RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Het beroep tot nietigverklaring

Het beroep tot nietigverklaring maakt deel uit van de beroepsprocedures die voor het Hof van Justitie van de Europese Unie kunnen worden aangespannen. Met dit beroep vraagt de verzoeker de nietigverklaring van een handeling aangenomen door een instelling, orgaan of organisme van de Europese Unie.

Het beroep tot nietigverklaring is een rechtsprocedure ingesteld voor het Hof van Justitie van de Europese Unie (HJEU). Met dit beroep kan het Hof de legaliteit van handelingen gesteld door de Europese instellingen, organen of organismen controleren. Derhalve spreekt het Hof de nietigverklaring uit van de handeling in kwestie indien deze in tegenstrijd met de wetgeving van de Europese Unie (EU) wordt beschouwd.

Het beroep tot nietigverklaring kan door de Europese instellingen worden ingeroepen of onder bepaalde omstandigheden ook door particulieren.

Aard van het beroep

Het beroep tot nietigverklaring bestaat in een legaliteitscontrole van de Europese handelingen die tot de nietigverklaring van de handeling in kwestie kan leiden. Dit beroep kan ingesteld worden tegen:

  • Alle wetgevingshandelingen;
  • Handelingen aangenomen door de Raad, de Commissie, de Europese Centrale Bank, het Europees Parlement en de Europese Raad wanneer deze handelingen bestemd zijn om juridische uitwerking te hebben ten aanzien van derden;
  • Handelingen aangenomen door de Europese organen of organismes wanneer deze handelingen bestemd zijn om juridische uitwerking te hebben ten aanzien van derden;
  • deliberaties van de Raad van Gouverneurs of de Raad van Beheer van de Europese Investeringsbank, volgens de bepalingen van artikel 271 van het verdrag betreffende de werking van de EU.

Bovendien onttrekt artikel 263 van het verdrag betreffende de werking van de EU de aanbevelingen en adviezen aan het bevoegdheidsveld van het HJEU.

Eens een beroep tot nietigverklaring aanhangig gemaakt is, onderzoekt het Hof van Justitie de conformiteit van de handeling ten aanzien van de jurisprudentie van de EU. Het Hof kan vervolgens uitspraak doen tot nietigverklaring van de handeling op basis van vier motieven:

  • onbevoegdheid;
  • schending van wezenlijke vormvoorschriften;
  • schending van verdragen of van enige wetgeving met betrekking tot hun toepassing;
  • misbruik van bevoegdheid.

Verzoekers

Artikel 263 van het verdrag betreffende de werking van de EU onderscheidt diverse categorieën verzoekers. In eerste instantie zijn er de bevoorrechte verzoekers. Het gaat hier om de lidstaten, de Commissie, het Europees Parlement en de Raad. Deze verzoekers worden als bevoorrecht bestempeld omdat ze een beroep tot nietigverklaring voor het HJEU kunnen instellen zonder dat ze moeten aantonen dat ze belanghebbend zijn.

Ook particulieren kunnen zich wenden tot het HJEU. Zij behoren tot de categorie van de niet-bevoorrechte verzoekers. In tegenstelling tot de bevoorrechte verzoekers moeten particulieren aantonen dat ze belanghebbend zijn om een nietigverklaring van een Europese handeling te verzoeken. Zo moet de betwiste handeling tot de verzoeker gericht zijn of hen rechtstreeks en individueel treffen.

Bovendien kunnen bepaalde verzoekers specifieke beroepsprocedures opstarten. Zo zijn het Rekenhof, de Europese Centrale Bank en het Comité van de Regio’s bij machte een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen Europese handelingen die hun prerogatieven in het gedrang brengen. Evenzo kan de Raad van beheer van de Europese Investeringsbank de beraadslagingen van de Raad van Gouverneurs van de Bank aanvechten. Tot slot heeft het Verdrag van Lissabon een nieuw soort beroep in het leven geroepen: zo kunnen de nationale parlementen en het Comité van de Regio’s voortaan beroep tot nietigverklaring aantekenen tegen handelingen waarvan zij menen dat ze in tegenstrijd zijn met het subsidiariteitsbeginsel.

Daarenboven beschikken de verzoekers over een termijn van twee maanden om het beroep tot nietigverklaring aan te tekenen. Deze termijn begint te lopen hetzij op de publicatiedatum van de ter discussie gestelde handeling, hetzij bij de betekening hiervan aan de verzoeker, hetzij op de dag waarop de verzoeker hiervan in kennis werd gesteld.

Nietigverklaring van de handeling

Indien het beroep gegrond is, kan het Hof van Justitie de handeling in haar geheel of bepaalde bepalingen ervan nietig verklaren. De handeling of de nietig verklaarde bepalingen hebben dan geen juridisch effect meer. Bovendien is de instelling, het orgaan of het organisme dat de nietig verklaarde handeling gesteld heeft verplicht de juridische leemte op te vullen conform het arrest van het Hof van Justitie.

Verdeling van de bevoegdheden tussen het Hof van Justitie en het Gerecht

Het Hof van Justitie is bevoegd voor:

  • beroepsprocedures ingesteld door de lidstaten tegen het Europees Parlement of de Raad;
  • beroepsprocedures ingesteld door een instelling tegen een andere instelling.

De Rechtbank is bevoegd om, in eerste aanleg, alle andere soorten beroep te berechten en, met name, de beroepsprocedures ingesteld door particulieren.

Deze samenvatting heeft een louter informatief karakter en is niet bedoeld als interpretatie of ter vervanging van het referentiedocument.

Laatste wijziging: 29.10.2010

Zie ook

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven