RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Identificatie en confiscatie van hulpmiddelen en opbrengsten van misdrijven

De Europese Unie (EU) wil de samenwerking tussen de EU-landen op het gebied van de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van de opbrengsten van misdrijven doeltreffender maken teneinde misdrijven in de sfeer van de georganiseerde criminaliteit tegen te gaan.

BESLUIT

Gemeenschappelijk optreden 98/699/JBZ van 3 december 1998 door de Raad vastgesteld op grond van artikel K.3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van de opbrengsten van misdrijven. [Zie wijzingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Voor een betere samenwerking tussen de landen van de Europese Unie (EU) in de strijd tegen de georganiseerde misdaad, bepaalt dit gemeenschappelijk optreden, in het kader van het Europees justitieel netwerk, voorbereidingen voor gebruiksvriendelijke gidsen ter identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en de opbrengsten van misdrijven. Ieder EU-land moet ervoor zorgen dat zijn gids up-to-date is en informatie bevat over:

  • waar er hulp kan worden verkregen;
  • de bijstand die het land in kwestie bereid is te verlenen en de restricties daartoe;
  • de informatie die een land dat om bijstand verzoekt dient te verstrekken.

Deze gidsen worden toegezonden aan het Secretariaat-generaal van de Raad, die ze vertaalt en verspreidt onder de EU-landen, het Europees justitieel netwerk en Europol.

EU-landen moeten rechtstreekse contacten tussen hun rechercheurs, onderzoeksmagistraten en officieren van justitie stimuleren door middel van de bestaande samenwerkingsovereenkomsten met het oog op het voorkomen van nodeloze verzoeken om rechtshulp via de formele kanalen.

Om een formeel verzoek tot bijstand in te dienen, moet het verzoekende EU-land eerst de precieze aard bepalen van de benodigde bijstand. Het verzoek tot bijstand moet grondig voorbereid worden en beantwoorden aan de vereisten dat het EU-land in kwestie voor deze verzoeken heeft gesteld. Wordt het verzoek als “dringend” bestempeld, dan moet het verzoekende land de redenen daarvoor aangeven. Als het verzochte land het verzoek tot bijstand niet kan inwilligen op een manier die het verzoekende land verwacht, moet het het verzoekende land raadplegen en het verzoek op een andere manier trachten te behandelen.

EU-landen zorgen ervoor dat hun magistratuur vertrouwd is met de beste praktijken in de internationale samenwerking op het vlak van identificatie, opsporing, bevriezing of inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van de opbrengsten van misdrijven, en dat tevens alle bij de internationale samenwerking betrokken ambtenaren op dit gebied een passende opleiding krijgen.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Gemeenschappelijk optreden 98/699/JBZ

9.12.1998

-

PB L 333, 9.12.1998

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Gemeenschappelijk optreden 2001/500/JBZ

5.7.2001

31.12.2002

PB L 182, 5.7.2001

De opeenvolgende wijzigingen en correcties aan het Gemeenschappelijk Optreden 98/699/JBZ zijn in de basistekst verwerkt. Deze geconsolideerde versie is slechts bedoeld ter informatie.

GERELATEERDE BESLUITEN

Kaderbesluit van de Raad 2005/212/JBZ van 24 februari 2005 inzake de confiscatie van opbrengsten van misdrijven, alsmede van de daarbij gebruikte hulpmiddelen en de door middel daarvan verkregen voorwerpen [Publicatieblad L 68 van 15.3.2005].
Dit kaderbesluit vervolledigt de regeling die is ingesteld bij het Kaderbesluit 2001/500/JBZ inzake het witwassen van geld, de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en de opbrengsten van misdrijven . Het bepaalt dat elk EU-land de maatregelen neemt die nodig zijn om gehele of gedeeltelijke confiscatie mogelijk te maken van hulpmiddelen en opbrengsten die verkregen zijn uit feiten waarop een vrijheidsstraf van meer dan één jaar is gesteld, of van voorwerpen waarvan de waarde overeenkomt met die van de opbrengsten.
Ten aanzien van belastingmisdrijven kunnen de EU-landen andere procedures dan de strafprocedure toepassen om de opbrengsten van het misdrijf te ontnemen aan de dader. Het doel van dit kaderbesluit is ervoor te zorgen dat alle EU-landen effectieve regels hebben om te bepalen wanneer opbrengsten van misdrijven kunnen worden geconfisqueerd, met name inzake de bewijslast van de herkomst van vermogensbestanddelen in het bezit van een persoon die is veroordeeld voor een delict dat te maken heeft met georganiseerde criminaliteit.

Deze samenvatting heeft een louter informatief karakter en is niet bedoeld als interpretatie of ter vervanging van het referentiedocument.

Laatste wijziging: 14.03.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven