Verbod op de handel in martelwerktuigen
Teneinde foltering, de doodstraf en andere wrede, onmenselijke of onterende bestraffing of behandeling in derde landen te voorkomen, wordt bij deze verordening een specifieke handelsregeling ingevoerd die betrekking heeft op bepaalde goederen en producten die voor dergelijke doeleinden gebruikt zouden kunnen worden en op daarmee verband houdende technische bijstand.
BESLUIT
Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
SAMENVATTING
Overeenkomstig deze verordening is het verboden goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing uit te voeren of in te voeren. Bovendien is een vergunning vereist voor de uitvoer van goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen.
De nationale autoriteiten van de lidstaten die gemachtigd zijn een besluit te nemen inzake verzoeken om invoer- of uitvoervergunningen, zouden een onderscheid moeten maken tussen enerzijds goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf, foltering * en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing * en anderzijds goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor soortgelijke doeleinden. De in- of uitvoer van deze laatste categorie goederen kan worden toegestaan op grond van in de verordening omschreven criteria. De goederen waarop deze verordening betrekking heeft, zijn vermeld in de bijlagen II en III. De Commissie kan deze lijsten wijzigingen wanneer nieuwe goederen op de markt komen.
De bevoegde autoriteiten kunnen goederen die geen andere toepassing in de praktijk hebben dan de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (zie bijlage II) vrijstellen van het in- en uitvoerverbod indien wordt aangetoond dat dergelijke goederen in het derde land waarnaar de goederen worden uitgevoerd, uitsluitend worden gebruikt om te worden tentoongesteld in een museum met het oog op hun historische betekenis.
Voor de in bijlage II vermelde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing is een uitvoervergunning vereist. Voor goederen die slechts worden doorgevoerd over het douanegebied van de Gemeenschap is evenwel geen vergunning vereist.
Er is geen vergunning verplicht voor de uitvoer van de in bijlage III vermelde goederen naar het grondgebied van de lidstaten die geen deel uitmaken van het douanegebied van de Gemeenschap (bijlage IV), mits de goederen zullen worden gebruikt door een autoriteit die belast is met de wetshandhaving. Er is evenmin een vergunning verplicht voor de uitvoer van in bijlage III vermelde goederen die zullen worden gebruikt door militair of civiel personeel van een lidstaat in het kader van een EU- of VN-vredeshandhavings- of crisisbeheersingsoperatie in het betrokken derde land of een operatie die gebaseerd is op defensiegerelateerde overeenkomsten tussen de lidstaten en derde landen.
De bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de aanvrager is gevestigd besluit per geval of al dan niet een uitvoervergunning met betrekking tot goederen wordt afgegeven (bijlage I). De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning indien er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de in bijlage III vermelde goederen door een wetshandhavingsinstantie of een natuurlijke of rechtspersoon in een derde land zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing.
Een lidstaat mag echter voor bepaalde in bijlage III vermelde goederen van deze regeling afwijken en een totaal verbod op de uitvoer en invoer van voetboeien, groepskluisters en draagbare elektrische schokapparatuur aannemen of handhaven.
Ter harmonisering van de vergunningsprocedures worden vergunningen voor in- en uitvoer verleend die geldig zijn in de hele EU, op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage V opgenomen model. De bevoegde autoriteiten mogen weigeren een uitvoervergunning af te geven en reeds verleende uitvoervergunningen intrekken, schorsen, wijzigen of herroepen. De importeur of exporteur dient bij het vervullen van de douaneformaliteiten het naar behoren ingevulde formulier in te dienen als bewijs dat de vereiste vergunning voor de betreffende in- of uitvoer is verkregen. Indien geen vergunning is verleend, leggen de douaneautoriteiten beslag op de aangegeven goederen en wijzen zij op de mogelijkheid om een aanvraag voor een vergunning in te dienen. Indien na zes maanden geen aanvraag voor een vergunning is ingediend, kunnen de bevoegde douaneautoriteiten de goederen vernietigen in overeenstemming met de nationale wetgeving.
De autoriteiten van de lidstaten stellen de autoriteiten van alle overige lidstaten en de Commissie ervan in kennis wanneer zij besluiten een aanvraag voor een vergunning af te wijzen en wanneer zij een reeds verleende vergunning intrekken. De Commissie en de lidstaten stellen elkaar in kennis van de maatregelen die op grond van deze verordening worden genomen en verstrekken elkaar informatie over verleende of geweigerde vergunningen.
De lidstaten stellen een openbaar jaarverslag op van hun activiteiten, indien mogelijk in samenwerking met de Commissie.
De Commissie wordt bijgestaan door het bij Verordending (EEG) nr. 2603/69 ingestelde comité met betrekking tot gemeenschappelijke voorschriften voor de uitvoer van producten. Dit comité onderzoekt eventuele vragen in verband met de uitvoering van deze verordening.
De lidstaten bepalen zelf de sancties die moeten worden genomen indien de verordening wordt overtreden. De lidstaten dienen de Commissie uiterlijk op 29 augustus 2006 van deze bepalingen in kennis te stellen.
Deze verordening is van toepassing op het douanegebied van de Gemeenschap, de Spaanse gebieden Ceuta en Melilla en het Duitse gebied Helgoland.
REFERENTIES
| Besluit | Datum van inwerkingtreding | Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht | Publicatieblad |
|---|---|---|---|
|
Verordening (EG) nr. 1236/2005 |
30.7.2006 |
- |
L 200 van 30.7.2005 |
De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Verordening (EG) nr. 1236/2005 zijn in de basistekst opgenomen. Deze geconsolideerde versie
heeft slechts informatieve waarde.
LAATSTE WIJZIGINGEN VAN DE BIJLAGEN
Bijlage I – Lijst van de autoriteiten
Verordening (EU) nr. 1226/2010 [PB L 336 van 21.12.2010].



