RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Verdeling van de bevoegdheden in de Europese Unie

INLEIDING

Het Verdrag van Lissabon verduidelijkt de verdeling van de bevoegdheden tussen de Europese Unie (EU) en de lidstaten. Voor het eerst wordt in de oprichtingsverdragen een nauwkeurige classificatie opgenomen, waarbij drie hoofdbevoegdheden worden onderscheiden: de exclusieve bevoegdheden, de gedeelde bevoegdheden en de ondersteunende bevoegdheden.

Deze classificatie houdt geen noemenswaardige bevoegdheidsoverdracht in. Toch betreft het een belangrijke hervorming die noodzakelijk is voor de goede werking van de EU. In het verleden hebben zich namelijk meermaals bevoegdheidsconflicten voorgedaan tussen de EU en de lidstaten. Voortaan zijn de bevoegdheden van zowel de lidstaten als de EU duidelijk afgebakend. Deze transparantie vergemakkelijkt ook de toepassing van de grondbeginselen in verband met het toezicht op en de uitoefening van de bevoegdheden.

AFSCHAFFING VAN DE PIJLERS VAN DE EU

De afschaffing van de driepijlerstructuur van de EU is een van de meest opmerkelijke veranderingen van het Verdrag van Lissabon. De betrokken pijlers waren:

  • de Europese Gemeenschap;
  • het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB);
  • politiële en justitiële samenwerking in strafzaken.

Binnen deze structuur overlapten verschillende soorten bevoegdheden elkaar. Besluiten in het kader van de eerste pijler werden aangenomen volgens de wetgevingsprocedures van de EU. De twee andere pijlers berustten daarentegen op intergouvernementele samenwerking tussen de lidstaten.

Het Verdrag van Lissabon maakt een einde aan deze ingewikkelde constructie. De Europese Gemeenschap verdwijnt en wordt vervangen door de EU, die wetgevingsprocedures krijgt waarmee zij de haar toegedeelde bevoegdheden ten volle kan uitoefenen. Bovendien krijgt de EU ook rechtspersoonlijkheid, wat tot nu toe voorbehouden was aan de vroegere Gemeenschap. De EU kan voortaan dus verdragen sluiten op de gebieden die onder haar bevoegdheid vallen.

DE DRIE GROTE BEVOEGDHEIDSTYPEN

In het Verdrag betreffende de werking van de EU (VWEU) worden drie soorten bevoegdheden onderscheiden en voor elke bevoegdheid is een niet-exhaustieve lijst van betrokken domeinen vastgesteld:

  • de exclusieve bevoegdheden (artikel 3 van het VWEU): alleen de EU mag wetgeving opstellen en bindende besluiten aannemen op de gebieden die onder deze bevoegdheden vallen. De rol van de lidstaten blijft met andere woorden beperkt tot de tenuitvoerlegging van deze rechtsbesluiten, behalve wanneer de Unie hen machtigt om zelf bepaalde besluiten aan te nemen;
  • de gedeelde bevoegdheden (artikel 4 van het VWEU): zowel de EU als de lidstaten zijn gemachtigd om op deze gebieden bindende rechtsbesluiten aan te nemen. De lidstaten kunnen hun bevoegdheid echter slechts uitoefenen in zoverre de EU haar bevoegdheid niet heeft uitgeoefend of besloten heeft om dat niet te doen;
  • de ondersteunende bevoegdheden (artikel 6 van het VWEU): de EU kan de initiatieven van de lidstaten slechts ondersteunen, coördineren of aanvullen. Zij heeft dus geen wetgevende bevoegdheid op deze gebieden en kan niet interfereren met deze bevoegdheden, die zijn voorbehouden aan de lidstaten.

BIJZONDERE BEVOEGDHEDEN

De EU beschikt op bepaalde gebieden over bijzondere bevoegdheden:

  • coördinatie van het economisch beleid en het werkgelegenheidsbeleid (artikel 5 van het VWEU): de EU is bevoegd om deze coördinatie op zich te nemen. Zij dient in dit verband krachtlijnen en richtsnoeren voor de lidstaten vast te stellen;
  • het GBVB (artikel 24 van het Verdrag betreffende de EU): de EU is bevoegd voor alles wat verband houdt met het GBVB. Zij staat in voor de ontwikkeling en de tenuitvoerlegging van het beleid, onder meer via de voorzitter van de Europese Raad en de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid, van wie de rol en de status in het Verdrag van Lissabon zijn erkend. De EU kan echter geenszins wetgeving aannemen op dit gebied. Bovendien is ook het Hof van Justitie van de EU niet bevoegd om ter zake uitspraak te doen;
  • de “flexibiliteitsclausule” (artikel 352 van het VWEU): op grond van deze clausule kan de EU de haar toegedeelde bevoegdheden te buiten gaan indien het doel dat vereist. Deze clausule gaat echter gepaard met een strenge procedure en de toepassing ervan is onderworpen aan bepaalde beperkingen.

UITOEFENING VAN DE BEVOEGDHEDEN

8. De Unie dient bij de uitoefening van haar bevoegdheden drie grondbeginselen in acht te nemen die zijn vastgesteld in artikel 5 van het Verdrag betreffende de EU. De afbakening van de bevoegdheden van de EU maakt de goede toepassing van deze beginselen heel wat gemakkelijker:

  • het beginsel van de bevoegdheidstoedeling: de Unie beschikt slechts over de bevoegdheden die haar door de verdragen zijn toegedeeld;
  • het evenredigheidsbeginsel: de EU mag bij de uitoefening van haar bevoegdheden maar zover gaan als nodig is voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de verdragen;
  • het subsidiariteitsbeginsel: wat de gedeelde bevoegdheden betreft, kan de EU pas actie ondernemen indien zij doeltreffender kan handelen dan de lidstaten.

BEVOEGDHEIDSOVERDRACHT

De huidige bevoegdheidsverdeling tussen de EU en de lidstaten is niet onveranderlijk. Toch is het inperken of uitbreiden van de bevoegdheden van de EU een gevoelig onderwerp waarvoor de instemming van alle lidstaten alsook een herziening van de verdragen vereist zijn.

Laatste wijziging: 23.03.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven