RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 23 talen
Nieuwe beschikbare talen:  BG - CS - ET - GA - LV - LT - HU - MT - PL - RO - SK - SL

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Recht van vrij verkeer en verblijf van de burgers van de Unie en hun familieleden

De Unie heeft een richtlijn aangenomen over het recht van Europese burgers op vrij verkeer en verblijf in de hele Unie, waarin de maatregelen zijn bijeengebracht die waren verspreid over het complexe geheel van wetsteksten waardoor deze materie tot dusver werd geregeld. Met de nieuwe maatregelen wordt onder meer beoogd: de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf te bevorderen, de administratieve formaliteiten tot het strikt noodzakelijke minimum te beperken, het statuut van familieleden beter te omschrijven, de mogelijkheid af te bakenen om het verblijf te weigeren of te beëindigen en het instellen van een nieuw permanent verblijfsrecht.

BESLUIT

Richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EG, 90/364/EG, 90/365/EEG en 93/96/EG.

SAMENVATTING

De richtlijn verzamelt in één enkele tekst de bestaande complexe wetgeving op het gebied van het recht van inreis en verblijf van burgers van de Unie, dat in twee verordeningen en negen richtlijnen was geregeld. Deze vereenvoudiging moet niet alleen de burgers, maar ook de nationale overheidsdiensten helpen bij de toepassing van deze rechten. Voorts vereenvoudigt de richtlijn zoveel mogelijk de formaliteiten voor de uitoefening van het recht op verblijf van de burgers van de EU en hun familieleden.

Algemene bepalingen

Deze richtlijn heeft ten doel:

  • de voorwaarden voor de uitoefening van het recht op vrij verkeer en verblijf door burgers van de EU * en hun familieleden *;
  • het duurzame verblijfsrecht;
  • de beperkingen van deze rechten om redenen van openbare orde, openbare veiligheid en volksgezondheid vast te stellen.

Recht van verkeer en van verblijf voor maximaal drie maanden

Iedere burger van de Europese Unie die in het bezit is van een geldige identiteitskaart of een geldig paspoort heeft het recht het grondgebied van een lidstaat te verlaten om zich naar een andere lidstaat te begeven. Deze persoon kan in geen geval de verplichting worden opgelegd een uit- of inreisvisum over te leggen. Wanneer de betrokken burger niet over reisdocumenten beschikt, verleent het gastland de betrokkene alle redelijke middelen om hem in staat te stellen de vereiste documenten te verkrijgen of zich te laten toezenden.

Familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, genieten hetzelfde recht als de burger die zij vergezellen. Zij kunnen er overeenkomstig Verordening (EG) nr. 539/2001 toe worden verplicht in het bezit te zijn van een visum voor kort verblijf. De verblijfskaart en het visum voor kort verblijf worden als gelijkwaardig beschouwd.

Voor een verblijf van minder dan drie maanden hoeft de burger van de Unie alleen in het bezit te zijn van een identiteitsbewijs. Het gastland kan de betrokkene vragen zijn aanwezigheid op het grondgebied binnen een aanvaardbare, niet-discriminerende termijn mede te delen.

Verblijfsrecht voor een termijn van langer dan drie maanden

Het recht van verblijf voor een termijn van langer dan drie maanden blijft aan bepaalde voorwaarden onderworpen:

  • ofwel de verplichting als werknemer of als zelfstandige een economische activiteit uit te oefenen;
  • ofwel de verplichting over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en een ziektekostenverzekering te hebben om te voorkomen dat de burger tijdens zijn verblijf ten laste komt van de bijstandsregeling van het gastland. De lidstaten mogen niet het bedrag van de bestaansmiddelen vaststellen dat zij als toereikend beschouwen, zij moeten rekening houden met de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene;
  • ofwel de verplichting een opleiding te volgen in de hoedanigheid van student alsook over voldoende bestaansmiddelen te beschikken en een ziektekostenverzekering te hebben om te voorkomen dat de student tijdens zijn verblijf ten laste komt van de bijstandsregeling van het gastland;
  • ofwel familielid zijn van een burger van de Unie die onder een van bovengenoemde categorieën valt.

De verblijfskaart voor burgers van de Unie wordt afgeschaft. De lidstaten kunnen de burger echter verzoeken zich bij de bevoegde instanties te laten inschrijven binnen een termijn die niet korter mag zijn dan drie maanden vanaf zijn aankomst. De verklaring van inschrijving wordt onmiddellijk afgegeven bij overlegging van:

  • een geldig identiteitsbewijs of paspoort;
  • een bewijs dat aan de voornoemde voorwaarden is voldaan (zie artikel 8 van de richtlijn de vereiste bewijzen voor elke categorie burger). De burgers van de Unie die een opleiding volgen, dienen in een verklaring of met behulp van enig ander middel naar hun keuze aan te tonen dat zij voor zichzelf en voor de leden van hun familie over voldoende bestaansmiddelen beschikken om te voorkomen tijdens het verblijf ten laste van de bijstandsregeling van het gastland te komen. Dat volstaat als bewijs dat zij aan de bestaansmiddelenvoorwaarde voldoen.

De familieleden van een burger van de Unie die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten, moeten een "verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie" aanvragen, die een geldigheidsduur heeft van vijf jaar vanaf de datum van afgifte.

Onder bepaalde voorwaarden heeft het overlijden, de echtscheiding, de nietigverklaring van het huwelijk of de beëindiging van het partnerschap van de burger van de Unie of zijn vertrek van het grondgebied van het gastland geen invloed op het verblijfsrecht van zijn familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten.

Duurzaam verblijfsrecht

Iedere burger van de Unie die gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar legaal in het gastland heeft verbleven, heeft aldaar een duurzaam verblijfsrecht, voor zover hij niet onderworpen is geweest aan een verwijderingsmaatregel. Dit recht is aan geen enkele voorwaarde onderworpen. Hetzelfde geldt voor de familieleden die niet de nationaliteit van een lidstaat bezitten en vijf jaar bij de burger van de Unie in het gastland hebben ingewoond. Wanneer het duurzame verblijfsrecht eenmaal is verkregen, kan het uitsluitend worden verloren door een afwezigheid van meer dan twee achtereenvolgende jaren uit het gastland.

De burgers van de Unie die daarom verzoeken verkrijgen een document voor het duurzame verblijfsrecht. De lidstaten verstrekken de leden van de familie die uit een derde land afkomstig zijn een duurzame verblijfskaart die zonder beperking in de tijd geldig is en rechtens om de tien jaar kan worden verlengd. Zij wordt afgegeven binnen zes maanden na de indiening van de aanvraag. Het bewijs van zijn onafgebroken verblijf kan door middel van ieder in het gastland gebruikelijk bewijsmiddel worden geleverd.

Gemeenschappelijke bepalingen inzake het verblijfsrecht en het duurzame verblijfsrecht

Iedere burger van de Unie die het verblijfsrecht of het duurzame verblijfsrecht geniet, heeft op de gebieden waarop het verdrag van toepassing is recht op dezelfde behandeling als de nationale onderdanen. Dit recht geldt ook voor zijn familieleden. Het gastland is echter niet verplicht in de eerste drie maanden van verblijf het recht op een sociale bijstandsuitkering toe te kennen aan andere personen dan werknemers of zelfstandigen en hun familieleden. De lidstaten zijn evenmin verplicht deze personen vóór de verkrijging van het duurzame verblijfsrecht in de vorm van beurzen of leningen ten behoeve van studies (waaronder ook beroepsopleidingen) steun voor hun levensonderhoud te verstrekken. De familieleden hebben, ongeacht hun nationaliteit, het recht als werknemer of als zelfstandige een economische werkzaamheid uit te oefenen.

Beperking van het inreis- en verblijfsrecht om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid

Een burger van de Unie of een lid van zijn familie kan om redenen van openbare orde, openbare veiligheid of volksgezondheid van het grondgebied worden verwijderd. De maatregel mag in geen geval gebaseerd zijn op economische redenen. Elke maatregel met betrekking tot de vrijheid van verkeer en verblijf moet het beginsel van evenredigheid respecteren en uitsluitend zijn gebaseerd op het persoonlijke gedrag van de persoon ten aanzien van wie hij wordt genomen. Het bestaan van strafrechtelijke veroordelingen mag niet automatisch aanleiding geven tot een dergelijke maatregel. Het gedrag moet een werkelijke en voldoende ernstige bedreiging voor een fundamenteel belang van de staat vormen.

Het bestaan van een strafrechtelijke veroordeling vormt niet automatisch een rechtvaardiging voor uitzetting. Het verstrijken van de geldigheidsduur van het document op grond waarvan de inreis in het gastland heeft plaatsgevonden, kan een dergelijke maatregel niet rechtvaardigen.

Alvorens een besluit tot verwijdering van het grondgebied wordt genomen, moet het gastland in ieder geval bepaalde factoren in aanmerking nemen, met name de duur van het verblijf van de betrokkene op zijn grondgebied, diens leeftijd, gezondheidstoestand, sociale integratie en gezinssituatie in het gastland alsmede de mate waarin hij bindingen heeft met zijn land van oorsprong. Indien een burger van de Unie gedurende de tien voorafgaande jaren in het gastland heeft verbleven of indien hij minderjarig is, kan een maatregel ten aanzien van deze burger tot verwijdering van het grondgebied slechts in uitzonderlijke omstandigheden om dwingende redenen van openbare orde worden genomen.

Het besluit tot weigering van toelating tot of verwijdering van het grondgebied moet de betrokkene op zodanige wijze ter kennis worden gebracht dat deze in staat is de inhoud en de gevolgen ervan te begrijpen. Het besluit moet worden gemotiveerd en de beroepsmiddelen en de na te leven termijnen moeten erin worden vermeld. Behalve in dringende gevallen mag de termijn waarbinnen het grondgebied moet worden verlaten niet korter zijn dan één maand na de datum van kennisgeving.

Er mag in geen geval een levenslang verbod om op het grondgebied te verblijven worden uitgevaardigd. De betrokkene kan na drie jaar een aanvraag indienen om zijn situatie opnieuw te onderzoeken. De richtlijn voorziet voorts in een reeks proceduregaranties. De betrokkenen kunnen in het bijzonder gebruik maken van de mogelijkheden in het gastland bij de rechterlijke en in voorkomend geval bestuursrechtelijke instanties beroep in te stellen.

Slotbepalingen

De lidstaten kunnen de nodige maatregelen nemen om in geval van rechtsmisbruik of van fraude, zoals schijnhuwelijken, een in deze richtlijn neergelegd recht te ontzeggen, te beëindigen of in te trekken.

Deze richtlijn geldt ongeacht de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die eventueel gunstiger zijn.

Met ingang van 30 april 2006 worden de artikelen 10 en 11 van Verordening (EEG) nr. 1612/68 geschrapt, en worden Richtlijn 64/221/EG, Richtlijn 68/360/EG, Richtlijn 72/194/EEG, Richtlijn 73/148/EEG, Richtlijn 75/34/EEG, Richtlijn 75/35/EEG, Richtlijn 90/364/EEG, Richtlijn 90/365/EEG en Richtlijn 93/96/EEG ingetrokken. Verordening nr. 635/2006 van de Commissie van 25 april 2006 vervangt eveneens Verordening nr. 1251/70 (EN Deutsch (de) English (en) español (es) français (fr) ) aangezien de inhoud daarvan is vervangen door de nieuwe bepalingen van deze richtlijn.

Ook Verordening nr. 1251/70 van de Commissie is door de Commissie ingetrokken en door de onderhavige richtlijn vervangen.

Op 10 december 2008 heeft de Commissie bij de Raad en het Europees Parlement een verslag ingediend over de tenuitvoerlegging van de richtlijn.

Belangrijkste begrippen
  • Burger van de Unie: eenieder die de nationaliteit van een lidstaat bezit.
  • Familielid: de echtgenoot; de geregistreerde partner, indien de wetgeving van het gastland het geregistreerde partnerschap gelijk stelt met het huwelijk; de rechtstreekse bloedverwanten in neergaande lijn die jonger zijn dan eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn en de bloedverwanten in neergaande lijn van de echtgenoot of partner als hiervoor bedoeld; de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot of partner, die te hunnen laste zijn.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Richtlijn 2004/38/EG

30.4.2004

29.4.2006

L 158 van 30.4.2004

GERELATEERDE BESLUITEN

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad van 2 juli 2009 betreffende richtsnoeren voor een betere omzetting en toepassing van richtlijn 2004/38/EG betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden [COM(2009) 313 definitief – Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].
Deze mededeling bevat globale richtsnoeren voor de lidstaten met het oog op een betere tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG.

Deze richtsnoeren verduidelijken de rechten van de burgers en van hun familieleden en geven de lidstaten precies aan welke maatregelen zij mogen nemen, met name ter bestrijding van misbruik en van schijnhuwelijken.

Teneinde de correcte tenuitvoerlegging van Richtlijn 2004/38/EG te waarborgen, verbindt de Commissie zich ertoe de volgende initiatieven te nemen:

  • het opstellen en het regelmatig bijwerken van een gids voor de burgers om hen beter te informeren over hun rechten;
  • het voeren van bilaterale besprekingen met de lidstaten.
Laatste wijziging: 28.11.2009
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven