997 (het huidige Protocol nr. 22), dat aan de verdragen is gehecht. Op 19 oktober 2005 heeft de EU met Denemarken een overeenkomst ondertekend betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, waarin de bepalingen van de onderhavige verordening tot dit land werden uitgestrekt. De overeenkomst werd op 27 april 2006 namens de EU goedgekeurd bij Besluit 2006/325/EG van de Raad. De overeenkomst trad in werking op 1 juli 2007.

Zoals bepaald in het aan de verdragen gehechte protocol over de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland hebben de twee genoemde landen uitdrukking gegeven aan hun wens om deel te nemen aan de aanneming en toepassing van deze verordening.

Belangrijkste begrippen
  • Het internationaal privaatrecht geeft regels voor het internationale aspect van privaatrechtelijke zaken (familierecht, verbintenissenrecht, enz.). Het internationaal privaatrecht staat synoniem voor dat deel van het nationale recht van de staten waarin wordt voorgeschreven welke (buitenlandse of nationale) wet in een welbepaald geval van toepassing is.
  • De rechtskeuze is een algemeen beginsel van het internationaal privaatrecht waarin het partijen bij een verbintenis ingeval van betwisting mogelijk gemaakt wordt een gerecht aan te wijzen dat uit hoofde van objectieve aanknopingspunten wellicht niet bevoegd zou zijn.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 44/2001

1.3.2002

-

L 12, 16.1.2001

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 1791/2006

1.1.2007

-

L 363, 20.12.2006

Verordening (EG) nr. 1103/2008

4.12.2008

-

L 304, 14.11.2008

De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Verordening nr. 44/2001 zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.

GERELATEERDE BESLUITEN

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité over de toepassing van Verordening (EG) nr. 44/2001 van de Raad betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken [COM(2009) 174 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].

Verordening (EG) nr. 2201/2003 van de Raad betreffende de bevoegdheid en de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen in huwelijkszaken en inzake de ouderlijke verantwoordelijkheid [Publicatieblad L 338 van 23.12.2003].
Deze verordening betreft de burgerrechtelijke procedures met betrekking tot echtscheiding, scheiding van tafel en bed en nietigverklaring van het huwelijk alsmede alle aangelegenheden betreffende de ouderlijke verantwoordelijkheid. Van de werkingssfeer van deze verordening zijn uitgesloten de burgerrechtelijke procedures betreffende onderhoudsverplichtingen, die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 4/2009 vallen.

Laatste wijziging: 03.05.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven