RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 13 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen

Archief

De Europese Unie voert concurrentieneutrale belastingvoorschriften in ten aanzien van hergroeperingen van vennootschappen uit verschillende lidstaten. Zij elimineert de dubbele belasting van winst die in de vorm van dividenden wordt uitgekeerd door een dochteronderneming in één lidstaat aan haar moedermaatschappij in een andere lidstaat.

BESLUIT

Richtlijn 90/435/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor moedermaatschappijen en dochterondernemingen uit verschillende lidstaten [Zie wijzigingsbesluiten].

SAMENVATTING

Deze richtlijn, als gewijzigd bij Richtlijn 2003/123/EG, wordt door iedere lidstaat toegepast:

  • op uitkeringen van winst die door in deze staat gelegen vaste inrichtingen van vennootschappen uit andere lidstaten zijn ontvangen van hun dochterondernemingen uit een andere lidstaat dan die waar de vaste inrichting is gevestigd,
  • op winst die door vennootschappen van deze staat wordt uitgekeerd aan in een andere lidstaat gevestigde vaste inrichtingen van vennootschappen van dezelfde lidstaat waarvan zij dochterondernemingen zijn.

De richtlijn vormt geen beletsel voor de toepassing van nationale of verdragsrechtelijke voorschriften ter bestrijding van fraude en misbruik.

Voor de toepassing van deze richtlijn wordt onder de term "vennootschap van een lidstaat" verstaan iedere vennootschap:

  • die een van de rechtsvormen heeft die zijn opgenomen in de nieuwe bijlage bij Richtlijn 2003/123/EG waaraan nieuwe rechtsvormen zijn toegevoegd zoals coöperaties, onderlinge vennootschappen, bepaalde niet op kapitaal gebaseerde vennootschappen, spaarbanken, fondsen en verenigingen met commerciële activiteiten;
  • die volgens de fiscale wetgeving van een lidstaat wordt beschouwd in deze staat haar fiscale woonplaats te hebben en die, volgens een met een derde staat gesloten verdrag op het gebied van dubbele belastingheffing, niet wordt beschouwd als fiscaal buiten de Gemeenschap te zijn gevestigd;
  • die bovendien, zonder keuzemogelijkheid en zonder ervan te zijn vrijgesteld, onderworpen is aan een vennootschapsbelasting.

Onder "vaste inrichting" wordt verstaan een in een lidstaat gelegen vaste bedrijfsvestiging:

  • door middel waarvan een onderneming van een andere lidstaat haar bedrijf geheel of gedeeltelijk uitoefent,
  • waarvan de winsten worden belast in de lidstaat waar zij is gevestigd, krachtens een bilaterale belastingovereenkomst of, bij ontstentenis van een dergelijke overeenkomst, krachtens de nationale wetgeving.

De hoedanigheid van moedermaatschappij wordt ten minste toegekend aan iedere vennootschap van een lidstaat die een deelneming van ten minste 20% bezit in het kapitaal van een vennootschap van een andere lidstaat die aan dezelfde voorwaarden voldoet.

Die hoedanigheid wordt onder dezelfde voorwaarden toegekend aan een vennootschap van een lidstaat die een deelneming van ten minste 20% bezit in het kapitaal van een vennootschap van diezelfde lidstaat welke geheel of gedeeltelijk wordt gehouden door een in een andere lidstaat gelegen vaste inrichting van eerstgenoemde vennootschap.

Vanaf 1 januari 2007 bedraagt de deelneming ten minste 15%.
Vanaf 1 januari 2009 bedraagt de deelneming ten minste 10%.

Onder dochteronderneming wordt verstaan de vennootschap in het kapitaal waarvan een deelneming van ten minste 20% wordt gehouden.

Het staat iedere lidstaat vrij om:

  • het criterium deelneming in het kapitaal te vervangen door het criterium bezit van stemrechten;
  • deze richtlijn niet toe te passen op de vennootschappen van deze lidstaat die niet een deelneming houden welke recht geeft op de hoedanigheid van moedermaatschappij of op de maatschappijen waarin een vennootschap van een andere lidstaat niet een dergelijke deelneming houdt.

Tot de datum waarop effectief een gemeenschappelijk stelsel van vennootschapsbelasting wordt toegepast, hanteren de lidstaten de hierna volgende regels.

Wanneer een moedermaatschappij of haar vaste inrichting, op grond van de deelgerechtigdheid van de moedermaatschappij in haar dochteronderneming, uitgekeerde winst ontvangt, anders dan bij de liquidatie van de dochteronderneming, moeten de lidstaat van de moedermaatschappij en de lidstaat van haar vaste inrichting:

  • ofwel zich onthouden van het belasten van deze winst,
  • ofwel de winst belasten, maar in dat geval de moedermaatschappij en de vaste inrichting toestaan het gedeelte van de belasting dat betrekking heeft op die winst en betaald is door de dochteronderneming en enigerlei kleindochteronderneming (zoals hierboven gedefinieerd en met inachtneming van de minimale deelnemingsvereiste), van de verschuldigde belasting af te trekken.

Daarnaast voorziet de richtlijn erin dat de door de moedermaatschappij in mindering te brengen belasting voor de gehele keten (d.w.z. met inbegrip van de door de kleindochterondernemingen betaalde belastingen) wordt bepaald om dubbele belastingheffing volledig te elimineren. Op die manier zorgt de richtlijn ervoor dat, ook zonder een gemeenschappelijk stelsel van belastingheffing, alle belastingen van de dochterondernemingen in de verschillende lidstaten deel uitmaken van de belasting die op de winst van de moedermaatschappij in mindering kan worden gebracht.

Iedere lidstaat behoudt de mogelijkheid om te bepalen dat de lasten die betrekking hebben op de deelneming en waardeverminderingen die voortvloeien uit de uitkering van de winst van de dochteronderneming, niet aftrekbaar zijn van de belastbare winst van de moedermaatschappij.

De door een dochteronderneming aan de moedermaatschappij uitgekeerde winst wordt vrijgesteld van bronbelasting.

De lidstaat waaronder de moedermaatschappij ressorteert, mag geen belasting aan de bron inhouden op de winst die deze maatschappij van haar dochteronderneming ontvangt.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Richtlijn 90/435/EEG30.7.199001.01.1992L 225 van 20.8.1990

Wijzigingsbesluit(en)InwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Richtlijn 2003/123/EG2.2.20041.1.2007L 7 van 13.1.2004
Richtlijn 2006/98/EG1.1.20071.1.2007L 363 van 20.12.2006

GERELATEERDE BESLUITEN

Mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 23 mei 2001 - Fiscaal beleid in de Europese Unie [COM(2001) 260 - Publicatieblad C 284 van 10.10.2001].

Laatste wijziging: 03.04.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven