RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Sancties voor de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen

Deze richtlijn is gericht op de tewerkstelling van onderdanen van derde landen die illegaal in de Europese Unie verblijven, met het oog op de bestrijding van illegale immigratie. Zij strekt tot vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen voor sancties en andere maatregelen (uitsluiting van overheidsuitkeringen, enz.) en, in ernstige gevallen, voor strafrechtelijke sancties tegen werkgevers van de genoemde onderdanen.

BESLUIT

Richtlijn 2009/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 tot vaststelling van minimumnormen inzake sancties en maatregelen tegen werkgevers van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.

SAMENVATTING

De richtlijn verplicht de lidstaten een verbod uit te vaardigen op de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen. Zij strekt tot vaststelling van gemeenschappelijke minimumnormen voor sancties tegen werkgevers die het verbod niet naleven. De lidstaten kunnen beslissen de richtlijn niet toe te passen op illegaal verblijvende onderdanen van derde landen van wie de verwijdering is uitgesteld en die overeenkomstig het nationale recht mogen werken.

Verplichtingen van werkgevers

Werkgevers zijn verplicht:

  • van onderdanen van derde landen te eisen dat zij voor de aanvang van hun werkzaamheden een geldige verblijfsvergunning of andere machtiging tot verblijf voorleggen;
  • voor de duur van de tewerkstelling een afschrift van de verblijfsvergunning of andere verblijfsmachtiging beschikbaar te houden voor eventuele inspectie door de bevoegde instanties van de lidstaten;
  • de bevoegde instanties binnen de door de lidstaat vastgestelde termijn in kennis te stellen van de aanvang van de tewerkstelling van een onderdaan van een derde land.

Voor gevallen waarin de werkgever een natuurlijke persoon is die een onderdaan van een derde land in dienst neemt voor persoonlijke doeleinden, kunnen de lidstaten een vereenvoudigde procedure van kennisgeving vastleggen. De lidstaten kunnen bepalen dat kennisgeving niet vereist is indien aan de onderdaan uit een derde land een vergunning voor langdurig verblijf is verleend.

Sancties

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat inbreuken leiden tot doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties, met inbegrip van:

  • financiële sancties waarvan het bedrag stijgt naargelang het aantal illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen;
  • de betaling van de terugkeerkosten van illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen.

De lidstaten kunnen lagere financiële sancties vaststellen indien de werkgever een natuurlijke persoon is die een illegaal verblijvende onderdaan van een derde land voor persoonlijke doelen in dienst heeft, op voorwaarde dat er geen sprake is van arbeidsgerelateerde uitbuiting.

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat nabetalingen ten laste van de werkgevers zijn, zoals nog verschuldigd loon, met inbegrip van de kosten die samenhangen met de verzending ervan naar het land van herkomst van de werknemer, en socialezekerheidsbijdragen. Voor de berekening van de nabetalingen wordt uitgegaan van een dienstverband van minstens drie maanden, tenzij het tegendeel wordt bewezen.

De lidstaten dienen de nodige mechanismen vast te stellen om te verzekeren dat illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen al het nog verschuldigde loon van hun werkgevers kunnen opeisen. De onderdanen van derde landen moeten worden voorgelicht over hun rechten voordat de terugkeerprocedure wordt uitgevoerd.

De lidstaten dienen er ook voor te zorgen dat werkgevers, indien nodig, ook aan andere maatregelen worden onderworpen, zoals:

  • uitsluiting van het recht op bepaalde of alle overheidsuitkeringen, met inbegrip van EU-financiering, gedurende ten hoogste vijf jaar;
  • uitsluiting van deelname aan overheidsopdrachten gedurende ten hoogste vijf jaar;
  • terugvordering van toegekende uitkeringen gedurende ten hoogste twaalf maanden voorafgaand aan de vaststelling van de illegale tewerkstelling;
  • tijdelijke of definitieve sluiting van de bedrijfsvestiging.

De lidstaten moeten er ook voor zorgen dat, wanneer de werkgever een onderaannemer is, de aannemer van wie de werkgever een rechtstreekse onderaannemer is, naast of in plaats van de werkgever aansprakelijk kan worden gehouden. Een aannemer die gepaste zorgvuldigheid heeft betracht overeenkomstig het nationale recht kan echter niet aansprakelijk worden gehouden. De lidstaten kunnen ook strengere aansprakelijkheidsregels voor onderaanneming vastleggen.

Een opzettelijke inbreuk wordt als strafbaar feit aangemerkt wanneer de werkgever:

  • geen maatregelen treft om de inbreuk te stoppen;
  • een aanzienlijk aantal illegaal verblijvende onderdanen van derde landen tewerkstelt;
  • dergelijke personen uitbuit op de werkplek;
  • slachtoffers van mensenhandel in dienst neemt;
  • minderjarigen illegaal tewerkstelt.

Uitlokking van en hulp en medeplichtigheid aan dergelijke handelingen dienen eveneens strafbaar te worden gesteld als een strafrechtelijk feit.

Strafrechtelijke sancties kunnen gepaard gaan met andere maatregelen, waaronder de publicatie van de gerechtelijke beslissing. Ook rechtspersonen kunnen aansprakelijk worden gesteld.

Klachten en inspecties

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat illegaal tewerkgestelde onderdanen van derde landen rechtstreeks of middels daartoe aangewezen derden een klacht kunnen indienen tegen hun werkgevers. Werknemers die het slachtoffer zijn van arbeidsgerelateerde uitbuiting kunnen op basis van een beoordeling van het individuele geval een verblijfsvergunning krijgen voor de duur van de procedure, op grond van regelingen die vergelijkbaar zijn met de regelingen die zijn vastgesteld in Richtlijn 2004/81/EG betreffende de verblijfstitel die wordt afgegeven aan onderdanen van derde landen die het slachtoffer zijn van mensenhandel en die samenwerken met de bevoegde instanties.

De lidstaten dienen op hun grondgebied doeltreffende en adequate inspecties te verrichten op basis van regelmatige risicobeoordelingen, met het oog op het controleren van de tewerkstelling van illegaal verblijvende onderdanen van derde landen.

Achtergrond

De Commissie heeft deze maatregelen voorgesteld in haar mededeling van 19 juli 2006 inzake de beleidsprioriteiten bij de bestrijding van illegale immigratie. De Europese Raad (15 en 16 december 2006) heeft deze mededeling bekrachtigd en de Commissie verzocht voorstellen in te dienen.

REFERENTIES

Besluit Datum van inwerkingtreding Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht Publicatieblad
Richtlijn 2009/52/EG

20.7.2009

20.7.2011

L 168 van 30.6.2009

Laatste wijziging: 03.12.2009
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven