RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Visumplicht voor onderdanen van derde landen

Deze verordening stelt de lijst van de derde landen vast, waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrens van de Unie in het bezit moeten zijn van een visum of waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld. Het voorziet ook in uitzonderingen op de visumvereisten die lidstaten aan specifieke personen kunnen toekennen.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 539/2001 van de Raad van 15 maart 2001 tot vaststelling van de lijst van derde landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen in het bezit moeten zijn van een visum en de lijst van derde landen waarvan de onderdanen van die plicht zijn vrijgesteld [Zie wijzigingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Deze verordening harmoniseert de visumvereisten * voor onderdanen van derde landen die de EU binnenkomen. Ze voorziet in een gemeenschappelijke lijst van landen waarvan de onderdanen bij overschrijding van de buitengrenzen van een lidstaat in het bezit moeten zijn van een visum (bijlage I).

Verder somt de verordening de landen op, waarvan de onderdanen van de visumplicht zijn vrijgesteld voor een verblijf van maximaal drie maanden (bijlage II). Daarnaast wordt ontheffing verleend van de visumplicht voor:

Optionele uitzonderingen op de visumplicht

Een lidstaat kan uitzonderingen op de visumplicht of op de vrijstelling van de visumplicht vaststellen ten aanzien van:

  • houders van diplomatieke paspoorten, dienst-/officiële paspoorten en speciale paspoorten;
  • civiele vliegtuig- en scheepsbemanningen;
  • vliegend en begeleidend personeel van een hulp- of reddingsvlucht;
  • houders van vrijgeleiden.

De volgende personen mogen eveneens worden vrijgesteld van de visumplicht:

  • scholieren die onderdanen zijn van een derde land waarvan de onderdanen een visum nodig hebben, maar die in een derde land verblijven dat is vrijgesteld van deze plicht of in Zwitserland of Liechtenstein, en met hun scholen reizen in het kader van een schoolreis;
  • erkende vluchtelingen en staatlozen die verblijven in een derde land dat is vrijgesteld van de visumplicht en die in het bezit zijn van een reisdocument van dat land;
  • houders van een identiteitsbewijs van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie en reisopdrachten, evenals leden van de strijdkrachten die in het kader van de NAVO of het Partnerschap voor de Vrede reizen voor vredeondersteunende operaties.

Op de vrijstelling van een visumplicht kan ook een uitzondering worden gemaakt voor personen die tijdens hun verblijf een betaalde activiteit verrichten.

Lidstaten dienen elkaar en de Commissie op de hoogte te houden van elke uitzondering die ze beslissen toe te passen.

Wederkerigheidsbeginsel: inbreuken door een derde land

Als één van de landen waarvan de onderdanen zijn vrijgesteld van de visumplicht (bijlage II), een dergelijke plicht invoert voor de onderdanen van een lidstaat, dan moet die lidstaat de Commissie en de Raad hiervan op de hoogte brengen. Deze kennisgeving wordt vervolgens gepubliceerd in het Publicatieblad van de EU. Daarna moet de Commissie contact opnemen met de autoriteiten van het derde land in kwestie met het oog op een herinvoering van het visumvrij verkeer.

Binnen 90 dagen na publicatie van de kennisgeving dient de Commissie verslag uit te brengen aan de Raad. Ze kan daarbij de tijdelijke herinvoering van een visumplicht voor de onderdanen van het derde land voorstellen. De Raad heeft vervolgens drie maanden de tijd om een beslissing te nemen over het besluit. Als het derde land de visumplicht afvoert, worden alle tijdelijke maatregelen die het opgelegd kreeg, ingetrokken.

In het besluit gebruikte sleutelbegrippen
  • Visum: een door een lidstaat verleende machtiging of genomen besluit, vereist met het oog op:
    1. binnenkomst voor een voorgenomen verblijf in die lidstaat of in verscheidene lidstaten van in totaal maximaal drie maanden;
    2. binnenkomst voor een doorreis over het grondgebied van die lidstaat of van verscheidene lidstaten, met uitzondering van luchthaventransit.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Verordening (EG) nr. 539/2001

10.4.2001

PB L 81 van 21.3.2001

Wijzigingsbesluit(en)InwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Verordening (EG) nr. 2414/2001

1.1.2002

PB L 327 van 12.12.2001

Verordening (EG) nr. 851/2005

25.6.2005

PB L 141 van 4.6.2005

Verordening (EG) nr. 1932/2006

19.1.2007

PB L 405 van 30.12.2006

De opeenvolgende wijzigingen en correcties aan Verordening (EG) nr. 539/2001 zijn in de basistekst verwerkt. Deze geconsolideerde versie is slechts bedoeld ter informatie.

LAATSTE WIJZIGINGEN VAN BIJLAGEN

Bijlage I en II
Verordening (EU) nr. 1211/2010 [PB L 339 van 22.12.2010].

Laatste wijziging: 23.02.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven