RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Kaderbesluit ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie

Archief

Dit kaderbesluit heeft tot doel de wetgeving en de regelgeving van de lidstaten op het gebied van politiële en justitiële samenwerking in strafzaken onderling aan te passen met het oog op de bestrijding van mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie. Het stelt een kader van gemeenschappelijke maatregelen vast op Europees niveau om bepaalde onderwerpen te behandelen, zoals strafbaarstelling, straffen, verzwarende omstandigheden, bevoegdheid en uitlevering.

MAATREGEL

Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad van 22 december 2003 ter bestrijding van seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

SAMENVATTING

Sinds de goedkeuring door de Raad in 1997 van een gemeenschappelijk optreden (castellanodeutschenglishfrançais) ter bestrijding van mensenhandel en seksuele uitbuiting van kinderen zijn de initiatieven zowel op nationaal als op regionaal niveau aanzienlijk uitgebreid. In de conclusies van de Europese Raad van Tampere en in de resolutie van het Europees Parlement van 11 april 2000 wordt evenwel opgeroepen tot de vaststelling van aanvullende bepalingen om bepaalde aspecten van het strafrecht en de strafrechtelijke procedure nader uit te werken. Een kaderbesluit, een door het Verdrag van Amsterdam ingevoerd instrument, zal beter aan deze prioriteiten voldoen.

Artikel 1 van het kaderbesluit bevat de definities van enkele sleutelbegrippen, zoals "kind", "kinderpornografie", "computersysteem" en "rechtspersoon". De Commissie is van oordeel dat het raadzaam is elke persoon jonger dan 18 jaar als kind te beschouwen, zelfs indien deze een zekere mate van volwassenheid heeft bereikt, wat ook in overeenstemming is met het VN-Verdrag inzake de rechten van het kind.

In artikel 2 worden enkele vormen van gedrag genoemd die als onwettig dienen te worden beschouwd als zijnde "misdrijven op het gebied van seksuele uitbuiting van kinderen":

  • een kind dwingen tot prostitutie, daar voordeel uit halen, dan wel anderszins een kind uitbuiten met een dergelijk oogmerk;
  • seksuele activiteiten met een kind ontplooien onder gebruikmaking van een van de volgende middelen:
    - gebruik van dwang, geweld of bedreigingen,
    - geld of andere vormen van beloning aan een kind worden verstrekt voor seksuele diensten,
    - misbruik van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed jegens een kind.

Strafbaar gedrag dat een "misdrijf op het gebied van kinderpornografie" inhoudt, onverschillig of daarbij van een computersysteem gebruik wordt gemaakt of niet, is:

  • vervaardiging van kinderpornografie;
  • verspreiding of toezending van kinderpornografie;
  • aanbieden van of anderszins kinderpornografie beschikbaar stellen;
  • verwerving en bezit van kinderpornografie.

De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat het aanzetten tot het plegen van deze misdrijven of een poging daartoe strafbaar zijn.

Elke lidstaat moet voorzien in "daadwerkelijke, evenredige en afschrikkende" sancties. Voor sommige misdrijven met verzwarende omstandigheden bedraagt de maximale vrijheidsstraf ten minste vijf tot tien jaar. Artikel vijf bevat een lijst van verzwarende omstandigheden, die geen afbreuk doet aan de verzwarende omstandigheden die de wetgeving van de lidstaten vaststelt:

  • het gaat om een kind dat volgens de nationale wetgeving nog niet seksueel meerderjarig is;
  • de dader heeft het leven van het kind opzettelijk of door roekeloosheid in gevaar gebracht;
  • het strafbare feit ging gepaard met ernstige geweldpleging of heeft het kind ernstige schade berokkend;
  • het strafbare feit is gepleegd in het kader van een criminele organisatie zoals omschreven in Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ.

Elke lidstaat kan maatregelen nemen om fysieke personen die schuldig zijn bevonden aan een van de genoemde misdrijven, te verbieden activiteiten uit te voeren die samenhangen met toezicht op kinderen.

Het kaderbesluit introduceert voorts de burgerlijke en strafrechtelijke aansprakelijkheid van rechtspersonen. Deze aansprakelijkheid is een aanvulling op de aansprakelijkheid van de fysieke personen. Rechtspersonen worden aansprakelijk gesteld voor misdrijven die voor hun rekening werden gepleegd door iemand die, handelend in eigen persoon of als lid van een orgaan van een rechtspersoon, in de rechtspersoon een leidende positie bekleedt.

De sancties tegen rechtspersonen dienen "daadwerkelijke, evenredige en afschrikkende" straffen te zijn, die strafrechtelijke en niet-strafrechtelijke boetes behelzen, naast specifieke sancties zoals: tijdelijke of permanente uitsluiting van commerciële activiteiten, rechterlijk bevel tot ontbinding of uitsluiting van aanspraak op openbare uitkeringen of steun.

Om te voorkomen dat een misdrijf ongestraft blijft wegens een bevoegdheidsgeschil introduceert het kaderbesluit criteria voor de toekenning van bevoegdheid. Een lidstaat heeft rechtsbevoegdheid:

  • wanneer het misdrijf op zijn grondgebied is gepleegd (territorialiteitsbeginsel);
  • wanneer de dader een van zijn onderdanen is (actief personaliteitsbeginsel);
  • wanneer het misdrijf is begaan ten voordele van een op het grondgebied van die lidstaat gevestigde rechtspersoon.

Het tweede criterium is vooral van belang voor landen die weigeren hun eigen onderdanen uit te leveren. Zij moeten de nodige maatregelen nemen om hun eigen onderdanen te kunnen vervolgen wegens buiten hun grondgebied gepleegde misdrijven.

De lidstaten moeten programma's opzetten voor het verstrekken van hulp aan de slachtoffers en aan de familie van de slachtoffers, overeenkomstig kadersbesluit 2001/220/JBZ.

De lidstaten dienen de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat hun nationale wetgeving uiterlijk op 20 januari 2006 aan dit kaderbesluit voldoet. De door de lidstaten genomen maatregelen moeten aan het secretariaat-generaal van de Raad en aan de Commissie worden meegedeeld. De Raad zal uiterlijk op 20 januari 2008 op basis van een verslag dat met behulp van die informatie wordt opgesteld en een schriftelijk verslag van de Commissie, de overeenstemming van de nationale voorschriften met dit kaderbesluit nagaan.

Voor meer informatie wordt verwezen naar de mededeling van de Commissie (castellanodeutschenglishfrançais) inzake bestrijding van mensenhandel, seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie.

REFERENTIES

MaatregelDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad20.01.200420.01.2006L 13/44 van 20.01.2004
Laatste wijziging: 27.02.2005
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven