RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Voorwaarden om in aanmerking te komen voor de vluchtelingenstatus en de internationale beschermingsstatus

Deze richtlijn stelt de voorwaarden vast die onderdanen van niet-EU-landen of staatlozen dienen te vervullen om in aanmerking te komen als vluchteling of als persoon die om uiteenlopende redenen internationale bescherming behoeft. Daarnaast bepaalt de richtlijn welke de inhoud is van de te verlenen bescherming.

BESLUIT

Richtlijn 2004/83/EG van de Raad van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming.

SYNTHESE

Tijdens de Europese Raad van Tampere in oktober 1999 hebben de landen van de Europese Unie (EU) zich ertoe verbonden een Gemeenschappelijk Europees asielstelsel (CEAS) in te voeren dat gebaseerd is op de integrale toepassing van het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen, zoals aangevuld door het Protocol van New York van 1967, en zo het verbod tot uitzetting of terugleiding te handhaven en te garanderen dat niemand wordt teruggestuurd naar het land waar hij het gevaar loopt opnieuw te worden vervolgd. De totstandbrenging van een gemeenschappelijk Europees asielstelsel omvat op korte termijn de harmonisatie van de bepalingen inzake de erkenning en de inhoud van de vluchtelingenstatus.

Algemene bepalingen

Deze richtlijn definieert de minimumnormen voor de opvang of subsidiaire bescherming van onderdanen van niet-EU-landen en staatlozen, en de inhoud van de te verlenen bescherming.

De richtlijn is van toepassing op ieder verzoek dat aan de grens of op het grondgebied van een EU-land wordt ingediend. Voorts blijven de EU-landen vrij om gunstiger normen vast te stellen of in stand te houden.

Voorwaarden voor internationale bescherming

Iedere onderdaan van een niet-EU-land en staatloze die zich buiten zijn land van herkomst bevindt en die weigert naar dat land terug te keren of niet kan terugkeren omdat hij vreest te worden vervolgd, kan verzoeken om toekenning van de status van vluchteling. De aanvragers die niet voldoen aan de nodige voorwaarden om in aanmerking te komen voor de status van vluchteling kunnen om subsidiaire bescherming verzoeken.

Teneinde de verzoeken correct te kunnen beoordelen moeten de EU-landen rekening houden met:

  • alle relevante feiten in verband met het land van herkomst op het tijdstip waarop een beslissing inzake de aanvraag wordt genomen, met inbegrip van de wetten en besluiten van het land van herkomst en de wijze waarop zij worden toegepast;
  • de relevante documenten of verklaringen van de verzoeker of hij/zij mogelijks werd vervolgd of schade heeft ondervonden;
  • het feit dat er een ernstige aanwijzing is van een gegronde vrees voor vervolging of reëel risico op schade in gevallen waarin de verzoeker reeds werd vervolgd, bedreigd of ernstige en ongerechtvaardigde schade heeft ondervonden;
  • zijn individuele situatie (verleden, leeftijd, geslacht, handelingen waarmee de verzoeker werd geconfronteerd of kan geconfronteerd worden, en die kunnen leiden tot vervolging of ernstige schade, enz.);
  • iedere activiteit die door de verzoeker werd uitgeoefend sedert zijn vertrek uit het land van herkomst.

De EU-landen moeten rekening houden met de oorsprong van de bedreiging.
In dit geval kan de bedreiging uitgaan van:

  • de staat;
  • partijen of organisaties die de staat beheersen;
  • niet-overheidsactoren voor zover de staat niet in de gelegenheid of niet bereid is daadwerkelijk bescherming te bieden.

Voor de toepassing van deze richtlijn kan bescherming "van staatswege" eveneens worden geboden door partijen of organisaties, met inbegrip van internationale organisaties die een regio of een belangrijk deel van het grondgebied van de staat beheersen.

Wanneer zij hebben vastgesteld dat de vrees voor vervolging of de blootstelling aan andere ernstige en onrechtvaardige schade gegrond is, kunnen de EU-landen nagaan of deze vrees duidelijk beperkt is tot een specifiek deel van het grondgebied van het land van herkomst en, indien dit het geval is, of de verzoeker redelijkerwijze kan worden teruggezonden naar een ander deel van dat land ten aanzien waarvan er geen gegronde vrees voor vervolging of blootstelling aan andere ernstige of ongerechtvaardigde schade bestaat.

Bijzondere regels betreffende de vluchtelingenstatus

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt aangenomen dat "vervolging" bepaalde handelingen omvat die leiden tot een ernstige schending van de grondrechten van de mens, die wegens de aard of het herhaaldelijk voorkomen, als die gebaseerd zijn op grond van ras, godsdienst, nationaliteit, lidmaatschap tot een bepaalde sociale groep of politieke overtuiging:

  • fysiek of geestelijk geweld, met inbegrip van seksueel geweld;
  • wettelijke, administratieve, politiële of gerechtelijke maatregelen die discriminerend is of die op discriminerende wijze ten uitvoer worden gelegd;
  • vervolging of bestraffing die buiten verhouding of discriminerend is of wegens het weigeren van de legerdienst die extreme misdrijven omvat zoals oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de menselijkheid;
  • ontneming van de toegang tot rechtsmiddelen, waardoor een onevenredig zware of discriminerende straf wordt opgelegd;
  • daden van genderspecifieke of kindspecifieke aard.

Het doet niet terzake of de verzoeker de kenmerken vertoont die aanleiding geven tot discriminatie indien deze kenmerken hem of haar worden toegeschreven door de instantie waarvan de vervolging uitgaat. Het doet evenmin terzake of de verzoeker afkomstig is uit een land waarin een groot deel van de bevolking of de gehele bevolking blootstaat aan het gevaar van algemene onderdrukking.

Vluchtelingen kunnen hun status van vluchteling in bepaalde gevallen verliezen (verwerving van een nieuwe nationaliteit, vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst, als de omstandigheden in het land van herkomst niet meer bestaan of zich dermate hebben ontwikkeld dat deze bescherming niet meer nodig is, enz.). Hoe dan ook dient het EU-land te kunnen bewijzen dat de vluchteling niet meer voldoet aan de voorwaarden om internationale bescherming te genieten.

De vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus kunnen worden geweigerd aan personen die zich schuldig hebben gemaakt aan:

  • een oorlogsmisdrijf, een misdrijf tegen de menselijkheid of tegen de vrede;
  • een ernstig niet-politiek misdrijf;
  • handelingen die in strijd zijn met de beginselen van de Verenigde Naties (VN).

De EU-landen moeten deze gevallen echter individueel evalueren en ervoor zorgen dat de verzoeker een beroep kan instellen tegen een beslissing tot uitsluiting van internationale bescherming.

Specifieke voorwaarden voor de toekenning van subsidiaire bescherming

De richtlijn stelt dat EU-landen een subsidiaire beschermingsstatus moeten toekennen aan de verzoekers van internationale bescherming, die niet in het land van herkomst wonen en die er niet naar kunnen terugkeren wegens een reëel risico op ernstige schade zoals:

  • foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing;
  • doodstraf of executie;
  • ernstige en individuele bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict.

De subsidiaire bescherming kan worden beëindigd indien de omstandigheden in het land van herkomst niet meer bestaan of zich dermate hebben ontwikkeld dat deze bescherming niet meer nodig is.

De aan de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus gebonden rechten

De EU-landen verbinden zich ertoe bijzondere aandacht te besteden aan bepaalde categorieën personen (minderjarigen, niet-begeleide minderjarigen, gehandicapten, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen, slachtoffers van foltering, verkrachting of andere ernstige vormen van geestelijk, fysiek of seksueel geweld).

Overeenkomstig een aantal voorwaarden bepaald door de EU-landen, genieten de familieleden van een persoon met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus dezelfde rechten als deze persoon in kwestie.

Overeenkomstig deze richtlijn moeten de EU-landen aan personen met de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus een hele reeks rechten garanderen met name:

  • het recht op bescherming tegen terugleiding en uitzetting;
  • het recht op voorlichting in een voor hen begrijpelijke taal;
  • het recht op een verblijfstitel die ten minste drie jaar geldig is en kan worden verlengd, voor vluchtelingen, en op een verblijfstitel die ten minste één jaar geldig is en kan worden verlengd, voor personen met de subsidiaire beschermingsstatus;
  • het recht te reizen binnen het land dat de status heeft erkend en het recht om buiten het land te reizen;
  • het recht om een beroepsactiviteit uit te oefenen als werknemer of zelfstandige, alsmede de mogelijkheid om toegang te krijgen tot beroepsopleiding;
  • de toegang tot het onderwijs voor kinderen en tot beroepsopleiding voor volwassenen;
  • de toegang tot de gezondheids- en psychologische zorg en iedere andere vorm van steunverlening, in het bijzonder voor de categorieën met specifieke behoeften (minderjarigen, slachtoffers van foltering, verkrachting of andere vormen van mentaal, fysiek of seksueel geweld, enz.);
  • de toegang tot passende huisvesting;
  • de toegang tot programma's ter vergemakkelijking van de integratie in het gastland en de programma's voor vrijwillige repatriëring naar het land van herkomst.

REFERENTIES

MaatregelDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Richtlijn 2004/83/EG

20.10.2004

10.10.2006

L 304 van 30.9.2004

GERELATEERDE BESLUITEN

Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 16 juni 2010 over de toepassing van Richtlijn 2004/83/EG van 29 april 2004 inzake minimumnormen voor de erkenning van onderdanen van derde landen en staatlozen als vluchteling of als persoon die anderszins internationale bescherming behoeft, en de inhoud van de verleende bescherming [COM(2010) 314 definitief – Niet in het Publicatieblad verschenen].
Dit verslag geeft een overzicht van de omzetting en toepassing van Richtlijn 2004/83/EG door de EU-landen en signaleert mogelijke problemen als gevolg daarvan.
Hoewel bepaalde EU-landen de termijn voor de omzetting van de richtlijn in nationale wetgeving, werd het intussen door alle EU-landen omgezet. Een aantal voorschriften werden echter onjuist of slechts gedeeltelijk omgezet, alsook lagere normen dan in de richtlijn bepaald. Bijgevolg is er een groot verschil in de manier waarop de EU-landen bescherming toekennen en in de inhoud van die bescherming.
Zo hebben er zich problemen voorgedaan bij de omzetting van de volgende bepalingen inzake de toekenning van internationale bescherming:

  • lijst van elementen waar rekening mee moet worden gehouden bij de beoordeling van verzoeken;
  • actoren van vervolging;
  • voorwaarden om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming;
  • beëindiging en uitsluiting van de bescherming, en de bewijslast bij de EU-landen om hun redenen hiertoe aan te geven.

Anderzijds hebben bijna alle EU-landen de bepalingen inzake actoren van bescherming en vervolging of redenen tot vervolging omgezet.
Wat de inhoud van de verleende bescherming betreft, hebben een aantal EU-landen de bepalingen voor kwetsbare personen en minderheden en toegang tot informatie, gezondheidszorg en integratievoorzieningen niet kunnen omzetten. De voorziening van non-refoulement werd door alle EU-landen omgezet. Bovendien kennen een aantal EU-landen verblijfstitels toe die langer geldig zijn dan vastgesteld in de richtlijn en bieden toegang tot de arbeidsmarkt.
De verschillen in de toepassing door de EU-landen is, in zekere mate, het gevolg van de vage en dubbelzinnige karakter van sommige bepalingen in de richtlijn, zoals actoren van bescherming en internationale bescherming, wat enkel kan worden verholpen door een wijziging van de relevante bepalingen.
Kortom, de doelstelling met betrekking tot een harmonisatie van de toekenning en status van personen die internationale bescherming genieten en van de inhoud van de verleende bescherming is nog niet volledig bereikt.

Laatste wijziging: 19.10.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven