RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Verdrag van Maastricht over de Europese Unie

Het Verdrag van Maastricht over de Europese Unie (VEU) vormt een nieuwe mijlpaal in de Europese integratie omdat het de weg opent naar een politieke integratie. Dit verdrag creëert een Europese Unie die op drie pijlers is gebaseerd: de Europese Gemeenschappen, het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) en politiële en justitiële samenwerking in strafzaken (JBZ). Het verdrag heeft een Europees burgerschap ingesteld, de bevoegdheden van het Europees Parlement versterkt en de Europese en Monetaire Unie op gang gebracht (EMU). Voorts is de EEG de Europese Gemeenschap geworden (EG).

OPRICHTING

Het op 7 februari 1992 in Maastricht ondertekende Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) is op 1 november 1993 van kracht geworden. Dit verdrag is het resultaat van externe en interne invloeden. Op extern vlak hebben de ineenstorting van het communisme in Oost-Europa en het perspectief van de Duitse eenwording ertoe bijgedragen dat men besloot de internationale positie van de Gemeenschap te versterken. Op intern vlak wilden de lidstaten de door de Europese Akte geboekte vooruitgang voortzetten met andere hervormingen.

Deze factoren hebben geleid tot het bijeenroepen van twee intergouvernementele conferenties, een over de EMU en de andere over de politieke unie. De Europese Raad van Hannover van 27 en 28 juni 1988 heeft een groep deskundigen, voorgezeten door Jacques Delors, opgedragen een rapport op te stellen waarin concrete stappen worden voorgesteld om tot een economische unie te komen. Op basis van een Belgisch memorandum over de institutionele hervorming en een Frans-Duits initiatief waarin de lidstaten worden opgeroepen de versnelling van de politieke opbouw van Europa in overweging te nemen, heeft de Europese Raad van Dublin van 28 april 1990 besloten te onderzoeken of het in het belang van een sterkere Europese integratie nodig zou zijn om het EG-Verdrag te wijzigen.

Op 14 en 15 december 1990 besloot de Europese Raad van Rome tenslotte de beide intergouvernementele conferenties bijeen te roepen. De werkzaamheden werden een jaar later op de Topbijeenkomst van Maastricht (9 en 10 december 1991) afgesloten.

DOELSTELLINGEN

Sinds het Verdrag van Maastricht is het oorspronkelijke economische doel van de Gemeenschap, d.w.z. de totstandbrenging van één gemeenschappelijke markt, duidelijk voorbijgestreefd en zijn de politieke aspiraties meer op de voorgrond geplaatst.

Met het Verdrag van Maastricht worden derhalve vijf hoofddoelstellingen nagestreefd:

  • versterking van de democratische legitimiteit van de instellingen;
  • verbetering van de doelmatigheid van de instellingen;
  • invoering van een economische en monetaire unie;
  • ontwikkeling van de sociale dimensie van de Gemeenschap;
  • totstandbrenging van een gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

STRUCTUUR

Het Verdrag vertoont een gecompliceerde structuur. Na de preambule volgen zeven titels. Titel I bevat gemeenschappelijke bepalingen voor de Gemeenschappen, het gemeenschappelijk buitenlands beleid en de justitiële samenwerking. Titel II bevat bepalingen tot wijziging van het EEG-Verdrag en de titels III en IV evenwel bepalingen tot wijziging van respectievelijk het EGKS- en het Euratom-Verdrag. Titel V regelt het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB). Titel VI betreft de samenwerking op de gebieden justitie en binnenlandse zaken (JBZ). De slotbepalingen zijn opgenomen in titel VII.

EUROPESE UNIE

Door het Verdrag van Maastricht werd de Europese Unie opgericht, die op drie pijlers is gebaseerd: de Europese Gemeenschappen, het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid en de politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

De eerste pijler bestaat uit de Europese Gemeenschap, de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS) en Euratom en betreft de gebieden waarop de lidstaten hun soevereiniteit gezamenlijk via de communautaire instellingen uitoefenen. In dit verband wordt de procedure toegepast die de communautaire methode wordt genoemd, d.w.z. voorstel door de Europese Commissie, goedkeuring daarvan door de Raad en het Europees Parlement en toezicht op de naleving van het Gemeenschapsrecht door het Hof van Justitie.

De tweede pijler wordt gevormd door het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) dat in titel V van het Verdrag betreffende de Europese Unie is vastgelegd. Deze titel vervangt de betreffende bepalingen in de Europese Akte en stelt de lidstaten in staat gemeenschappelijke acties te ondernemen op het gebied van het buitenlands beleid. Deze pijler berust op een intergouvernementeel besluitvormingsproces, waarbij de meeste besluiten met eenstemmigheid worden genomen. De Commissie en het Parlement spelen hierbij een bescheiden rol en het Hof van Justitie is op dit terrein niet bevoegd.

De derde pijler betreft de samenwerking op de gebieden justitie en binnenlandse zaken (JBZ) die in titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie is vastgesteld. De Unie zal door gezamenlijk optreden haar burgers een hoge mate van bescherming bieden in een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid. Ook hier berust het besluitvormingsproces op de samenwerking van de regeringen.

INSTELLINGEN

Na de Europese Akte wordt de rol van het Europees Parlement verder uitgebreid door het Verdrag van Maastricht. Het toepassingsgebied van de samenwerkingsprocedure en de instemmingsprocedure wordt verruimd met nieuwe sectoren. Bovendien wordt in het Verdrag een medebeslissingsprocedure ingevoerd, die het Europees Parlement de mogelijkheid biedt om gezamenlijk met de Raad wetgeving vast te stellen. Deze procedure behelst intensieve contacten tussen het Parlement en de Raad om tot overeenstemming te komen. Bovendien is het Parlement door het Verdrag betrokken bij de benoeming van de leden van de Commissie. De rol die de Europese politieke partijen voor de Europese integratie spelen, wordt erkend. Zij dragen bij tot de vorming van een Europees bewustzijn en tot de uiting van de politieke wil van de burgers van de Unie. De ambtstermijn van de Commissie wordt van vier op vijf jaar gebracht, om die in overeenstemming te brengen met die van het Europees Parlement.

Evenals de Europese Akte voorziet dit Verdrag in een uitbreiding van de besluitneming met gekwalificeerde meerderheid in de Raad voor de meeste besluiten die volgens de medebeslissingsprocedure en voor alle besluiten die volgens de samenwerkingsprocedure worden genomen.

De betekenis van de regionale dimensie wordt in het Verdrag erkend door de instelling van het Comité van de regio's. Dit raadgevend comité is samengesteld uit vertegenwoordigers van de regionale autoriteiten.

BELEIDSVORMEN

Ingevolge het Verdrag wordt het communautair beleid op zes nieuwe gebieden ten uitvoer gelegd:

  • trans-Europese netwerken,
  • industriebeleid,
  • consumentenbescherming,
  • onderwijs en beroepsopleiding,
  • jeugd,
  • cultuur.

ECONOMISCHE EN MONETAIRE UNIE

De interne markt wordt door de invoering van de EMU voltooid. Het economische beleid omvat drie aspecten. De lidstaten moeten hun economisch beleid coördineren, een multilateraal toezicht op deze coördinatie invoeren en zich onderwerpen aan financiële en budgettaire discipline. Het doel van het monetair beleid is de invoering van één enkele munt en de garantie van de stabiliteit van deze munt door te zorgen voor prijsstabiliteit en respect voor de markteconomie.

Het Verdrag voorziet in de invoering van één enkele munt in drie etappes:

  • de eerste etappe begint op 1 juli 1990 met de liberalisering van het kapitaalverkeer;
  • de tweede etappe begint op 1 januari 1994 en maakt de convergentie van het economische beleid van de lidstaten mogelijk ;
  • de derde etappe moet uiterlijk op 1 januari 1999 beginnen met de invoering van één enkele munt en de oprichting van een Europese centrale bank (ECB).

Het monetair beleid berust op het Europees stelsel van centrale banken (ESCB), waartoe de ECB en de centrale banken van de lidstaten behoren. Deze instellingen zijn onafhankelijk van de politieke autoriteiten van de lidstaten en de Gemeenschap.

Voor twee lidstaten gelden uitzonderingsregelingen. Het Verenigd Koninkrijk heeft zich er niet toe verbonden om naar de derde etappe van de EMU door te gaan. Denemarken heeft bereikt dat een protocol zijn deelname aan de derde etappe laat afhangen van de uitslag van een referendum.

SOCIAAL PROTOCOL

Met het bij het Verdrag gevoegde sociale protocol worden de bevoegdheden van de Gemeenschap op sociaal terrein uitgebreid. Het Verenigd Koninkrijk is niet tot dit protocol toegetreden. De doelstellingen van het protocol zijn:

  • bevordering van de werkgelegenheid,
  • verbetering van de levens- en arbeidsomstandigheden,
  • adequate sociale bescherming,
  • sociale dialoog,
  • de ontwikkeling van personele middelen om een hoog en duurzaam werkgelegenheidspeil te waarborgen,
  • integratie van personen die van de arbeidsmarkt uitgesloten waren.

BURGERSCHAP

Een van de grootste vernieuwingen van het Verdrag is de instelling van een Europees burgerschap dat een aanvulling op het nationale burgerschap is. Iedereen die de nationaliteit van een lidstaat bezit, is ook burger van de Unie. Door dit burgerschap krijgen de Europeanen de volgende nieuwe rechten:

  • het recht van vrij verkeer en vrij verblijf in de Gemeenschap;
  • het actief en passief kiesrecht voor het Europees Parlement en bij de gemeenteraadsverkiezingen in de staat waar men verblijft;
  • het recht op diplomatieke en consulaire bescherming van een andere lidstaat dan de staat van herkomst op het grondgebied van een derde staat waarin de staat van herkomst niet vertegenwoordigd is;
  • het recht om verzoekschriften tot het Europees Parlement te richten en zich met een klacht tot de ombudsman te wenden.

SUBSIDIARITEITSBEGINSEL

In het Verdrag betreffende de Europese Unie is het subsidiariteitsbeginsel, dat in de Europese Akte voor het milieubeleid gold, als algemeen principe verankerd. Volgens dit beginsel mag de Gemeenschap op gebieden die niet onder haar exclusieve bevoegdheid vallen slechts optreden als de doelstellingen van de voorgenomen actie beter op het niveau van de Gemeenschap dan op nationaal niveau verwezenlijkt kunnen worden. In artikel A is bepaald dat "de besluiten van de Unie zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen".

DE TIJD NA MAASTRICHT

Het Verdrag van Maastricht betekent een belangrijke stap vooruit voor de Europese integratie. Door de instelling van de Europese Unie, door de oprichting van een Economische en Monetaire Unie en door de Europese integratie met nieuwe gebieden uit te breiden krijgt de Gemeenschap een politieke dimensie.

In het besef van de verdere integratie op Europees niveau, toekomstige uitbreidingen en noodzakelijke institutionele veranderingen hebben de lidstaten een herzieningsclausule in het Verdrag opgenomen. Daarom voorziet artikel N in het bijeenroepen van een intergouvernementele conferentie in 1996.

Deze conferentie leidde in 1997 tot de ondertekening van het Verdrag van Amsterdam.

ANDERE WIJZIGINGEN IN DIT VERDRAG

  • Verdrag van Amsterdam (1997)
    Het Verdrag van Amsterdam betekent een nieuwe uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie met een gemeenschappelijk werkgelegenheidsbeleid, overheveling naar EU-niveau van een aantal domeinen die voorheen onder de samenwerking inzake justitie en binnenlandse zaken vielen, maatregelen om de Unie dichter bij haar burgers te brengen en de mogelijkheid om nauwer te gaan samenwerken met bepaalde lidstaten (versterkte samenwerking). Bovendien wordt de medebeslissingsprocedure en de stemming bij gekwalificeerde meerderheid uitgebreid en worden de verdragsartikelen vereenvoudigd en opnieuw genummerd.
  • Verdrag van Nice (2001)
    Het Verdrag van Nice is hoofdzakelijk gewijd aan de "restanten" van Amsterdam, d.w.z. institutionele vraagstukken in verband met de uitbreiding, waarvoor in 1997 nog geen oplossing werd gevonden. Het gaat daarbij om de samenstelling van de Commissie, de weging van de stemmen in de Raad en de uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid. Voorts wordt het gemakkelijker om gebruik te maken van de procedure voor een versterkte samenwerking en wordt het rechtssysteem efficiënter gemaakt.
  • Verdrag van Lissabon (2007)
    Het Verdrag van Lissabon voorziet in vergaande hervormingen. Met het verdrag werd een einde gemaakt aan de Europese Gemeenschap, werd de oude architectuur van de EU afgeschaft en werden de bevoegdheden van de EU en de lidstaten herverdeeld. De werking van de Europese instellingen en het besluitvormingsproces werden eveneens gewijzigd met het oog op een betere besluitvorming in een uitgebreide Unie met 27 lidstaten. Het Verdrag van Lissabon houdt ook een hervorming in van verschillende interne en externe beleidsterreinen van de EU. Het geeft de instellingen met name de bevoegdheid om op nieuwe beleidsterreinen wetgeving vast te stellen en maatregelen te nemen.

De Akte is tevens gewijzigd door de volgende toetredingsverdragen:

  • Verdrag betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (1994) waardoor het aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap steeg van twaalf tot vijftien.
  • Verdrag betreffende de toetreding van Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Tsjechië, Slowakije, en Slovenië (2003) waardoor het aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap steeg van vijftien naar vijfentwintig.
  • Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië (2005) waardoor aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap steeg van vijfentwintig naar zevenentwintig.

REFERENTIES

VerdragenOndertekeningInwerkingtredingPublicatieblad
Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht)7.2.19921.11.1993C 191 van 29.7.1992
Verdrag van Amsterdam2.10.19971.5.1999C 340 van 10.11.1997
Verdrag van Nice26.2.20011.2.2003C 80 van 10.3.2001
Verdrag van Lissabon13.12.20071.12.2009 C 306 van 17.12.2007
ToetredingsverdragenOndertekeningInwerkingtredingPublicatieblad
Toetredingsverdrag van Oostenrijk, Finland en Zweden24.6.19941.1.1995C 241 van 29.8.1994
Toetredingsverdrag van de tien nieuwe lidstaten16.4.20031.5.2004L 236 van 23.9.2003
Toetredingsverdrag van Bulgarije en Roemenië25.4.20051.1.2007L 157 van 21.6.2005

De informatiebladen zijn alleen ter informatie van het publiek bedoeld. Zij zijn voor de Europese Commissie juridisch niet bindend, beogen geen volledigheid en hebben geen interpretatieve waarde wat de tekst van het Verdrag betreft.

Laatste wijziging: 15.10.2010

Zie ook

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven