RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Het subsidiariteitsbeginsel

INLEIDING

Het subsidiariteitsbeginsel is fundamenteel voor de werking van de Europese Unie (EU), en meer bepaald voor de Europese besluitvormingsprocedures. Dit beginsel bepaalt of de EU bevoegd is om besluiten te nemen en zorgt ervoor dat de besluiten zo dicht mogelijk bij de burgers worden genomen.

Het subsidiariteitsbeginsel werd bekrachtigd door artikel 5 van het Verdrag betreffende de EU. In dat artikel werden nog twee andere beginselen opgenomen die ook als essentieel beschouwd worden voor de Europese besluitvorming: de beginselen van bevoegdheidstoedeling en evenredigheid.

Het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid legt de inwerkingstelling van het subsidiariteitsbeginsel vast. Bovendien heeft het Verdrag van Lissabon het beginsel kracht bijgezet door meerdere controlemechanismen in te voeren met het oog op een correcte toepassing ervan.

DEFINITIE

Het subsidiariteitsbeginsel beoogt het bepalen van het meest geschikte interventieniveau op vlak van gedeelde bevoegdheden tussen de EU en de lidstaten. Dit kan gaan om Europese, nationale of lokale zaken. In al deze gevallen mag de EU slechts tussenkomen als zij in staat is doeltreffender op te treden dan de lidstaten. Het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid houdt drie criteria in die de mogelijkheid tot een tussenkomst op Europees niveau moeten bevestigen of ontkrachten:

  • Heeft de actie transnationale aspecten die niet geregeld kunnen worden door de lidstaten?
  • Zou het optreden van de lidstaten alleen of het niet optreden in strijd zijn met het Verdrag?
  • Levert het optreden op Europees niveau zichtbare voordelen op?

Het subsidiariteitsbeginsel heeft ook als doel de EU en haar burgers dichter bij elkaar te brengen door, als dat nodig wordt geacht, op lokaal niveau op te treden. Het subsidiariteitsbeginsel betekent echter niet dat er altijd een zo dicht mogelijk bij de burgers aanleunende actie moet worden ondernomen.

COMPLEMENTARITEIT MET DE BEGINSELEN VAN BEVOEGDHEIDSTOEDELING EN EVENREDIGHEID

Artikel 5 van het verdrag betreffende de EU begrenst de bevoegdheden tussen de Unie en de lidstaten. Dit artikel beroept zich eerst en vooral op het beginsel van bevoegdheidstoedeling dat verklaart dat de Unie slechts over de bevoegdheden beschikt die haar werden toegewezen door de Verdragen.

De beginselen van subsidiariteit en evenredigheid zijn een logisch gevolg van het beginsel van bevoegdheidstoedeling. Ze bepalen in welke mate de EU de haar door de Verdragen toegewezen bevoegdheden mag gebruiken. Op grond van het beginsel van evenredigheid mag de EU slechts de noodzakelijke middelen inzetten om de door de Verdragen vastgelegde doelstellingen te bereiken.

Zo mag de Unie slechts optreden in een beleidsdomein als:

  • dit optreden onder de bevoegdheden valt van de EU die de Verdragen haar hebben toegewezen (beginsel van bevoegdheidstoedeling);
  • in het kader van de gedeelde bevoegdheden met de lidstaten een optreden op Europees niveau doeltreffender is voor het bereiken van de door de Verdragen vastgelegde doelstellingen (subsidiariteitsbeginsel);
  • de inhoud en de vorm van het optreden het noodzakelijke niet overschrijdt om de door de Verdragen vastgelegde doelstellingen te bereiken (beginsel van evenredigheid).

TOEZICHT OP HET SUBSIDIARITEITSBEGINSEL

De mechanismen voor toezicht op het subsidiariteitsbeginsel worden door het Protocol betreffende de toepassing van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid georganiseerd. Het Verdrag van Lissabon heeft dit protocol hervormd om dit toezicht te verbeteren en versterken.

Het protocol, ingeleid door het Verdrag van Amsterdam, houdt al enkele verplichtingen in bij de uitwerking van wetgevingsvoorstellen. Zo moet de Commissie, vooraleer een wetgevingsvoorstel te doen, een Groenboek opstellen. Deze Groenboeken bestaan uit uitgebreide beraadslagingen. De Commissie kan op die manier peilen naar de mening van de nationale en lokale instellingen en de burgerlijke bevolking over een wetsvoorstel, meer bepaald wat het subsidiariteitsbeginsel betreft.

Het protocol legt de Commissie bovendien de verplichting op om bij de wetgevingsvoorstellen een formulier te voegen dat de naleving van de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid aantoont.

Het Verdrag van Lissabon is vernieuwend door de nationale parlementen volop te betrekken bij het toezicht op het subsidiariteitsbeginsel. De nationale parlementen voeren voortaan namelijk een dubbele controle uit:

  • Ze beschikken over het recht om zich tegen de uitwerking van wetgevingsvoorstellen te verzetten. Ze zijn daarom in staat om een wetsvoorstel terug aan de Commissie voor te leggen waarvan ze vinden dat het subsidiariteitsbeginsel niet wordt nageleefd (zie fiche “nationale parlementen”);
  • Via de bemiddelaar van hun lidstaat kunnen ze een wetsbesluit aanvechten voor het Hof van Justitie van de EU als ze vinden dat het subsidiariteitsbeginsel niet wordt nageleefd.

Het Verdrag van Lissabon betrekt het Comité van de Regio’s ook bij het toezicht op het subsidiariteitsbeginsel. Naar het voorbeeld van de nationale parlementen kan het Comité ook een wetsbesluit aanvechten voor het Hof van Justitie van de EU als het Comité vindt dat het subsidiariteitsbeginsel niet wordt nageleefd.

Deze samenvatting heeft een louter informatief karakter en is niet bedoeld als interpretatie of ter vervanging van het referentiedocument.

Laatste wijziging: 04.03.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven