Communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit
De Europese Unie (EU) legt algemene regelingen vast voor het heffen van belasting op energieproducten en elektriciteit. Het communautaire systeem van minimumniveaus dat lange tijd beperkt was tot minerale oliën, wordt uitgebreid tot steenkool, aardgas en elektriciteit. Dit systeem legt de minimumbelastingniveaus vast, die van toepassing zijn op elektriciteit en op energieproducten die als motor- en verwarmingsbrandstof worden gebruikt. Het streeft dan ook naar een verbetering van de werking van de interne markt door het verminderen van de verstoring van de concurrentie tussen minerale oliën en andere energieproducten. Overeenkomstig de doelstellingen van de EU en het protocol van Kyoto moedigt het een efficiënter energieverbruik aan om de afhankelijkheid van ingevoerde energieproducten te verminderen en de uitstoot van broeikasgassen te beperken. Verder machtigt het de lidstaten eveneens met het oog op de bescherming van het milieu om belastingvoordelen toe te kennen aan ondernemingen die specifieke maatregelen treffen om hun emissies te verminderen.
BESLUIT
Richtlijn 2003/96/EG van de Raad van 27 oktober 2003 tot herstructurering van de communautaire regeling voor de belasting van energieproducten en elektriciteit [Zie wijzigingsbesluiten].
SAMENVATTING
Energieproducten en elektriciteit worden alleen belast, wanneer ze gebruikt worden als motor- of verwarmingsbrandstof en niet wanneer ze gebruikt worden als grondstoffen voor chemische reductie of elektrolytische en metallurgische procedés.
Op basis van dit beginsel legt de richtlijn minimumbelastingniveaus vast voor motorbrandstof, motorbrandstof voor industriële en commerciële doeleinden, verwarmingsbrandstof en elektriciteit. De „belastingniveaus” * die door de lidstaten worden toegepast, mogen niet lager zijn dan de minimumniveaus die in de richtlijn worden bepaald.
Voor motorbrandstoffen gelden de volgende minimumbelastingniveaus:
| - | Huidige minimumaccijnstarieven |
|---|---|
| Benzine (€/1000 l) |
421 |
| Loodvrije benzine (€/1 000 l) |
359 |
| Diesel (€/1 000 l) |
330 |
| Kerosine (€/1 000 l) |
330 |
| LPG (€/1 000 l) |
125 |
| Aardgas (€/gigajoule) |
2,6 |
(De volumes worden gemeten bij een temperatuur van 15 °C.)
Uiterlijk op 1 januari 2012 besluit de Raad aan de hand van een verslag en een voorstel van de Commissie, na raadpleging van het Europees Parlement, met eenparigheid van stemmen over de minimumbelastingniveaus voor gasolie voor een verdere periode beginnende op 1 januari 2013.
De richtlijn laat de lidstaten toe om een onderscheid maken tussen de commerciële en niet-commerciële aanwending van gasolie gebruikt voor voortbeweging, op voorwaarde dat de communautaire minimumbelastingniveaus gerespecteerd worden en het belastingniveau voor commerciële gasolie gebruikt voor voortbeweging * niet onder het op 1 januari 2003 geldende nationale belastingniveau daalt, niettegenstaande de in deze richtlijn bepaalde afwijkingen voor dit gebruik.
Dit onderscheid laat de lidstaten toe om het verschil tussen het accijnstariefniveau voor niet-commerciële gasolie gebruikt in wagens en het accijnstariefniveau voor benzine te verkleinen, aangezien er geen milieu- of andere reden is voor het lagere minimumtarief dat op dit ogenblik voor het gebruik van gasolie in wagens gehanteerd wordt.
Voor brandstoffen voor industriële of commerciële doeleinden gelden de volgende minimumbelastingniveaus:
| - | Huidige minimumaccijnstarieven |
|---|---|
|
Diesel (€/1 000 l) |
21 |
|
Kerosine (€/1 000 l) |
21 |
|
Lpg (€/1 000 kg) |
41 |
|
Aardgas (€/gigajoule) |
0,3 |
(De volumes worden gemeten bij een temperatuur van 15 °C.)
De richtlijn specificeert dat met industriële en commerciële doeleinden gedoeld wordt op:
- landbouw, tuinbouw, visteelt of bosbouw;
- stationaire motoren;
- installaties en machines die worden gebruikt in de bouw, de weg- en waterbouw en voor openbare werken;
- voertuigen bestemd om buiten de openbare weg te worden gebruikt.
Voor verwarmingsbrandstoffen en elektriciteit gelden de volgende minimumbelastingniveaus:
| - | Huidige minimumaccijnstarieven (zakelijk gebruik) | Huidige minimumaccijnstarieven (niet-zakelijk gebruik) |
|---|---|---|
|
Diesel (€/1 000 l) |
21 |
21 |
|
Zware stookolie (€/1 000 kg) |
15 |
15 |
|
Kerosine (€/1 000 l) |
0 |
0 |
|
Lpg (€/1 000 kg) |
0 |
0 |
|
Aardgas (€/gigajoule) |
0,15 |
0,3 |
|
Kolen en cokes (€/gigajoule) |
0,15 |
0,3 |
|
Elektriciteit (€/MWh) |
0,5 |
1,0 |
(De volumes worden gemeten bij een temperatuur van 15 °C.)
Gedifferentieerde belastingniveaus
De lidstaten kunnen, onder fiscaal toezicht, gedifferentieerde belastingniveaus toepassen in de volgende gevallen, op voorwaarde dat deze belastingniveaus niet onder de bij deze richtlijn voorgeschreven minimumbelastingniveaus liggen en verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht:
- wanneer de gedifferentieerde belastingniveaus rechtstreeks gekoppeld zijn aan de kwaliteit van het product;
- wanneer de gedifferentieerde belastingniveaus afhangen van kwantitatieve consumptieniveaus voor elektriciteit en energieproducten die voor verwarming worden gebruikt;
- voor de volgende vormen van gebruik: plaatselijk openbaar personenvervoer (taxi's inbegrepen), afvalinzameling, strijdkrachten en overheidsadministraties, gehandicapten, ziekenauto's;
- om onderscheid te maken tussen zakelijk en niet-zakelijk gebruik voor energieproducten en elektriciteit als bedoeld hierboven.
Vrijstellingen en verlagingen
Voor de volgende producten wordt vrijstelling van belasting verleend:
- energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor de productie van elektriciteit en elektriciteit die wordt gebruikt tot instandhouding van het vermogen elektriciteit te produceren. De lidstaten kunnen deze producten echter uit milieubeleidsoverwegingen aan belasting onderwerpen;
- energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor andere luchtvaart dan particuliere plezierluchtvaart;
- energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op communautaire wateren, met inbegrip van visserij, en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit.
De lidstaten kunnen de laatste twee vrijstellingen beperken tot het internationale en het intracommunautaire vervoer. Bijgevolg kunnen de lidstaten voor alle lucht- en zeevervoer binnen een lidstaat of tussen twee lidstaten die hiertoe een bilaterale overeenkomst sloten, een lager belastingniveau toepassen dan het in de richtlijn vastgestelde minimumniveau.
De lidstaten kunnen gehele of gedeeltelijke belastingvrijstellingen of -verlagingen toepassen op o.a.:
- energieproducten die onder fiscaal toezicht worden gebruikt bij proefprojecten voor de technologische ontwikkeling van milieuvriendelijker producten of met betrekking tot brandstoffen uit hernieuwbare bronnen;
- biobrandstoffen;
- vormen van energie afkomstig van zon, wind, golven, getijden of aardwarmte, of opgewekt uit biomassa * of afval;
- energieproducten en elektriciteit die worden gebruikt voor het vervoer van goederen en personen per spoor, metro, tram en trolleybus;
- energieproducten die worden geleverd voor gebruik als brandstof voor de vaart op binnenwateren (met inbegrip van visserij) en niet voor gebruik aan boord van particuliere pleziervaartuigen, en aan boord van een vaartuig opgewekte elektriciteit;
- aardgas en lpg gebruikt voor voortbeweging.
De richtlijn neemt de concurrentiepositie van bedrijven in aanmerking door maatregelen te voorzien om de belastingdruk te verlichten op energie-intensieve bedrijven en/of bedrijven * die er zich toe verbinden om milieubeschermingsdoelstellingen of verbeteringen in energie-efficiëntie te verwezenlijken.
Verder voorziet ze dat lidstaten belastingen die betaald werden door bedrijven die investeerden in de rationalisering van hun energiegebruik, geheel of gedeeltelijk kunnen terugbetalen. Deze terugbetaling kan tot 100 % bedragen voor energie-intensieve bedrijven en tot 50 % voor andere bedrijven.
Overgangsperiodes
Voor sommige lidstaten bepaalt de richtlijn overgangsperiodes gedurende dewelke zij het verschil tussen hun niveaus en de nieuwe minimumbelastingniveaus geleidelijk aan dienen te verkleinen. Wanneer het verschil tussen het nationale niveau en het minimumniveau niet meer dan 3 % van dat minimumniveau bedraagt, kan de lidstaat in kwestie de aanpassing van zijn nationale niveau evenwel tot het einde van de overgangsperiode uitstellen.
| In het besluit gebruikte sleutelbegrippen |
|---|
|
REFERENTIES
| Besluit | Inwerkingtreding | Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten | Publicatieblad |
|---|---|---|---|
| Richtlijn 2003/96/EG |
31.10.2003 |
31.12.2003 |
PB L 283 van 31.10.2003 |
| Wijzigingsbesluit(en) | Inwerkingtreding | Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten | Publicatieblad |
|---|---|---|---|
| Richtlijn 2004/74/EG |
1.5.2004 |
1.5.2004 |
PB L 195 van 2.6.2004 |
| Richtlijn 2004/75/EG |
1.5.2004 |
1.5.2004 |
PB L 195 van 2.6.2004 |
De opeenvolgende wijzigingen en correcties aan Richtlijn 2003/96/EG zijn in de basistekst verwerkt. Deze geconsolideerde versie
is slechts bedoeld ter informatie.



