RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


De rechtstreekse werking van het Europese recht

Door de rechtstreekse werking (of de rechtstreekse toepasselijkheid) kunnen particulieren zich ten overstaan van nationale of Europese rechterlijke instanties rechtstreeks op een Europese rechtsregel beroepen. Dit beginsel heeft evenwel slechts betrekking op bepaalde Europese rechtshandelingen en geldt slechts onder bepaalde voorwaarden.

De rechtstreekse werking van het Europese recht is, naast het voorrangsbeginsel, een basisbeginsel van het Europese recht dat door het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU) werd vastgelegd. Dankzij dit beginsel kunnen particulieren zich ten overstaan van het gerecht rechtstreeks op het Europese recht beroepen, ongeacht het bestaan van regelgeving in het nationale recht.

Het beginsel van de rechtstreekse werking waarborgt aldus de toepasselijkheid en de doelmatigheid van het Europese recht in de lidstaten. Het HJEU stelt evenwel een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan opdat een Europese rechtshandeling rechtstreeks van toepassing is. Indien een rechtshandeling een rechtstreekse werking heeft, geldt deze bovendien slechts voor de betrekkingen tussen een particulier en een lidstaat en eventueel ook tussen particulieren onderling.

Definitie

De directe werking van het Europese recht werd door het Hof van Justitie vastgesteld in het arrest Van Gend en Loos van 5 februari 1963. In dat arrest stelt het Hof dat het Europese recht niet alleen verplichtingen voor de lidstaten, maar ook rechten voor particulieren met zich meebrengt. Particulieren kunnen dan ook van deze rechten gebruik maken en zich ten overstaan van nationale en Europese rechters rechtstreeks op Europese rechtsregels beroepen. De lidstaten hoeven in dat geval de betrokken Europese rechtsregel niet in hun nationale rechtsorde te hebben opgenomen.

Horizontale en verticale rechtstreekse werking

Er zijn twee vormen van rechtstreekse werking, namelijk de verticale en de horizontale.

De verticale rechtstreekse werking komt aan bod in de betrekkingen tussen particulieren en de overheid. Zij houdt in dat particulieren zich ten overstaan van de overheid op een Europese rechtsregel kunnen beroepen.

De horizontale rechtstreekse werking komt aan bod in de betrekkingen tussen particulieren onderling. Zij houdt in dat particulieren zich ten overstaan van elkaar op een Europese rechtsregel kunnen beroepen.

Naargelang van de betrokken rechtshandeling heeft het Hof van Justitie hetzij een volledige rechtstreekse werking (d.w.z. een horizontale en verticale rechtstreekse werking), hetzij een gedeeltelijke rechtstreekse werking (die is beperkt tot een verticale rechtstreekse werking) aanvaard.

Rechtstreekse werking en primair recht

Voor het primair recht, d.w.z. voor de teksten aan de top van de Europese rechtsorde, heeft het Hof van Justitie in het arrest Van Gend en Loos het beginsel van de rechtstreekse werking ontwikkeld. Als voorwaarde geldt evenwel dat de verplichtingen nauwkeurig, duidelijk en onvoorwaardelijk zijn en geen aanvullende maatregelen vereisen, op nationaal noch op Europees niveau.

In het arrest Becker (arrest van 19 januari 1982), heeft het Hof van Justitie de rechtstreekse werking van de hand gewezen omdat de lidstaten voor de tenuitvoerlegging van de betrokken bepaling (arrest van 12 december 1990, Kaefer en Procacci) beschikken over manoeuvreerruimte, hoe miniem deze ook moge zijn.

Rechtstreekse werking en afgeleid recht

Het beginsel van rechtstreekse werking geldt ook voor handelingen van afgeleid recht, d.w.z. handelingen die door de instellingen zijn aangenomen op basis van de oprichtingsverdragen. De reikwijdte van de rechtstreekse werking hangt evenwel af van het soort rechtshandeling:

  • verordeningen: verordeningen hebben steeds een rechtstreekse werking. In artikel 288 van het Verdrag betreffende de werking van de EU is immers bepaald dat verordeningen direct van toepassing zijn in de lidstaten. Het Hof van Justitie specificeert in het arrest Politi van 14 december 1971 dat het een volledige rechtstreekse werking betreft;
  • richtlijnen: richtlijnen zijn rechtshandelingen die bestemd zijn voor de lidstaten en moeten door hen worden omgezet in nationaal recht. Om de rechten van particulieren te beschermen erkent het Hof van Justitie in bepaalde gevallen echter dat zij een rechtstreekse werking hebben. In zijn jurisprudentie heeft het Hof bepaald dat richtlijnen een rechtstreekse werking hebben wanneer de erin opgenomen bepalingen onvoorwaardelijk en voldoende duidelijk en nauwkeurig zijn (arrest Van Duyn van 4 december 1974). Richtlijnen kunnen echter slechts een verticale rechtstreekse werking hebben en dan nog alleen maar indien de lidstaten ze niet binnen de vastgestelde termijnen hebben omgezet (arrest Ratti van 5 april 1979);
  • besluiten: besluiten kunnen een rechtstreekse werking hebben indien zij gericht zijn tot een lidstaat. Het Hof van Justitie erkent in dat geval uitsluitend een verticale rechtstreekse werking (arrest Hansa Fleisch van 10 november 1972);
  • internationale overeenkomsten: in het arrest Demirel van 30 september 1987 heeft het Hof van Justitie erkend dat bepaalde overeenkomsten een rechtstreekse werking hebben volgens dezelfde voorwaarden als die welke zijn vastgesteld in het arrest Van Gend en Loos;
  • adviezen en aanbevelingen: adviezen en aanbevelingen zijn juridisch niet verbindend. Zij hebben dan ook geen rechtstreekse werking.
Laatste wijziging: 22.09.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven