RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Estland

Archief

1) REFERENTIES

Advies van de Commissie [COM(97) 2006 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad]
Verslag van de Commissie [COM(98) 705 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad]
Verslag van de Commissie [COM(1999) 504 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad]
Verslag van de Commissie [COM(2000) 704 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad]
Verslag van de Commissie [COM(2001) 700 def. - SEC(2001) 1747 - Niet verschenen in het Publicatieblad]
Verslag van de Commissie [COM(2002) 700 def. - SEC(2002) 1403 - Niet verschenen in het Publicatieblad]
Verslag van de Commissie [COM(2003) 675 def. - SEC(2003) 1201 - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Verdrag betreffende de toetreding tot de Europese Unie [Publicatieblad L 236 van 23.9.2003]

2) SAMENVATTING

In haar advies van juli 1997 was de Europese Commissie van oordeel dat er op dit gebied een aantal bemoedigende indicaties van vooruitgang waren, vooral op het gebied van de grenscontroles, maar dat Estland belangrijke inspanningen zou moeten leveren om op het gebied van justitie en binnenlandse zaken op middellange termijn het niveau van de Europese Unie te bereiken. Zij verzocht Estland met name zich ernstiger bezig te houden met de problematiek van de vluchtelingen en asielzoekers en de georganiseerde misdaad en het witwassen van geld doelmatiger te bestrijden.
In het verslag van november 1998 werd vastgesteld dat Estland belangrijke inspanningen had geleverd op het gebied van immigratie, grenscontroles en asiel, ook al dienden er op dit punt nog uitvoeringsmaatregelen te worden genomen. Er werd eveneens intensief gewerkt aan de organisatie van de politie. Er dienden echter meer middelen te worden ingezet voor de bestrijding van de georganiseerde misdaad en de drugshandel, met name met het oog op de goedkeuring van de nodige internationale en nationale rechtsinstrumenten. De inspanningen die Estland leverde ter bestrijding van de corruptie moesten eveneens worden voortgezet.
In het verslag van 1999 werd vastgesteld dat Estland het nodige had gedaan met betrekking tot het merendeel van de aanbevelingen die in het verslag van 1998 waren gedaan. Met de reorganisatie van de politie was aanzienlijke vooruitgang geboekt, maar deze moest worden gevolgd door de ontwikkeling van opleidingsactiviteiten en de verbetering van de arbeidsomstandigheden. Estland moest voorts het beheer en de controle van zijn oostelijke grens aan het acquis communautaire aanpassen, met name door de ontwikkeling van de infrastructuur en apparatuur. Bijzondere aandacht was nodig op het gebied van drugs en corruptie.
In haar verslag van november 2000 stelde de Commissie vast dat belangrijke vooruitgang was geboekt op het gebied van justitie en binnenlandse zaken. Desalniettemin dienden deze inspanningen te worden voortgezet teneinde de Estlandse wetgeving aan het acquis aan te passen op het gebied van de bestrijding van de georganiseerde misdaad, drugshandel en corruptie van politieagenten en op het gebied van de grenscontroles.
In haar verslag van november 2001 concludeerde de Commissie dat Estland veel vorderingen had gemaakt op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.
In haar verslag van oktober 2002 erkende de Commissie dat Estland opnieuw vooruitgang had geboekt op het gebied van de gegevensbescherming, de grenscontroles, het visumbeleid, de migratie en de politiële en justitiële samenwerking. In het algemeen is de aanpassing van de wetgeving in een relatief vergevorderd stadium en wordt deze voortgezet.
Het verslag van november 2003 noemt als zwakke punten van Estland de strijd tegen fraude, de corruptie (ook al is die niet groot) en het witwassen van geld.
Ook moet er speciale aandacht uitgaan naar de bescherming van gegevens en de voorbereiding inzake de inwerkingtreding van Eurodac en Dublin II.
Het toetredingsverdrag is ondertekend op 16 april 2003 en de toetreding vond plaats op 1 mei 2004.

ACQUIS COMMUNAUTAIRE

Het vrije verkeer van personen

Het beginsel van het vrije verkeer en verblijf van alle Europese burgers is neergelegd in artikel 14 (ex-artikel 7A) van het Verdrag, alsmede in de bepalingen betreffende het Europees burgerschap (artikel 18, ex-artikel 8A). In het Verdrag van Maastricht werden het asielbeleid, het overschrijden van de buitengrenzen van de Unie en het immigratiebeleid tot de aangelegenheden van gemeenschappelijk belang voor de lidstaten gerekend. Het Verdrag van Amsterdam, dat op 1 mei 1999 in werking is getreden, heeft deze aangelegenheden opgenomen in het EG-Verdrag (artikelen 61 tot en met 69), waarbij een overgangsperiode van vijf jaar wordt vastgesteld alvorens de communautaire procedures volledig van toepassing zijn. Op de duur moet er een " ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid " komen zonder controles van de personen aan de binnengrenzen, ongeacht hun nationaliteit.

Tegelijkertijd moeten er gemeenschappelijke normen worden ingevoerd voor controles aan de buitengrenzen van de Unie, visa, asiel - en immigratiebeleid. In het actieplan van de Raad en de Commissie van 3 december 1998 wordt een tijdschema vastgesteld voor de maatregelen die moeten worden goedgekeurd om die doelstellingen in de komende vijf jaar te bereiken; dit tijdschema is nauwkeuriger vastgelegd in het scorebord van maart 2000.

Sommige lidstaten passen reeds gemeenschappelijke regels op deze gebieden toe, dankzij de Schengen-akkoorden, waarvan het eerste in 1985 is ondertekend. Deze intergouvernementele akkoorden zijn opgenomen in het kader van de Europese Unie (EU) ingevolge de inwerkingtreding van het Verdrag van Amsterdam en maken thans deel uit van het acquis communautaire dat de kandidaat-landen moeten overnemen.

Estland heeft de bereidheid geuit om de bepalingen van het acquis van Schengen na te leven. Het land heeft reeds maatregelen terzake genomen en de lidstaten om bijstand verzocht, met name ten aanzien van de versterking van de grenscontroles.

Het asielbeleid

Het Europese asielbeleid, dat sedert het Verdrag van Maastricht een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang voor de lidstaten is, is hoofdzakelijk gebaseerd op instrumenten zonder rechtsgevolgen zoals bijvoorbeeld de resoluties van Londen van 1992 over de kennelijk ongegronde asielverzoeken en het beginsel van "derde landen van opvang", of op internationale overeenkomsten zoals het Verdrag van Genève van 1951 betreffende de status van vluchtelingen.

In het kader van de Schengen-akkoorden hebben de lidstaten op 15 juni 1990 de Overeenkomst van Dublin ondertekend, die op 1 september 1997 in werking is getreden, ter vaststelling van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat bij een van de lidstaten van de Unie wordt ingediend. Deze kwestie was niet geregeld in het Verdrag van Genève. Verschillende uitvoeringsmaatregelen zijn vervolgens door het bij deze overeenkomst in het leven geroepen comité goedgekeurd.

Behalve het actieplan van 3 december 1998 van de Commissie en de Raad is een algemene strategie noodzakelijk. Een "task force" inzake asiel en migratie is derhalve door de Raad opgericht om aan deze behoefte te voldoen.

Het immigratiebeleid

Het immigratiebeleid is sinds het Verdrag van Maastricht een aangelegenheid van gemeenschappelijk belang die onder de intergouvernementele samenwerking op het gebied van binnenlandse zaken valt, doch bestaat nog niet werkelijk als Europees beleid. Er is nog geen enkele regel vastgesteld met betrekking tot de binnenkomst op het grondgebied en het verblijf voor de burgers van derde landen.
Het actieplan van 3 december 1998 voorziet evenwel in de goedkeuring van specifieke maatregelen op dit gebied.

Justitiële samenwerking in burgerlijke zaken

Op dit gebied, waar de EU sinds het Verdrag van Maastricht handelingsbevoegdheid heeft, zijn weinig maatregelen goedgekeurd. De belangrijkste die tot dusver werd aangenomen is het Verdrag inzake de betekening en de kennisgeving in de lidstaten van de Europese Unie van gerechtelijke en buitengerechtelijke stukken in burgerlijke en handelszaken. Dit Verdrag is in mei 2000 omgezet in een gemeenschappelijke verordening De voornaamste instrumenten ter vergemakkelijking van de justitiële samenwerking in burgerlijke zaken werden op internationaal niveau uitgewerkt (zoals bijvoorbeeld in de Verdragen van Brussel en Rome).
In het actieplan van 3 december 1998 van de Raad en van de Commissie is eveneens in de goedkeuring van nieuwe regels voorzien.

Politiële, douane- en justitiële samenwerking in strafzaken

Het acquis op deze gebieden vloeit hoofdzakelijk voort uit het samenwerkingskader zoals omschreven in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, ofwel de " derde pijler ". Het Verdrag van Amsterdam heeft de desbetreffende juridische bepalingen gewijzigd. Voortaan heeft titel VI hoofdzakelijk betrekking op samenwerking tussen politiediensten, bestrijding van de georganiseerde criminaliteit, drugshande l, corruptie en fraude, justitiële samenwerking in strafzaken en samenwerking tussen douaneautoriteiten. De in 1993 bij het Verdrag van Maastricht vastgestelde intergouvernementele procedures blijven in deze titel behouden.

Het acquis betreffende justitie en binnenlandse zaken impliceert zowel een hoge graad van praktische samenwerking tussen de regeringen als het opstellen van regelingen en de feitelijke tenuitvoerlegging daarvan. Te dien einde is een eerste programma "Octopus" tussen 1996 en 1998 door de Europese Commissie en de Raad van Europa gefinancierd. Doel van "Octopus II" (1999-2000) is de goedkeuring te vergemakkelijken van nieuwe wetgevende en constitutionele maatregelen door de landen van Midden- en Oost-Europa (LMOE) en door bepaalde nieuwe onafhankelijke staten, met als voorbeeld de in de EU van kracht zijnde regels, door alle personen die belast zijn met de bestrijding van corruptie en georganiseerde criminaliteit opleiding en bijstand te bieden. Voorts hebben de EU en de LMOE op 28 mei 1998 een Pact ter bestrijding van de georganiseerde criminaliteit ondertekend.

Op communautair niveau zijn in het actieplan van de Raad en de Commissie van 3 december 1998 de verschillende maatregelen aangeduid die moeten worden goedgekeurd op korte termijn (twee jaar) en op middellange termijn (vijf jaar) om een daadwerkelijke ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid tot stand te brengen. Tot deze maatregelen behoort de oprichting van de Europese Politiedienst (Europol), de organisatie van betrekkingen tussen het kantoor en de gerechtelijke autoriteiten van de lidstaten, de integratie van het Schengen-acquis inzake de samenwerking op politieel en douanegebied en de organisatie van het verzamelen en het opslaan van noodzakelijke informatie op het vlak van de grensoverschrijdende criminaliteit.

De Europaovereenkomst en het Witboek over de landen van Midden- en Oost-Europa en de interne markt

De Europaovereenkomst met Estland bevat bepalingen betreffende samenwerking op het gebied van de bestrijding van drugsmisbruik en het witwassen van geld.

In het Witboek over de landen van Midden- en Oost-Europa en de interne markt wordt de derde pijler niet expliciet behandeld maar wordt verwezen naar materies zoals het witwassen van geld en het vrije verkeer van personen, welke nauw verband houden met problemen op het gebied van justitie en binnenlandse zaken.

EVALUATIE

Estland heeft het Verdrag van de Raad van Europa van 1981 tot bescherming van personen ter zake van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens in november 2001 geratificeerd en het Verdrag is in maart 2002 in werking getreden. De politie moet zich nog aanpassen aan de aanbeveling van de Raad van Europa over het gebruik van persoonsgegevens in de politiesector.

Er is opmerkelijke vooruitgang geboekt op het gebied van het visumbeleid. Wat de bestuurlijke capaciteit betreft, is Estland vooruitgegaan dankzij de invoering van een nieuw online nationaal visumregister, aan de hand waarvan alle visumaanvragen die in de buitenlandse vertegenwoordigingen van Estland worden ingediend, centraal kunnen worden behandeld.

Met het oog op de toetreding moet het land zich nog aanpassen aan de EU-lijst van de landen waarvan de onderdanen van de visumplicht zijn vrijgesteld, en met name door het sluiten van overeenkomsten tot vrijstelling van de visumplicht. In juli 2001 heeft de regering een Schengen-actieplan goedgekeurd. Overeenkomstig dit plan zet Estland de voorbereiding van zijn deelname aan het Schengen-informatiesysteem (SIS II) voort. In het algemeen moet het land zijn inspanningen om het Schengen-acquis volledig toe te passen voortzetten door een aanpassing van het huidige plan. Er bestaat nog steeds geen uitgebreide Schengen-strategie.

De controle van de buitengrenzen geschiedt op afdoende wijze. Het blijft evenwel noodzakelijk de controles te versterken door de uitrusting, de infrastructuur en de levensomstandigheden van de grenswachters te verbeteren. Bovendien moet de invoering en inwerkingtreding van het systeem van bewaking ter zee worden versneld. In december 2001 heeft het Parlement het Verdrag inzake vergemakkelijking van het verkeer ter zee geratificeerd.

Op het gebied van de immigratie is er verdere vooruitgang nodig, met name wat de bestrijding van de clandestiene immigratie betreft. In de loop van 2001 heeft het Parlement van Estland echter een wijziging goedgekeurd van de wet op de vreemdelingen, de vluchtelingen, de verplichting het grondgebied te verlaten, het verbod het te betreden en de identiteitsdocumenten. In juni 2002 is een herziening van de wet op de vreemdelingen in verband met de familiale hereniging goedgekeurd.
In februari 2002 is een specifieke dienst van het Bureau voor nationaliteit en migratie, met als opdracht visa en clandestiene immigratie, operationeel geworden.
In juni 2002 had Estland met 33 landen terugnameovereenkomsten ondertekend. Het land moet evenwel zijn inspanningen voortzetten om met derde landen die een potentiële bron van clandestiene immigratie vormen, overeenkomsten te sluiten.

Hoewel het aantal asielverzoeken in Estland beperkt blijft, heeft het Parlement in januari 2001 en mei 2002 de vluchtelingenwet gewijzigd. De aanpassing van de wetgeving moet worden voortgezet. In februari 2002 is een bijzondere vluchtelingendienst opgericht. Voorts zijn nog verbeteringen vereist op het gebied van de maatregelen voor de integratie van vluchtelingen, zoals de voorwaarden voor familiehereniging en de toegang tot een permanente verblijfsvergunning.

Op het gebied van de politiële samenwerking en de bestrijding van de georganiseerde misdaad is er vooruitgang geboekt (aanpassing van de wetgeving, opleiding, internationale samenwerking, …). De internationale samenwerking is goed tot stand gekomen en berust op samenwerkingsovereenkomsten, onder andere met Europol, die in 2002 is gesloten. Het land heeft de drie protocollen van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad van 2000 ondertekend maar nog niet geratificeerd.
Wat de tenuitvoerlegging betreft, is de situatie voor de opleiding van de politiediensten aanvaardbaar, maar een beslissing moet nog worden genomen over de financiering van het nieuwe opleidingsstelsel dat in 2004 in werking is getreden. De Commissie stelt voor om de capaciteit te versterken van de inlichtingendienst inzake internationale criminaliteit. Sinds 2002 is een elektronisch registratiesysteem van misdrijven (POLIS) operationeel in alle politiekantoren.

  • Op het gebied van bestrijding van het terrorisme heeft Estland de belangrijkste conventies geratificeerd, behalve dat over juridische onderlinge samenwerking in strafzaken

In juni 2001 heeft het Parlement van Estland het nieuwe strafwetboek goedgekeurd dat bedoeld is om de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met het acquis op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en het witwassen van geld. Er moet nog voorbereidingen worden aangevat voor de ratificatie van de Overeenkomst van 1995 betreffende de bescherming van de financiële belangen van de Gemeenschappen.
In december 2001 heeft Estland het Verdrag inzake de strafrechtelijke bestrijding van corruptie van de Raad van Europa geratificeerd.
Wat het witwassen van geld btreft, is de wetgeving grotendeels aan het acquis aangepast, maar er moet nog verder worden voorzien in opleiding voor de cel voor financiële inlichtingen, de politiediensten voor economische criminaliteit, de procureurs, de douanebeambten, en de bankdirecteurs- en bedienden.

Op het gebied van de drugshandel heeft Estland het betreffende Verdrag van de Verenigde Naties geratificeerd en de strafmaat verzwaard voor de met drugs verband houdende misdrijven. Voorts zijn er in de schoot van de politie gespecialiseerde diensten voor de bestrijding van de drugshandel opgericht. De wetgeving is grotendeels aan het acquis aangepast. Bij de bestrijding van drugs wordt vooruitgang geboekt, dankzij de tenuitvoerlegging van de nationale strategie terzake en de versterking van de bestuurlijke organen die aan die tenuitvoerlegging meewerken.
In juli 2001 is het Estlandse centrum voor drugscontrole opgericht dat tevens het nationale knooppunt is van het Europees Informatienetwerk voor drugs en drugsverslaving (REITOX). De capaciteit voor de bestrijding van de drugshandel moet evenwel worden opgevoerd door de versterking van de bestuurlijke en operationele capaciteiten van de organen die met de tenuitvoerlegging van de wet zijn belast, inzonderheid politie en douane.

In de sector van de douanesamenwerking is de omzetting van de wetgeving goed gevorderd. Er zijn aanvullende inspanningen nodig om vanaf de toetreding van Estland het Verdrag van 1997 inzake wederzijdse bijstand en samenwerking tussen douaneadministraties (Napels II) en de DIS-overeenkomst (over het gebruik van informatica in de douanesector) ten uitvoer te leggen. Voorts moeten de bestuurlijke capaciteiten van de douane worden versterkt door te voorzien in voldoende personeel en uitrusting.

Wat de justitiële samenwerking betreft, heeft Estland in 2001 de volgende verdragen bekrachtigd:

  • het Europees Verdrag inzake de internationale geldigheid van strafrechtelijke vonnissen;
  • het Europees Verdrag inzake de erkenning en tenuitvoerlegging van beslissingen inzake het gezag over kinderen en inzake het herstel van het gezag;
  • het Verdrag van 's Gravenhage inzake de burgerrechtelijke aspecten van ontvoering over de grens van kinderen;
  • de Europese Overeenkomst inzake de betekening in het buitenland van stukken op administratief gebied.

Op burgerlijk gebied is opnieuw vooruitgang geboekt: in juni 2002 heeft Estland het Verdrag van Den Haag van 1996 inzake de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning, de tenuitvoerlegging en de samenwerking op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid en maatregelen ter bescherming van kinderen geratificeerd.

Sedert de ratificatie van het Verdrag tot bescherming van personen ter zake van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens heeft Estland alle rechtsinstrumenten in verband met de bescherming van de mensenrechten geratificeerd.

Deze samenvatting heeft een louter informatief karakter en is niet bedoeld als interpretatie of ter vervanging van het referentiedocument.

 
Laatste wijziging: 15.11.2002
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven