RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 23 talen
Nieuwe beschikbare talen:  BG - CS - ET - GA - LV - LT - HU - MT - PL - RO - SK - SL

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Stelsel voor de erkenning van beroepskwalificaties

Deze richtlijn stelt een stelsel in voor de erkenning van beroepskwalificaties om bij te dragen aan de flexibiliteit van de arbeidsmarkten, om te komen tot een grotere liberalisering van de verrichting van diensten, om de erkenning van de kwalificaties automatischer te laten verlopen en de administratieve procedures te vereenvoudigen.

BESLUIT

Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties [Zie wijzigingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Deze richtlijn is van toepassing op alle onderdanen van een Europese lidstaat die in een andere lidstaat dan die waar zij hun beroepskwalificaties hebben verworven, een gereglementeerd beroep * willen uitoefenen, hetzij als zelfstandige, hetzij als werknemer.

De richtlijn maakt een onderscheid tussen "vrijheid van dienstverrichting" en "vrijheid van vestiging" op grond van de door het Hof van Justitie vastgestelde criteria: duur, frequentie, regelmaat en continuïteit van de verrichting.

Vrijheid van dienstverrichting

Iedere Europese onderdaan die wettelijk gevestigd is in een lidstaat kan tijdelijk en incidenteel in een andere lidstaat diensten verrichten uit hoofde van zijn/haar beroep, zonder dat hij/zij om erkenning van zijn/haar kwalificaties behoeft te vragen. Indien het beroep in kwestie in de lidstaat van vestiging echter niet is gereglementeerd, moet de dienstverrichter aantonen dat hij/zij een beroepservaring van twee jaar heeft.

De ontvangende lidstaat kan van de dienstverrichter verlangen dat hij een verklaring aflegt voordat hij voor het eerst diensten op zijn grondgebied verricht (jaarlijks te vernieuwen), met insluiting van gegevens betreffende verzekeringsdekking of andere documenten, zoals bewijs van de nationaliteit, van rechtmatige vestiging in de lidstaat en van beroepskwalificaties.

Als de ontvangende lidstaat een inschrijving pro forma bij de bevoegde beroepsorganisatie vereist, vindt deze inschrijving automatisch plaats. De bevoegde autoriteit bezorgt het dossier van de betrokkene aan de beroepsorganisatie na ontvangst van de voorafgaande verklaring. Voor beroepen die verband houden met de volksgezondheid of de openbare veiligheid en waarop de automatische erkenning niet van toepassing is, kan de ontvangende lidstaat vóór de eerste dienstverrichting de beroepskwalificaties van de dienstverrichter controleren onder naleving van het evenredigheidsbeginsel.

Wanneer de dienst wordt verricht onder de beroepstitel van de lidstaat van vestiging of onder de opleidingstitel van de dienstverrichter, kan de ontvangende lidstaat van de dienstverrichter verlangen dat hij een aantal gegevens aan de consumenten verstrekt, met name met betrekking tot de verzekeringsdekking tegen de financiële risico's die verband houden met de beroepsaansprakelijkheid.

Zowel in het kader van het tijdelijk verrichten van diensten als in de context van de permanente vestiging in een andere lidstaat, moeten de betrokken instanties zorgen voor een proactieve uitwisseling van informatie over ernstige feiten die voortvloeien uit de vestiging van een persoon op hun grondgebied die van invloed kunnen zijn op de uitoefening van de beroepswerkzaamheden. Deze uitwisseling van informatie moet in elk geval plaatsvinden onder naleving van de bestaande wetgeving inzake gegevensbescherming.

VRIJHEID VAN VESTIGING

Men krijgt te maken met de "vrijheid van vestiging" wanneer een beroepsbeoefenaar gebruik maakt van de daadwerkelijke vrijheid om zich in een andere lidstaat te vestigen om daar blijvend een beroep te gaan uitoefenen.

Algemeen stelsel van erkenning van titels

9. Het algemene stelsel is van toepassing op beroepen waarvoor geen specifieke erkenningsregels bestaan en op bepaalde situaties waarin de beroepsbeoefenaar niet voldoet aan de voorwaarden van de andere erkenningsstelsels. Dit algemene stelsel is gebaseerd op het principe van wederzijdse erkenning, onverminderd de toepassing van compenserende maatregelen bij aanzienlijke verschillen tussen de opleiding * die de betrokken persoon heeft gevolgd en de opleiding die in de ontvangende lidstaat wordt verlangd. De compenserende maatregel kan bestaan uit een aanpassingsstage * of een proeve van bekwaamheid *. De keuze tussen beide wordt, behoudens afwijkingen, aan de betrokken persoon overgelaten.

Wanneer in de ontvangende lidstaat de toegang tot of de uitoefening van een beroep gereglementeerd is, d.w.z. onderworpen is aan het bezit van bepaalde beroepskwalificaties, staat de bevoegde instantie van deze lidstaat de toegang tot en de uitoefening van dit beroep toe onder dezelfde voorwaarden als die welke voor eigen onderdanen gelden. De aanvrager moet echter in het bezit zijn van een in een andere lidstaat behaalde opleidingstitel die ten minste gelijkwaardig is aan het niveau onmiddellijk onder het door de ontvangende lidstaat vereiste niveau.

Wanneer daarentegen in de lidstaat van de aanvrager voor de toegang tot een beroep niet het bezit wordt vereist van bepaalde beroepskwalificaties, is voor de toegang tot dat beroep in een ontvangende lidstaat die dit beroep reglementeert naast de opleidingstitel ook bewijs nodig van twee jaar voltijdse beroepservaring tijdens de voorafgaande tien jaar.

De richtlijn maakt een onderscheid tussen vijf niveaus van beroepskwalificaties. Dit zijn:

  • bekwaamheidsattest afgegeven door een bevoegde instantie van de lidstaat van oorsprong waarmee wordt bevestigd dat de houder algemene kennis op het niveau van het basis- of voortgezet onderwijs heeft verworven, of een opleiding heeft gevolgd die geen deel uitmaakt van een certificaat of een diploma, of een specifiek examen heeft afgelegd zonder voorgaande opleiding of drie jaar beroepservaring heeft;
  • certificaat dat overeenkomt met een opleiding op het niveau van het algemeen voortgezet onderwijs of het voortgezet technisch of beroepsonderwijs, aangevuld met een beroepsopleiding;
  • diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het postsecundair onderwijs met een duur van ten minste één jaar of een opleiding op een vergelijkbaar beroepsniveau in termen van verantwoordelijkheden en functies;
  • diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger of universitair onderwijs met een duur van ten minste drie maar minder dan vier jaar;
  • diploma tot afsluiting van een opleiding op het niveau van het hoger of universitair onderwijs met een duur van minimaal vier jaar.

De ontvangende lidstaat kan in de volgende drie gevallen de erkenning van kwalificaties ondergeschikt maken aan een door de aanvrager uit te voeren compenserende maatregel (proeve van bekwaamheid of aanpassingsstage met een duur van maximaal drie jaar):

  • de opleiding was ten minste een jaar korter van duur dan die welke in de ontvangende lidstaat wordt verlangd;
  • de opleiding had betrekking op vakken die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de in de ontvangende lidstaat vereiste opleidingstitel;
  • het beroep zoals omschreven in de ontvangende lidstaat omvat één of meer gereglementeerde beroepsactiviteiten die in het overeenkomstige beroep in de lidstaat van oorsprong van de aanvrager niet bestaan, en vereist een specifieke opleiding die betrekking heeft op vakken die wezenlijk verschillen van die welke worden bestreken door de opleiding die de aanvrager heeft gevolgd.

De richtlijn geeft representatieve beroepsverenigingen op zowel nationaal als Europees niveau de mogelijkheid gemeenschappelijke platforms op te richten ter compensatie van de wezenlijke verschillen die zijn geconstateerd tussen de eisen van lidstaten inzake opleidingen. Het platform draagt er mee toe bij dat betrokkenen geen bijkomende maatregelen worden opgelegd, en garandeert een gepast kwalificatieniveau. Het platform is een soort vooraf bepaalde compensatiemaatregel. De Commissie zal het Europees Parlement en de Raad eind 2010 een verslag voorleggen met betrekking tot de gemeenschappelijke platforms.

Stelsel van automatische erkenning van kwalificaties die zijn aangetoond door de beroepservaring voor bepaalde werkzaamheden in de industrie, het ambacht en de handel

De in de richtlijn (hoofdstuk II) opgenomen industriële, ambachts- en handelsactiviteiten zijn onderhevig, onder de vermelde voorwaarden, aan de automatische erkenning van kwalificaties die zijn aangetoond door beroepservaring.

De elementen die voor de erkenning van beroepservaring in aanmerking worden genomen, zijn de duur en de vorm (als zelfstandige of als werknemer). Met vooropleiding wordt eveneens rekening gehouden en hierdoor kan de vereiste hoeveelheid beroepservaring kleiner zijn. Elke vooropleiding moet echter blijken uit een certificaat dat door de lidstaat is erkend of door een bevoegde beroepsorganisatie volledig geldig wordt geacht.

De uitoefening van al deze beroepsactiviteiten is onderworpen aan de voorwaarden genoemd in:

  • lijst I van bijlage IV, verwijzend naar verschillende sectoren als de textiel-, chemie- en olie-industrie, het drukwezen, productie, bouw, enz.;
  • lijst II van bijlage IV, verwijzend naar sectoren als de productie van transportmaterialen, activiteiten verband houdend met transport, postdiensten, telecommunicatie, fotostudio’s, enz.;
  • lijst III van bijlage IV, verwijzend naar sectoren als restaurants en hotels, persoonlijke, recreatieve en gemeenschapsdiensten, enz.

Stelsel van automatische erkenning van kwalificaties voor de beroepen van arts, ziekenverpleger, tandarts, dierenarts, verloskundige, apotheker en architect

De automatische erkenning van opleidingstitels op basis van de coördinatie van minimale opleidingseisen is van toepassing op de volgende beroepen: artsen, verpleegkundigen verantwoordelijk voor algemene zorg, tandheelkundigen, dierenartsen, verloskundigen, apothekers en architecten (Hoofdstuk III van de richtlijn).

Met het oog op erkenning, bepaalt de richtlijn minimale opleidingseisen voor elk van deze beroepen, inclusief de minimumduur van de opleidingen. De opleidingstitels afgegeven door lidstaten die voldoen aan de richtlijn zijn opgesomd in bijlage V. Deze kwalificaties stellen de houders ervan in staat om hun beroep in elke lidstaat uit te oefenen.

20. De richtlijn biedt de lidstaten de mogelijkheid om toestemming te geven voor een deeltijdopleiding voor al deze beroepen, voor zover de totale duur, het niveau en de kwaliteit van deze opleiding niet onderdoet voor voltijdse opleidingen.

Onverminderd de specifiek verworven rechten van de betrokken beroepen, en met name van architecten (bijlage VI), zelfs als de door inwoners van lidstaten verworven opleidingstitels voor deze beroepsactiviteiten niet voldoen aan alle beschreven opleidingseisen, moet elke lidstaat ze erkennen als voldoende bewijs. Deze titels moeten echter bewijs leveren voor het succesvol beëindigen van opleiding die begon voor de referentiedatums bepaald in bijlage V en vergezeld gaan van bewijs dat de houder ten minste drie opeenvolgende jaren de activiteiten in kwestie heeft uitgeoefend gedurende de voorgaande vijf jaar.

Procedure voor de wederzijdse erkenning van beroepskwalificaties

Een individueel verzoek om erkenning moet worden ingediend bij de bevoegde dienst van de ontvangende lidstaat, vergezeld van een aantal documenten en certificaten. De bevoegde autoriteit heeft één maand de tijd om ontvangst van het verzoek te bevestigen en het eventueel ontbreken van documenten kenbaar te maken. In principe moet er binnen drie maanden na de datum waarop het volledige verzoek werd ontvangen een beslissing worden genomen. Deze uiterste datum kan echter met één maand worden verlengd in gevallen die vallen onder het algemeen stelsel voor de erkenning van kwalificaties. Voor elke weigering moeten redenen worden opgegeven. Een weigering of het uitblijven van een beslissing na de uiterste datum kan bij nationale rechtsinstanties worden aangevochten.

Onderdanen van de lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om hun titel, en eventueel een afkorting daarvan, te gebruiken, evenals de overeenstemmende beroepstitel van de ontvangende lidstaat. Wanneer in de ontvangende lidstaat een beroep is gereglementeerd door een beroepsvereniging of -organisatie (zie bijlage I), moeten de onderdanen van de lidstaten lid worden van bedoelde organisatie om de titel te kunnen gebruiken.

De lidstaten kunnen van aanvragers verlangen dat zij beschikken over de talenkennis die voor de uitoefening van hun beroep vereist is. Deze bepaling moet op evenredige wijze worden toegepast, hetgeen uitsluit dat systematische taaltests worden opgelegd vóór het begin van een beroepsactiviteit.

Teneinde de toepassing van de hierboven bedoelde bepalingen te vergemakkelijken, wordt krachtens deze richtlijn een nauwe samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten van de ontvangende lidstaat en de lidstaat van oorsprong verlangd. Daarnaast vereist de richtlijn de invoering van de volgende voorzieningen:

  • de aanwijzing in elke lidstaat van een coördinator om een uniforme toepassing van de richtlijn te bevorderen;
  • de aanwijzing door de lidstaten van contactpunten die tot taak hebben de burgers alle informatie te verstrekken die voor de erkenning van beroepskwalificaties nuttig is en hen te helpen bij de uitoefening van hun rechten, met name door middel van contacten met de autoriteiten die beslissingen nemen inzake de verzoeken om erkenning;
  • de benoeming van vertegenwoordigers van de lidstaten in het Comité voor de erkenning van beroepskwalificaties;
  • de Commissie dient in voorkomende gevallen deskundigen van de relevante beroepsgroepen te raadplegen.

De lidstaten moeten om de twee jaar aan de Commissie een verslag over de toepassing van het stelsel voorleggen. Wanneer de toepassing van de bepalingen van de richtlijn op een bepaald gebied grote problemen veroorzaakt, onderzoekt de Commissie deze moeilijkheden in samenwerking met de betrokken lidstaat.

Vanaf 20 oktober 2007 stelt de Commissie om de vijf jaar een verslag op over de toepassing van de richtlijn.

Context

Deze richtlijn is een reactie op de aanbevelingen van de Europese Raad van Stockholm van 2001 waarmee de Commissie werd gevraagd een meer uniform, transparant en flexibel stelsel te ontwerpen met het oog op het halen van de doelstellingen van de Lissabon-strategie.

De drie richtlijnen inzake het algemeen stelsel voor de erkenning van beroepstitels (erkenning van diploma’s, certificaten en andere titels van hoger onderwijs van het lange type; erkenning van andere diploma’s, certificaten en andere titels van ander(e) beroepsonderwijs en -opleiding; en de regeling voor de erkenning van kwalificaties voor de ambachtelijke sector, de handel en bepaalde diensten) worden met deze richtlijn in een enkele tekst samengebracht.

Ze consolideert ook twaalf sectorrichtlijnen met betrekking tot de beroepen van arts, verpleger (Richtlijn 77/452/EEG), beoefenaar der tandheelkunde (Richtlijn 78/686/EEG), dierenarts (Richtlijn 78/1026/EEG), verloskundige (Richtlijn 80/154/EEG), architect en apotheker (onderlinge erkenning van diploma's op farmaceutisch gebied en beroepskwalificaties op farmaceutisch gebied).

De richtlijnen specifiek inzake dienstverrichting door advocaten (Richtlijn 77/249/EEG) en de vestiging van advocaten vallen niet binnen deze oefening omdat die handelen over de erkenning van machtigingen voor beroepsbeoefening, en niet over erkenning van beroepskwalificaties.

Belangrijkste begrippen gebruikt in het besluit
  • Gereglementeerd beroep: een beroepswerkzaamheid of een geheel van beroepswerkzaamheden waartoe de toegang of waarvan de uitoefening of één van de wijzen van uitoefening krachtens wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen direct of indirect afhankelijk wordt gesteld van het bezit van bepaalde beroepskwalificaties; met name het voeren van een beroepstitel die door wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen beperkt is tot personen die een specifieke beroepskwalificatie bezitten, geldt als een wijze van uitoefening.
  • Opleidingstitel: een diploma, certificaat of andere titel die door een volgens de wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat aangewezen autoriteit, is afgegeven ter afsluiting van een overwegend in de Gemeenschap gevolgde beroepsopleiding.
  • Gereglementeerde opleiding: elke opleiding die specifiek op de uitoefening van een bepaald beroep gericht is en die uit een studiecyclus bestaat die eventueel met een beroepsopleiding, een beroepsstage of praktijkervaring wordt aangevuld. De structuur en het niveau van de beroepsopleiding, de beroepsstage of de praktijkervaring worden in wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van de betrokken lidstaat vastgesteld of door een daartoe aangewezen autoriteit gecontroleerd of erkend.
  • Aanpassingsstage: de uitoefening van een gereglementeerd beroep in de ontvangende lidstaat onder verantwoordelijkheid van een gekwalificeerde beoefenaar van het betrokken beroep, eventueel gekoppeld aan een aanvullende opleiding. De stage wordt beoordeeld.
  • Proeve van bekwaamheid: een controle, uitsluitend de beroepskennis van de aanvrager betreffende, die door de bevoegde autoriteit van de ontvangende lidstaat wordt verricht en die tot doel heeft te beoordelen of deze de bekwaamheid bezit om in deze lidstaat een gereglementeerd beroep uit te oefenen. Ten behoeve van deze controle stellen de bevoegde autoriteiten een lijst op van de vakgebieden die niet door de opleidingstitel van de aanvrager bestreken worden.

REFERENTIE

Besluit Inwerkingtreding Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht Publicatieblad
Richtlijn 2005/36/EG

20.10.2005

20.10.2007

L255 van 30.9.2005

Wijzigingsbesluit(en) Inwerkingtreding Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht Publicatieblad
Richtlijn 2006/100/EC

1.1.2007

1.1.2007

PB L 363 van 20.12.2006

Verordening (EG) Nr. 1137/2008

11.12.2008

-

PB L 311 van 21.11.2008

Opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Richtlijn 2005/36/EG zijn opgenomen in de basistekst. Deze geconsolideerde versie dient enkel ter referentie.

WIJZIGING VAN DE BIJLAGEN

Bijlage II – Lijst van opleidingen met een bijzondere structuur bedoeld in artikel 11, onder c), ii):
Richtlijn 2006/100/EG [Publicatieblad L 363 van 20.12.2006];
Verordening (EG) Nr. 1430/2007 [Publicatieblad L 320 van 6.12.2007];
Verordening (EG) Nr. 755/2008 [Publicatieblad L 205 van 1.8.2008];
Verordening (EG) Nr. 279/2009 [Publicatieblad L 93 van 7.4.2009].

Bijlage III – Lijst van gereglementeerd onderwijs en gereglementeerde opleidingen bedoeld in artikel 13, lid 2, derde alinea:
Verordening (EG) Nr. 1430/2007 [Publicatieblad L 320 van 6.12.2007].

Bijlage V – Erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen:
Richtlijn van de Raad 2006/100/EG [Publicatieblad L 363 van 20.12.2006].

Bijlage VI – Verworven rechten voor de beroepen die onder de erkenning op basis van de coördinatie van de minimumopleidingseisen vallen:
Richtlijn van de Raad 2006/100/EG [Publicatieblad L 363 van 20.12.2006].

GERELATEERDE BESLUITEN

Besluit van de Commissie 2007/172/EG van 19 maart 2007 tot oprichting van de Groep van coördinatoren voor de erkenning van beroepskwalificaties [Publicatieblad L 79 van 20.3.2007].
De rol van deze groep deskundigen bestaat erin de tenuitvoerlegging van de richtlijn te bevorderen en een interne markt te ontwikkelen voor gereglementeerde beroepen wat opleidingstitels betreft. De Commissie consulteert deze groep, die is samengesteld uit nationale coördinatoren, plaatsvervangende leden en een vertegenwoordiger van de Commissie.

 
Laatste wijziging: 19.01.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven