RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 23 talen
Nieuwe beschikbare talen:  BG - CS - ET - GA - LV - LT - HU - MT - PL - RO - SK - SL

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid

INLEIDING

Het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) vervangt het Europees veiligheids- en defensiebeleid (EVDB). Het Verdrag van Lissabon verandert de naam van het beleid en wijdt er een nieuw hoofdstuk aan in de oprichtingsverdragen. Op die manier onderstreept het Verdrag van Lissabon het belang en de specificiteit van het GVDB, dat nog steeds een wezenlijk deel uitmaakt van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB).

Aanvullend bevat het Verdrag van Lissabon ook nieuwe bepalingen die het GVDB verder moeten ontwikkelen. De voornaamste vernieuwingen strekken tot een geleidelijke totstandbrenging van een gemeenschappelijke Europese defensie.

De lidstaten kunnen deelnemen aan militaire of humanitaire missies en zijn voortaan gebonden aan een solidariteitsclausule op het gebied van Europese defensie. Bovendien beschikken zij over de nodige middelen om ter zake nauwer samen te werken, met name in het kader van het Europees Defensieagentschap of door de totstandbrenging van een permanente gestructureerde samenwerking.

In het verlengde van de vorige verdragen blijft het GVDB in wezen een intergouvernementele aangelegenheid. De Raad van de EU neemt hoofdzakelijk besluiten aan met eenparigheid van stemmen. De financiering en de operationele middelen voor de missies die in het kader van het GVDB worden uitgevoerd, worden door de lidstaten geleverd.

UITBREIDING VAN DE MISSIES DIE IN HET KADER VAN HET GVDB WORDEN UITGEVOERD

Het GVDB biedt een kader voor samenwerking op grond waarvan de EU operationele missies in derde landen kan uitvoeren. Deze missies zijn met name gericht op vredeshandhaving en bevordering van de internationale veiligheid. Zij steunen op civiele en militaire middelen die door de lidstaten ter beschikking worden gesteld.

Vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon konden in het kader van het GVDB de volgende missies worden uitgevoerd:

  • humanitaire en evacuatiemissies;
  • missies met het oog op conflictpreventie en vredeshandhaving;
  • crisisbeheersingsmissies van strijdkrachten.

Het Verdrag van Lissabon voegt drie nieuwe soorten missies aan deze lijst toe:

  • gezamenlijke ontwapeningsacties;
  • advies en bijstand op militair gebied;
  • stabiliseringsoperaties na afloop van conflicten.

De Raad bepaalt de doelstellingen en de algemene werkwijze voor de uitvoering van de missies. Met de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon kan hij voortaan de uitvoering van een missie delegeren aan een groep lidstaten die dat wenst en die over de civiele en militaire middelen beschikt die voor de betrokken missie nodig zijn. De lidstaten die voor de operaties verantwoordelijk zijn moeten de Raad geregeld verslag uitbrengen over de stand van zaken. Zij treden bovendien op in overleg met de hoge vertegenwoordiger voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid.

Het Verdrag van Lissabon erkent ook het eventuele optreden van multinationale strijdkrachten in het kader van de tenuitvoerlegging van het GVDB. Deze strijdkrachten zijn het resultaat van een militaire alliantie van bepaalde lidstaten die besloten hebben om hun capaciteit, uitrusting en personele middelen te bundelen. De voornaamste Europese strijdkrachten zijn:

  • Eurofor: landstrijdkrachten van Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal;
  • Eurokorps: landstrijdkrachten van Duitsland, België, Spanje, Frankrijk en Luxemburg;
  • Euromarfor: zeestrijdkrachten van Spanje, Frankrijk, Italië en Portugal;
  • de Europese Groep van Luchtmachten: de luchtmacht van Duitsland, België, Spanje, Frankrijk, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk.

CLAUSULE VAN WEDERZIJDSE BIJSTAND

Het Verdrag van Lissabon introduceert voor het eerst een clausule van wederzijdse bijstand die specifiek van toepassing is op de lidstaten van de EU. Een lidstaat die op zijn grondgebied gewapenderhand wordt aangevallen kan rekenen op hulp en bijstand van de overige lidstaten, die verplicht zijn te hulp te komen.

Deze clausule wordt evenwel afgezwakt door twee beperkingen:

  • de clausule van wederzijdse bijstand heeft geen gevolgen voor het veiligheids- en defensiebeleid van bepaalde lidstaten, met name de lidstaten die traditioneel neutraal zijn;
  • de clausule van wederzijdse bijstand heeft geen gevolgen voor de verbintenissen die zijn aangegaan in het kader van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie (NAVO) (EN) (FR).

EUROPEES DEFENSIEAGENTSCHAP

Het Verdrag van Lissabon breidt de bevoegdheden van het Europees Defensieagentschap uit en geeft er een nauwkeuriger omschrijving van. Het is voornamelijk de bedoeling de militaire capaciteit van de lidstaten te vergroten. Daartoe moet het agentschap:

  • voor de lidstaten gemeenschappelijke doelstellingen vastleggen met betrekking tot hun militaire capaciteit;
  • programma’s opzetten en toezien op het beheer daarvan om ervoor te zorgen dat de vastgestelde doelstellingen verwezenlijkt worden;
  • de operationele behoeften van de lidstaten harmoniseren en zodoende de aankoopmethoden voor militaire uitrusting te verbeteren;
  • de onderzoeksactiviteiten inzake technologie op het gebied van defensie coördineren;
  • bijdragen tot de versterking van de industriële en technologische basis van de defensiesector alsook tot efficiëntere militaire uitgaven.

PERMANENTE GESTRUCTUREERDE SAMENWERKING

De permanente gestructureerde samenwerking is een nauwere samenwerking tussen bepaalde lidstaten op het gebied van defensie. Deze samenwerking is het voorwerp van een protocol dat aan het Verdrag van Lissabon is gehecht.

De deelnemende lidstaten verbinden zich ertoe hun defensiecapaciteit nog sterker te ontwikkelen en gevechtseenheden voor de voorgenomen missies ter beschikking te stellen. De bijdragen van de deelnemende lidstaten worden geregeld door het Europees Defensieagentschap geëvalueerd.

De Raad dient op verzoek van de deelnemende lidstaten met een gekwalificeerde meerderheid van stemmen toestemming te verlenen voor de permanente gestructureerde samenwerking. Voor de instelling van een permanente gestructureerde samenwerking is geen minimumaantal lidstaten vereist. Elke lidstaat kan de permanente samenwerking vrij verlaten of, indien hij aan alle voorwaarden voldoet, zich erbij aansluiten.

Laatste wijziging: 07.05.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven