RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 11 talen

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


De Europese Commissie

INLEIDING

Aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen is een protocol inzake de instellingen in het vooruitzicht van de uitbreiding gehecht. In dit protocol worden enkele institutionele voorwaarden vastgelegd die bij de komende uitbreiding zullen moeten zijn vervuld, en is bepaald dat een nieuwe Intergouvernementele Conferentie wordt bijeengeroepen voordat de Europese Unie uit meer dan twintig lidstaten zal bestaan. De huidige structuur is namelijk die van een voor zes lidstaten opgezette organisatie, en hoewel zij werd aangepast om rekening te houden met de toetreding van nieuwe lidstaten, liggen er nog steeds dezelfde institutionele beginselen aan ten grondslag.

Het nieuwe verdrag wijzigt de investituursprocedure van de Commissie teneinde de legitimiteit van de Commissie op de door het Verdrag van Maastricht aangegeven wijze te consolideren. Het protocol inzake de instellingen koppelt het vraagstuk van de optimale omvang van de Commissie aan de nieuwe weging van de stemmen in de Raad.

Voorts heeft de Intergouvernementele Conferentie de Commissie in een aan de Slotakte gehechte verklaring verzocht om voor 1998 een voorstel tot wijziging van de voorwaarden die gelden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (comitologie) bij de Raad in te dienen.

DE SAMENSTELLING

Bij de samenstelling van de Commissie speelt het punt collegialiteit een grote rol.

Collegialiteit is een bijzonder kenmerk van de structuur van de Commissie en houdt in dat de door de Commissie naar voren gebrachte standpunten de mening van het college in zijn geheel en niet die van bepaalde leden van dat college weergeven. Gevreesd wordt dat een aanzienlijke verhoging van het aantal Commissieleden na de uitbreiding kan leiden tot "nationalisering" van hun functie ten nadele van de collegialiteit. Omgekeerd ligt inperking van het aantal Commissieleden eveneens gevoelig, omdat dit zou betekenen dat bepaalde nationaliteiten geen vertegenwoordiging in het college krijgen.

Ter oplossing van dit probleem bepaalt het protocol inzake de instellingen dat de Commissie bij de komende toetredingen tot de Europese Unie één Commissielid per nationaliteit zal omvatten, op voorwaarde dat de weging van de stemmen in de Raad op voor alle lidstaten aanvaardbare wijze is gewijzigd. De bedoeling is de schaal van de wegingen te herzien om ervoor te zorgen dat het relatieve gewicht van de kleine en middelgrote landen niet onevenredig is aan de omvang van hun bevolkingen.

HET VOORZITTERSCHAP

De rol van de voorzitter van de Commissie is de eenheid en de doeltreffendheid van het college te verzekeren. Met het oog hierop streeft het Verdrag van Amsterdam naar versterking van de positie van de voorzitter bij de uitoefening van zijn taken.

De legitimiteit van de voorzitter is versterkt door de wijziging van artikel 214 (oud artikel 158), op grond waarvan zijn benoeming ter goedkeuring aan het Europees Parlement wordt voorgelegd. Voorts is bepaald dat de leden van de Commissie in onderlinge overeenstemming - en niet langer alleen in overleg - met de voorzitter worden benoemd. Het nieuwe artikel 217 (oud artikel 163) draagt bij aan de coördinatie tussen de leden van het college, want het bepaalt dat de Commissie "werkt onder de politieke leiding van haar voorzitter".

Ook de aan het Verdrag van Amsterdam gehechte verklaring nr 32 dient ter consolidatie van de rol van de voorzitter door te bepalen dat deze ruime discretionaire bevoegdheid moet hebben bij de toewijzing van taken binnen het college en eventuele herverdeling van die taken tijdens een Commissiemandaat. Ook neemt deze verklaring nota van het voornemen van de Commissie haar diensten dienovereenkomstig te reorganiseren en wordt hierin de wens uitgesproken om de buitenlandse betrekkingen, met het oog op samenhang, aan de verantwoordelijkheid van een vice-voorzitter toe te vertrouwen.

DE BEVOEGDHEID TOT HET NEMEN VAN INITIATIEVEN

De bevoegdheid van de Commissie om initiatieven te nemen is op drie manieren uitgebreid:

  • via de inlassing van nieuwe bepalingen in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (op het gebied van de werkgelegenheid, op sociaal gebied enz.);
  • door het tot communautaire zaken maken van vraagstukken die eerder aan de procedures van titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie waren onderworpen (asielbeleid, immigratiebeleid, justitiële samenwerking in bugelijke zaken), waardoor het monopolie voor het nemen van initiatieven bij de Commissie wordt gelegd na een overgangsperiode van vijf jaar waarin het recht van initiatief met de lidstaten wordt gedeeld;
  • via de verwerving van een volledig met de lidstaten gedeeld recht van initiatief op de terreinen vallende onder de nieuwe derde pijler (politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken.
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven