RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap, EEG-Verdrag - oorspronkelijke tekst (niet-geconsolideerde versie)

Het EEG-Verdrag werd in 1957 ondertekend in Rome en verenigt Frankrijk, Duitsland, Italië en de Beneluxlanden in een Gemeenschap die tot doel heeft de integratie, en daarmee de economische expansie, te bevorderen via de handel. Na het Verdrag van Maastricht verandert de EEG in Europese Gemeenschap, een weergave van de wens van de lidstaten om de bevoegdheden van de gemeenschap niet te beperken tot economische terreinen.

ONTSTAAN

De oprichting van de Europese Gemeenschap voor kolen en staal (EGKS) in juli 1952 is de eerste belangrijke stap op weg naar een supranationaal Europa. Het is de eerste keer dat de zes lidstaten van deze Gemeenschap, weliswaar op een beperkt gebied, een deel van hun soevereiniteit afstaan aan de Gemeenschap.
Door de mislukking van de Europese defensiegemeenschap (EDG) in 1954 bereikt de integratiebereidheid al snel haar grenzen.
Hoewel de vrees bestond dat de weg van de EGKS nu geen toekomst meer had, wordt op de Conferentie van Messina in juli 1955 getracht het Europese proces weer op gang te brengen. Na de Conferentie volgen een aantal bijeenkomsten van ministers en deskundigen. Begin 1956 wordt een comité opgericht om een rapport over de eenmaking van de Europese markt op te stellen. Het comité vergadert in Brussel onder het voorzitterschap van P. H. Spaak, de toenmalige Belgische minister van Buitenlandse Zaken. In april 1956 stelt het comité twee projecten voor die aansluiten bij de door de staten gekozen beleidsopties:

  • de invoering van een algemene gemeenschappelijke markt;
  • de oprichting van een Gemeenschap voor atoomenergie

In maart 1957 worden in Rome de bekende "Verdragen van Rome" ondertekend. Het eerste verdrag behelst de oprichting van een Europese Economische Gemeenschap (EEG), het tweede een Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, beter bekend onder de naam Euratom. Beide verdragen worden zonder problemen door alle lidstaten geratificeerd en treden op 1 januari 1958 in werking.

Deze samenvatting gaat enkel over het EEG-Verdrag.

DOELSTELLINGEN

Na de mislukking van de EDG wordt vooral op economisch vlak samengewerkt, het domein waarop binnen de lidstaten de minste weerstand bestaat tegen supranationale samenwerking. Bij de oprichting van de EEG en de invoering van de gemeenschappelijke markt had men twee doelstellingen voor ogen. De eerste doelstelling van het Verdrag is betere economische omstandigheden tot stand brengen voor het handelsverkeer en de productie in de Gemeenschap. De tweede, meer politieke, betrachting van het EEG-Verdrag is bij te dragen tot de functionele integratie van Europa op politiek vlak en vormt een stap naar een verdere eenmaking van Europa.

In de preambule verklaren de ondertekenende partijen:

"- vastbesloten, de grondslagen te leggen voor een steeds hechter verband tussen de Europese volkeren;
- besloten hebbende, door gemeenschappelijk optreden de economische en sociale vooruitgang van hun landen te verzekeren en daartoe de barrières die Europa verdelen te verwijderen;
- vaststellende, als wezenlijk doel van hun streven, een voortdurende verbetering van de omstandigheden waaronder hun volkeren leven en werken, te verzekeren;
- erkennende, dat de verwijdering van de bestaande hinderpalen eensgezind optreden vereist teneinde gestadige expansie, het evenwicht in het handelsverkeer en de eerlijkheid in de mededinging te waarborgen;
- verlangende, de eenheid hunner volkshuishoudingen te versterken en de harmonische ontwikkeling daarvan te bevorderen door het verschil in niveau tussen de onderscheidene gebieden en de achterstand van de minder begunstigde gebieden te verminderen;
- geleid door de wens, door middel van een gemeenschappelijke handelspolitiek bij te dragen tot de geleidelijke opheffing der beperkingen in het internationale handelsverkeer;
- wensende, de verbondenheid van Europa met de landen overzee te bevestigen en verlangende, de ontwikkeling van hun welvaart te verzekeren, overeenkomstig de beginselen van het Handvest der Verenigde Naties;
- vastbesloten, door deze bundeling van krachten de waarborgen voor vrede en vrijheid te versterken, en de overige Europese volkeren die hun idealen delen, oproepende zich bij hun streven aan te sluiten."

Deze intenties liggen ten grondslag aan de invoering van een gemeenschappelijke markt, de oprichting van een douane-unie en de ontwikkeling van gemeenschappelijk beleid op een aantal vlakken.

VERWEZENLIJKINGEN

Het EEG-Verdrag voorziet in de invoering van een gemeenschappelijke markt, een douane-unie en gemeenschappelijk beleid. Deze drie doelstellingen worden expliciet vermeld in de artikelen 2 en 3 van het Verdrag. In de tekst wordt vermeld dat de Gemeenschap in de eerste plaats streeft naar de instelling van een gemeenschappelijke markt en worden de maatregelen beschreven die de Gemeenschap moet nemen om deze doelstelling te bereiken.

De instelling van een gemeenschappelijke markt

Artikel 2 van het EEG-Verdrag luidt als volgt: "De Gemeenschap heeft, door het instellen van een gemeenschappelijke markt en door het geleidelijk nader tot elkaar brengen van het economische beleid van de lidstaten, tot taak de bevordering van de harmonische ontwikkeling van de economische activiteit binnen de gehele Gemeenschap, een gestadige en evenwichtige expansie, een grotere stabiliteit, een toenemende verbetering van de levensstandaard en nauwere betrekkingen tussen de in de Gemeenschap verenigde staten".

Aan de gemeenschappelijke markt liggen de bekende "vier vrijheden" ten grondslag: het vrije verkeer van personen, diensten, goederen en kapitaal.
Het Verdrag voorziet in een eengemaakte economische ruimte met vrije concurrentie tussen de ondernemingen en legt de basis voor een harmonisering van de voorwaarden voor het op de markt brengen van producten en diensten (behalve voor producten en diensten die reeds onder de andere verdragen vallen - EGKS en Euratom).

In artikel 8 van het EEG-Verdrag wordt bepaald dat de gemeenschappelijke markt geleidelijk tot stand wordt gebracht gedurende een overgangsperiode van twaalf jaar, verdeeld in drie etappes van vier jaar. Aan elke etappe is een pakket maatregelen verbonden die moeten worden geïnitieerd en voortgezet. Behoudens de in het Verdrag genoemde uitzonderingen en afwijkingen moeten alle regels met betrekking tot de eengemaakte markt in werking treden aan het einde van de overgangsperiode.

Aangezien de markt gebaseerd is op het beginsel van de vrije mededinging, verbiedt het Verdrag afspraken tussen ondernemingen en staatssteun, behoudens uitzonderingen, die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken of ten gevolge hebben dat de mededinging wordt gehinderd, beperkt of vervalst.

De overzeese landen en gebieden worden met de gemeenschappelijke markt geassocieerd teneinde het handelsverkeer uit te breiden en gezamenlijk de economische en sociale ontwikkeling te bevorderen.

De instelling van een douane-unie

Bij het EEG-Verdrag worden de voor de handel tussen de lidstaten geldende douanetarieven afgeschaft.
De vroegere tarieven van de lidstaten worden vervangen door een gemeenschappelijk douanetarief, dat een soort van buitengrens vormt voor producten uit derde landen. De douane-unie gaat gepaard met een gemeenschappelijk handelsbeleid. Dit beleid wordt niet langer op nationaal maar op Gemeenschapsniveau wordt gevoerd en houdt een wezenlijk verschil in tegenover de traditionele vrijhandelsassociatie.

De gevolgen van de afbouw van de douanebarrières en het schrappen van de kwantitatieve beperkingen tijdens de overgangsperiode zijn zeer positief en zorgen voor een aanzienlijke toename van zowel de handel binnen de EEG, als tussen de EEG en derde landen.

De ontwikkeling van gemeenschappelijk beleid

Een aantal gemeenschappelijke beleidsdomeinen worden formeel in het Verdrag vermeld: het gemeenschappelijk landbouwbeleid (artikel 38 tot 47), de gemeenschappelijke handelspolitiek (artikel 110 tot 116) en het gemeenschappelijk vervoerbeleid (artikel 74 tot 84).
Andere gemeenschappelijke beleidsdomeinen kunnen naar behoefte worden ontwikkeld op grond van artikel 235 waarin wordt bepaald dat: "indien een optreden van de Gemeenschap noodzakelijk blijkt om, in het kader van de gemeenschappelijke markt, een der doelstellingen van de Gemeenschap te verwezenlijken zonder dat dit Verdrag in de daartoe vereiste bevoegdheden voorziet, de Raad met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie en na raadpleging van het Europees Parlement de passende maatregelen neemt".
Vanaf de top van Parijs in oktober 1972 werd op grond van dit artikel een gemeenschappelijk beleid te ontwikkeld inzake milieu, regionale ontwikkeling, sociale aangelegenheden en industrie.

Samen met de ontwikkeling van deze beleidsdomeinen wordt enerzijds het Europees Sociaal Fonds opgericht, dat tot doel heeft de arbeidsmogelijkheden van werknemers te verbeteren en hun levensstandaard te verhogen, en anderzijds de Europese Investeringsbank, die nieuwe middelen moet vrijmaken voor de economische expansie van de Gemeenschap.

STRUCTUUR

Het EEG-Verdrag bestaat uit 240 artikelen en is onderverdeeld in zes delen, voorafgegaan door een preambule.

  • In deel één worden de beginselen behandeld die ten grondslag liggen aan de EEG en in het bijzonder de gemeenschappelijke markt, de douane-unie en het gemeenschappelijk beleid;
  • Deel twee behandelt over de grondslagen van de Gemeenschap en is onderverdeeld in vier titels over respectievelijk het vrije verkeer van goederen, de landbouw, het vrije verkeer van personen, diensten en kapitaal en ten slotte vervoer;
  • Deel drie is gewijd aan het beleid van de Gemeenschap en op zijn beurt onderverdeeld in vier titels over gemeenschappelijke regels, het economische beleid, sociale politiek en de Europese Investeringsbank;
  • Deel vier behandelt de associatie van overzeese landen en gebieden;
  • Deel vijf gaat over de instellingen van de Gemeenschap met een titel over een aantal bepalingen inzake de instellingen en een tweede titel met financiële bepalingen;
  • Deel zes omvat de algemene en slotbepalingen.

Bij het Verdrag horen ook vier bijlagen betreffende een aantal tariefposten, landbouwproducten, onzichtbare transacties en ten slotte landen en gebieden overzee.

Tevens werden aan het Verdrag twaalf protocollen gehecht. Het eerste betreft de statuten van de Europese Investeringsbank, terwijl de betrekking hebben op diverse problemen die specifiek van belang zijn voor één land (Duitsland, Frankrijk Italië, Luxemburg en Nederland) of voor één bepaald product zoals minerale oliën, bananen of ongebrande koffie.

Ten slotte zijn bij de slotakte ook negen verklaringen gevoegd.

INSTELLINGEN

De instellingen en beslissingsmechanismen die worden ingesteld in het kader van het EEG-Verdrag vertegenwoordigen zowel de nationale belangen als een gemeenschappelijke visie. Het institutioneel evenwicht bestaat uit een "driehoek" gevormd door de Raad, de Commissie en het Europees Parlement, die samen moeten werken. De Raad stelt de normen op, de Commissie formuleert voorstellen en het Parlement heeft een adviserende rol. De driehoek wordt aangevuld met nog een adviserend orgaan: het Economisch en Sociaal Comité.

Hoewel in gezamenlijk overleg aangesteld door de regeringen van de lidstaten, vertegenwoordigt de Commissie als onafhankelijk college het gemeenschappelijk belang. De Commissie heeft als enige instelling het recht nieuwe gemeenschapswetgeving voor te stellen aan de Raad van ministers. Als "hoedster van de verdragen" ziet zij toe op de toepassing van de verdragen en het daarvan afgeleide recht. In die hoedanigheid beschikt zij over verschillende middelen om controle uit te oefenen op de lidstaten en het bedrijfsleven en is zij bevoegd om het gemeenschappelijk beleid uit te voeren.

De Raad van ministers is samengesteld uit vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten en beschikt over de belangrijkste beslissingsbevoegdheden. Hij wordt bijgestaan door het Comité van Permanente Vertegenwoordigers (COREPER) dat de voorbereidende werkzaamheden uitvoert alsmede andere taken waartoe de Raad opdracht geeft.

Het Parlement beschikt in het beginstadium slechts over een adviserende stem en zijn leden worden nog niet rechtstreeks gekozen. Het Verdrag voorziet ook in de oprichting van een Hof van Justitie.

In de Overeenkomst betreffende bepaalde Instellingen, die op hetzelfde tijdstip als de Verdragen van Rome is ondertekend en in werking getreden, zijn het Parlement en het Hof van Justitie gemeenschappelijke instellingen voor zowel het EEG- als het Euratomverdrag.

Bij de inwerkingtreding van het Fusieverdrag in 1967 worden de Raad en de Commissie gemeenschappelijke instellingen voor de drie Gemeenschappen (EGKS, EEG en Euratom) en wordt de eenheid van de begroting ingevoerd.

WIJZIGINGEN

Het EEG-Verdrag werd gewijzigd door de volgende verdragen:

  • Verdrag van Brussel, het zogenaamde "Fusieverdrag" (1965)
    Door dit verdrag worden de drie ministerraden (EEG, EGKS en Euratom) enerzijds en de twee Commissies (EEG, Euratom) en de Hoge Autoriteit (EGKS) anderzijds vervangen door één Raad en één Commissie. Deze administratieve fusie wordt gekoppeld aan de invoering van één huishoudelijke begroting.
  • Verdrag houdende wijziging van een aantal budgettaire bepalingen (1970)
    Dit verdrag vervangt de financiering van de Gemeenschap via bijdragen van de lidstaten door een stelstel van eigen middelen. Tevens wordt voor de verschillende Gemeenschappen één begroting ingevoerd.
  • Verdrag houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen (1975)
    Op grond van dit verdrag beschikt het Europees Parlement over het recht om de begroting te verwerpen of de Commissie kwijting te verlenen voor de uitvoering ervan. Voor de drie Gemeenschappen wordt één gezamenlijke Rekenkamer ingesteld die instaat voor het financieel beheer en controle zal uitoefenen op de boekhouding.
  • Verdrag Groenland (1984)
    Krachtens dit verdrag zijn de Europese verdragen niet langer van toepassing op het grondgebied van Groenland en onderhoudt de EEG bijzondere betrekkingen met Groenland, naar voorbeeld van de relaties met de overzeese gebieden.
  • Europese Akte (1986)
    De Europese Akte is de eerste grote hervorming van de verdragen. De stemming bij gekwalificeerde meerderheid in de Raad wordt uitgebreid, het Europees Parlement krijgt een grotere rol toebedeeld (samenwerkingsprocedure) en de bevoegdheden van de Gemeenschap worden uitgebreid. Voorts wordt 1992 aangekondigd als streefdatum voor de invoering van de interne markt.
  • Verdrag betreffende de Europese Unie, het zogenaamde Verdrag van Maastricht (1992)
    Het Verdrag van Maastricht integreert de drie Gemeenschappen (Euratom, EGKS, EEG) en de geïnstitutionaliseerde politieke samenwerking op het vlak van buitenlands beleid, defensie, politie en justitie in één Europese Unie. De naam EEG wordt ingekort tot EG. Voorts worden een economische en monetaire unie en nieuwe gemeenschappelijke beleidsdomeinen (onderwijs, cultuur) ingevoerd. Het Europees Parlement krijgt ruimere bevoegdheden (medebeslissingsprocedure).
  • Verdrag van Amsterdam (1997)
    Het Verdrag van Amsterdam betekent een nieuwe uitbreiding van de bevoegdheden van de Unie met een gemeenschappelijk werkgelegenheidsbeleid, overheveling naar EU-niveau van een aantal domeinen die voorheen onder de samenwerking inzake justitie en binnenlandse zaken vielen, maatregelen om de Unie dichter bij haar burgers te brengen, de mogelijkheid om nauwer te gaan samenwerken met een beperkt aantal lidstaten (versterkte samenwerking). Bovendien wordt de medebeslissingsprocedure en de stemming bij gekwalificeerde meerderheid uitgebreid en worden de verdragsartikelen vereenvoudigd en opnieuw genummerd.
  • Verdrag van Nice (2001)
    Het Verdrag van Nice is hoofdzakelijk gewijd aan de "restanten" van Amsterdam, dit wil zeggen aan een aantal institutionele problemen in verband met de uitbreiding, waarvoor in 1997 nog geen oplossing werd gevonden. Het gaat om de samenstelling van de Commissie, de weging van de stemmen in de Raad en de uitbreiding van de stemming bij gekwalificeerde meerderheid. Voorts wordt het gemakkelijker om gebruik te maken van de procedure voor een versterkte samenwerking en wordt het rechtssysteem efficiënter gemaakt.
  • Verdrag van Lissabon (2007)
    Het Verdrag van Lissabon voorziet in vergaande hervormingen. Met het verdrag werd een einde gemaakt aan de Europese Gemeenschap, werd de oude architectuur van de EU afgeschaft en werden de bevoegdheden van de EU en de lidstaten herverdeeld. De werking van de Europese instellingen en het besluitvormingsproces werden eveneens gewijzigd met het oog op een betere besluitvorming in een uitgebreide Unie met 27 lidstaten. Het Verdrag van Lissabon houdt ook een hervorming in van verschillende interne en externe beleidsterreinen van de EU. Het geeft de instellingen met name de bevoegdheid om op nieuwe beleidsterreinen wetgeving vast te stellen en maatregelen te nemen.

Het Verdrag werd tevens gewijzigd door de volgende toetredingsverdragen:

  • Toetredingsverdrag van Groot-Brittannië, Denemarken en Ierland (1972), waarbij het aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap toeneemt van zes naar negen.
  • Toetredingsverdrag van Griekenland (1979)
  • Toetredingsverdrag van Spanje en Portugal (1985); het aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap stijgt tot twaalf.
  • Verdrag betreffende de toetreding van Oostenrijk, Finland en Zweden (1994), waardoor het aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap groeit van twaalf tot vijftien.
  • Verdrag betreffende de toetreding van Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Tsjechië, Slowakije, en Slovenië (2003), waardoor de Europese Gemeenschap uitgebreid wordt tot vijfentwintig lidstaten.
  • Verdrag betreffende de toetreding van Bulgarije en Roemenië (2005) waardoor aantal lidstaten van de Europese Gemeenschap steeg van vijfentwintig naar zevenentwintig.

REFERENTIES

VerdragenDatum van ondertekeningDatum van inwerkingtredingPublicatieblad
Verdrag tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (EEG)25.3.19571.1.1958Niet gepubliceerd
Fusieverdrag8.4.19651.7.1967152 van 13.7.1967
Verdrag houdende wijziging van een aantal budgettaire bepalingen22.4.19701.1.1971L 2 van 2.1.1971
Verdrag houdende wijziging van een aantal financiële bepalingen22.7.19751.6.1977L 359 van 31.12.1977
Verdrag Groenland13.3.19841.1.1985L 29 van 1.2.1985
Europese Akte28.2.19861.7.1987L 169 van 29.6.1987
Verdrag betreffende de Europese Unie (Verdrag van Maastricht)7.2.19921.11.1993C 191 van 29.7.1992
Verdrag van Amsterdam2.10.19971.5.1999C 340 van 10.11.1997
Verdrag van Nice26.2.20011.2.2003C 80 van 10.3.2001
Verdrag van Lissabon13.12.20071.12.2009C 306 van 17.12.2007
ToetredingsverdragDatum van ondertekeningDatum van inwerkingtredingPublicatieblad
Toetredingsverdrag van het Verenigd Koninkrijk, Ierland en Denemarken22.1.19721.1.1973L 73 van 27.3.1972
Toetredingsverdrag van Griekenland28.5.19791.1.1981L 291 van 19.11.1979
Toetredingsverdrag van Spanje en Portugal12.6.19851.1.1986L 302 van 15.11.1985
Toetredingsverdrag van Oostenrijk, Finland en Zweden24.6.19941.1.1995C 241 van 29.8.1994
Toetredingsverdrag van de tien nieuwe lidstaten16.4.20031.5.2004L 236 van 23.9.2003
Toetredingsverdrag van Bulgarije en Roemenië25.4.20051.1.2007L 157 van 21.6.2005

De samenvattingen zijn niet juridisch bindend voor de Europese Commissie, maken geen aanspraak op volledigheid en hebben niet tot doel Verdragsteksten te interpreteren.

Laatste wijziging: 26.10.2010

Zie ook

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven