RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


De status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen

De Europese Unie (EU) kent een Europese status van langdurig ingezetene toe aan onderdanen van derde landen die legaal en gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar op het grondgebied van een EU-land hebben verbleven. De richtlijn stemt ook de nationale wetgevingen en praktijken op het gebied van de toekenning van die status op elkaar af en stelt de voorwaarden vast voor verblijf in andere EU-landen dan het land dat de status van langdurig ingezetene heeft toegekend.

BESLUIT

Richtlijn 2003/109/EG van de Raad van 25 november 2003 betreffende de status van langdurig ingezeten onderdanen van derde landen.

SAMENVATTING

Met de verwezenlijking van een uniforme status voor langdurig ingezeten onderdanen van derde landen * zorgt de richtlijn voor de onderlinge afstemming van de wetgevingen van de landen van de Europese Unie (EU) en voor een eerlijke behandeling op het hele Europese grondgebied, ongeacht het EU-land van verblijf.

De richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van derde landen die legaal op het grondgebied van een EU-land verblijven. Bepaalde categorieën van personen vallen buiten de werkingssfeer van de richtlijn wegens hun onzekere situatie of de korte duur van hun verblijf (vluchtelingen, asielzoekers over wie nog geen beslissing is genomen, seizoensarbeiders of gedetacheerde werknemers voor grensoverschrijdende dienstverlening, personen die tijdelijke bescherming of subsidiaire vormen van bescherming genieten, studenten en personen die zijn toegelaten om een beroepsopleiding te volgen).

De EU-landen moeten bij de toepassing van de richtlijn toezien op de naleving van het non-discriminatiebeginsel overeenkomstig artikel 10 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en artikel 21 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

De status van langdurig ingezetene

De EU-landen moeten de status van langdurig ingezetene erkennen na een legaal en ononderbroken verblijf van vijf jaar. Afwezigheid gedurende perioden van maximaal zes opeenvolgende maanden (en in totaal niet meer dan tien maanden gedurende die termijn van vijf jaar) of om specifieke redenen die in de nationale wetgeving worden vermeld (bijvoorbeeld militaire verplichtingen, detachering in verband met het werk, ernstige ziekte, zwangerschap, onderzoekswerkzaamheden of studies), wordt niet in aanmerking genomen bij de berekening van de duur van het verblijf.

Om de status van langdurig ingezetene te verkrijgen, dienen onderdanen van derde landen het bewijs te leveren dat zij voor zichzelf en hun gezin (indien dit te hunnen laste komt) beschikken over:

  • stabiele en voldoende inkomsten om in zijn levensonderhoud te voorzien zonder te moeten terugvallen op het socialezekerheidssysteem van het betrokken EU-land;
  • een ziektekostenverzekering.

De EU-landen mogen van onderdanen van derde landen eisen dat zij aan aanvullende integratievoorwaarden voldoen (zoals het voldoende beheersen van een nationale taal van het EU-land in kwestie).

De EU-landen kunnen de status weigeren om redenen van openbare orde of veiligheid.

De bevoegde instantie dient over het verzoek om toekenning van de status van langdurig ingezetene te beslissen binnen een termijn van zes maanden vanaf de indiening van het verzoek. Beslissingen om het verzoek te verwerpen moeten, overeenkomstig de procedures van het nationaal recht, schriftelijk en met redenen omkleed, aan de betrokkene worden medegedeeld en moeten daarbij ook de beroepsmogelijkheden die voor de betrokkene openstaan en de termijn waarbinnen daarvan gebruik moet worden gemaakt, vermelden. De langdurig ingezetene krijgt een voor alle EU-landen gestandaardiseerde permanente verblijfsvergunning die minstens vijf jaar geldig is en automatisch kan worden verlengd.

De status van langdurig ingezetene kan slechts worden ingetrokken onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden (afwezigheid van het Europese grondgebied gedurende meer dan 12 opeenvolgende maanden, frauduleuze verwerving van de status of een verwijderingsmaatregel tegen de betrokken persoon).

Personen die de status van langdurig ingezetene hebben verkregen, worden op dezelfde manier behandeld als de nationale onderdanen, met name op het gebied van:

  • toegang tot werk als werknemer of zelfstandige, en de arbeidsvoorwaarden (wekelijkse rusttijden, hygiëne, jaarlijkse vakantie, salariëring, voorwaarden voor ontslag);
  • onderwijs en beroepsopleiding, erkenning van diploma's en studiebeurzen;
  • sociale bescherming (kinderbijslag, ouderdomspensioen, enz.) en medische zorg;
  • sociale bijstand (bestaansminimum, minimum ouderdomspensioen, gratis medische zorg, enz.);
  • sociale en fiscale voordelen en toegang tot goederen en diensten;
  • vrijheid van vereniging en aansluiting bij een vakbond, alsook vrijheid van vertegenwoordiging van een vakbond of organisatie;
  • vrije toegang tot het hele grondgebied van het betrokken EU-land.

In bepaalde gevallen mogen EU-landen de gelijke behandeling inzake de toegang tot werk en onderwijs beperken (bijvoorbeeld door een bewijs van een passende taalvaardigheid te vragen). De EU-landen kunnen, als het om sociale bijstand en bescherming gaat, de gelijke behandeling beperken tot de belangrijkste prestaties. Het staat hen evenwel vrij een gelijke behandeling te voorzien voor aanvullende prestaties en op andere gebieden.

Personen aan wie de status van langdurig ingezetene is toegekend, genieten extra bescherming tegen iedere beslissing tot uitzetting. Gedrag dat uitzetting rechtvaardigt, dient een reële en voldoende ernstige bedreiging voor de openbare orde of de openbare veiligheid te vormen. Economische redenen kunnen in geen geval een dergelijk besluit rechtvaardigen. De EU-landen verbinden zich ertoe met specifieke elementen rekening te houden alvorens te beslissen een langdurig ingezetene uit te zetten (leeftijd van de persoon, duur van het verblijf, enz.).

De bepalingen van deze richtlijn zijn van toepassing onverminderd de mogelijkheid voor een EU-land om een permanente verblijfsvergunning onder gunstiger voorwaarden dan die van de richtlijn toe te kennen. Deze verblijfsvergunningen verschaffen echter geen toegang tot het recht op verblijf in de andere EU-landen.

Recht van verblijf in de andere EU-landen

Langdurig ingezetenen kunnen voor een periode van meer dan drie maanden hun recht op verblijf uitoefenen in een ander EU-land dan dat waar de status is toegekend, mits dat om een van de volgende redenen gebeurt:

  • om een economische activiteit uit te oefenen als werknemer of als zelfstandige;
  • om een studie of beroepsopleiding te volgen;
  • om andere redenen.

De EU-landen mogen echter grenzen stellen aan het totale aantal verblijfsvergunningen indien deze grenzen voor de toelating van onderdanen van derde landen reeds in hun bestaande wetgeving waren vastgelegd op het tijdstip van de vaststelling van deze richtlijn. Zij kunnen om redenen van arbeidsmarktbeleid ook de voorkeur geven aan EU-burgers.

De bovengenoemde voorwaarden hebben geen betrekking op werknemers die worden gedetacheerd met het oog op het verrichten van grensoverschrijdende diensten noch op de verleners van grensoverschrijdende diensten.

Bij de indiening van het verzoek om een verblijfsvergunning kunnen de bevoegde autoriteiten van het tweede EU-land * vragen dat bepaalde documenten worden voorgelegd (zoals de verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen, een identiteitsbewijs, een arbeidsovereenkomst, documentatie met betrekking tot passende huisvesting, enz.) en dat bewijs wordt geleverd van de beschikbaarheid van vaste en regelmatige inkomsten en van een ziektekostenverzekering.

De gezinsleden * van de langdurig ingezetenen kunnen hen in het tweede EU-land vergezellen of zich bij hen voegen op voorwaarde dat zij reeds in het eerste EU-land * een gezin vormden. In het tegenovergestelde geval is Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging van toepassing.

Het tweede EU-land kan de verblijfsvergunning enkel weigeren indien de openbare orde, de openbare veiligheid of de volksgezondheid in gevaar komt. In dat laatste geval biedt de richtlijn de EU-landen de mogelijkheid een medisch onderzoek te eisen om zeker te zijn dat de onderdanen van derde landen niet lijden aan de ziekten die in het ontvangende land onder preventieve bepalingen vallen. De richtlijn voorziet voorts in een reeks garanties met betrekking tot de procedure, zoals de termijn voor de behandeling van de aanvraag van een verblijfsvergunning, de kennisgeving, de beroepsmogelijkheden en de voorwaarden voor uitzetting.

Zodra langdurig ingezetenen het grondgebied van het tweede EU-land betreden, genieten zij onder dezelfde voorwaarden als de nationale onderdanen dezelfde rechten als in het eerste EU-land.

Langdurig ingezetenen die in het tweede EU-land wonen, behouden hun status in het eerste EU-land tot zij dezelfde status hebben verworven in het tweede EU-land. Nadat zij vijf jaar legaal op het grondgebied van het tweede EU-land hebben verbleven, kunnen zij desgewenst een verzoek indienen om als langdurig ingezetene in het betrokken EU-land te worden beschouwd.

In het algemeen is het eerste EU-land verplicht langdurig ingezetenen van wie het tweede EU-land de verblijfsvergunning heeft ingetrokken, alsmede hun gezinsleden, terug te nemen.

Context

Tijdens de Europese Raad van Tampere op 15 en 16 oktober 1999 hebben de EU-landen benadrukt dat onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven billijk moeten worden behandeld. Zij hebben met name bepaald dat iedere onderdaan van een derde land die gedurende een bepaalde periode in een EU-land heeft verbleven, een aantal uniforme rechten moet verkrijgen die zo dicht mogelijk bij de rechten van de EU-burgers aanleunen (punt 21 van de conclusies van Tampere). De richtlijn heeft ook tot doel de toepassing van artikel 79 VWEU te garanderen door onderdanen van derde landen die legaal in een EU-land verblijven het recht te verlenen om in een ander EU-land te verblijven.

Belangrijkste begrippen
  • Onderdaan van een derde land: iedere persoon die geen burger is van de EU.
  • Langdurig ingezetene: iedere onderdaan van een derde land aan wie de in deze richtlijn bedoelde status van langdurig ingezetene is toegekend.
  • Eerste EU-land: het EU-land dat de status van langdurig ingezetene voor de eerste keer heeft toegekend.
  • Tweede EU-land: ieder ander EU-land dan dat welk de status van langdurig ingezetene voor de eerste keer heeft toegekend en waarin de ingezetene gebruik maakt van zijn recht van verblijf.
  • Gezinsleden: personen die worden aangemerkt als gezinsleden in Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtreding - VervaldatumUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Richtlijn 2003/109/EG

23.1.2004

23.1.2006

L 16, 23.1.2004

Laatste wijziging: 05.05.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven