RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


EU-richtsnoeren voor de dialoog betreffende mensenrechten met niet-EU-landen

Deze richtsnoeren bepalen de aanpak van de Europese Unie (EU) om een dialoog betreffende mensenrechten met niet-EU-landen aan te gaan en te voeren. De bedoeling hiervan is om de mensenrechten meer te betrekken bij alle aspecten van het buitenlands beleid van de EU.

BESLUIT

Richtsnoeren van de EU inzake de mensrechtendialoog met derde landen – actualisering. Raad Landbouw en Visserij van de Europese Unie van 19 januari 2009 [Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].

SAMENVATTING

De Europese Unie (EU) verbindt zich ertoe de mensenrechten meer te betrekken bij alle aspecten van haar buitenlands beleid. Om hieraan uitvoering te geven wil zij de mensenrechten bij al haar besprekingen en beraadslagingen met niet-EU-landen aan de orde brengen. De EU kan ook besluiten (op eigen initiatief of op verzoek van een niet-EU-land) om een specifieke dialoog over de mensenrechten met een bepaald land aan te gaan.

In verschillende soorten besprekingen die de EU met niet-EU-landen voert, worden de mensenrechten reeds behandeld. Daarbij gaat het om:

  • algemene dialogen op basis van akkoorden, verdragen en overeenkomsten, of strategische partnerschappen;
  • Gestructureerde dialogen die uitsluitend betrekking hebben op de mensenrechten;
  • ad hoc-dialogen waarbij elementen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) aan de orde komen;
  • dialogen in het kader van speciale relaties met landen die grotendeels dezelfde standpunten hebben.

De dialogen over de mensenrechten streven uiteenlopende doelstellingen na. Afhankelijk van de specifieke situatie van een land, kunnen die doelstellingen zijn:

  • kwesties van gemeenschappelijk belang behandelen, en beter samenwerken in het kader van de internationale instellingen, zoals de Verenigde Naties (VN);
  • de problemen in verband met de mensenrechten in het betrokken land analyseren, informatie verzamelen en de situatie proberen te verbeteren.

De te behandelen thema’s in het kader van de dialoog over de mensenrechten worden per geval vastgesteld. Niettemin moet altijd een aantal belangrijke onderwerpen worden besproken. Daarbij gaat het om:

  • ondertekening, ratificatie en tenuitvoerlegging van internationale instrumenten op het gebied van de mensenrechten;
  • strijd tegen de doodstraf, marteling en iedere vorm van discriminatie;
  • samenwerking met de internationale organisaties op het gebied van de mensenrechten;
  • naleving van de rechten van kinderen, vooral in gewapende conflicten;
  • naleving van de rechten van de vrouwen;
  • vrijheid van meningsuiting;
  • rol van het maatschappelijk middenveld;
  • bescherming van mensenrechtenverdedigers;
  • samenwerking op het gebied van het internationaal recht, voornamelijk met het Internationaal Strafhof;
  • conflictpreventie en rechtsstaat;
  • bevordering van democratie en goed bestuur.

Aanvang dialogen en de wijze waarop een dialoog wordt gevoerd

De Raad van de EU, waarin de groep “mensenrechten” (COHOM) ter zake een spilfunctie vervult, besluit of met een niet-EU-land een dialoog over de mensenrechten wordt aangegaan. Aan een dergelijk besluit moet altijd een beoordeling van de situatie van het land in kwestie voorafgaan. Bij deze beoordeling wordt rekening gehouden met:

  • de houding van de regering tegenover de mensenrechten;
  • het engagement van de regering ten aanzien van de betrokken internationale instrumenten;
  • de wil van de regering tot samenwerking met de VN;
  • de houding van de regering ten opzichte van het maatschappelijk middenveld;
  • de ontwikkeling van de algemene situatie van het land op het gebied van de mensenrechten.

Deze beoordeling wordt gebaseerd op de verslagen ter zake van de niet-gouvernementele organisaties (ngo’s), de Verenigde Naties en andere internationale organisaties, het Europees Parlement en de Europese Commissie. De doelstellingen die worden nagestreefd met het aanknopen van besprekingen, de mogelijke vooruitgang en de toegevoegde waarde van een dergelijke aanpak moeten worden geanalyseerd voordat wordt besloten de dialoog te starten.

De plaats, het niveau van de besprekingen en de frequentie waarin deze plaatsvinden worden per geval bepaald. De vertegenwoordigers van de betreffende niet-EU-landen moeten echter, voor zover mogelijk, de leden van de regering zijn die verantwoordelijk zijn voor de mensenrechten. De EU zal door de Trojka worden vertegenwoordigd. Het maatschappelijk middenveld kan in alle fasen van het overleg bij de dialoog worden betrokken. De vergaderingen moeten bij voorkeur in het betrokken land plaatsvinden en ten minste een volledige dag duren. Besprekingen waarbij aangelegenheden van gemeenschappelijk belang en/of versterking van de samenwerking worden behandeld, vinden bij voorkeur in Brussel plaats. Tijdens de dialoog kan de EU individuele gevallen aan het niet-EU-land voorleggen, en vragen naar een antwoord en naar de vrijlating van de personen in kwestie. Na de dialoog kan de EU een persbericht publiceren of een gezamenlijke persconferentie met het betreffende land organiseren.

De EU moet zorgen voor de samenhang tussen de bilaterale dialogen tussen de EU-landen en niet-EU-landen, en de dialogen die zij zelf voert. Gegevensuitwisseling is daartoe van groot belang, idealiter via informele ad hoc-bijeenkomsten. Bovendien zou elke partij zijn standpunt op tafel moeten leggen ter evaluatie van de consistentie van de EU-hulp, zoals de aanwending van fondsen afkomstig van het Europees instrument voor democratie en mensenrechten (EIDHR). De EU moet ook zorgen voor de samenhang tussen haar resoluties in het kader van de internationale instellingen (zoals de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en de Raad voor de Mensenrechten) en haar dialogen over mensenrechten.

Evaluatie en follow-up van dialogen

Iedere dialoog over de mensenrechten met een niet-EU-land moet bij voorkeur elke twee jaar worden geëvalueerd. De evaluatie wordt door het voorzitterschap van de EU geleid, in samenwerking met het Secretariaat van de Raad, inzonderheid met de groep “Mensenrechten”. Het maatschappelijk middenveld mag hier ook aan deelnemen. In individuele gevallen kan het voorzitterschap een beroep doen op een externe consultant. Bij de evaluatie wordt rekening gehouden met de doelstellingen die de EU zich voor het begin van de dialoog heeft gesteld, en met de verwachte "meerwaarde". De voortgang ten opzichte van de prioritaire thema’s van de dialoog en de bijdrage van de activiteiten van de EU aan deze voortgang moeten worden geanalyseerd. Afhankelijk van het resultaat van de evaluatie kan de EU de dialoog aanscherpen, deze zonder meer voortzetten of beëindigen (indien de doelstellingen van de richtsnoeren niet zijn bereikt of de resultaten onbevredigend zijn). Als de doelstellingen zijn bereikt, heeft de dialoog geen bestaansrecht meer en kan hij voorlopig worden afgesloten.

Tenuitvoerlegging van dialogen

Essentieel bij het beheer van de dialogen over de mensenrechten is de continuïteit en de sterke structuren die het voorzitterschap van de Raad helpen deze dialogen voor te bereiden en te volgen. De EU kan ook een in mensenrechten gespecialiseerde particuliere stichting of organisatie bij een of meerdere dialogen betrekken. De EU verbindt zich ertoe in elk van haar delegaties die aan de dialogen deelnemen een expert op het gebied van de mensenrechten op te nemen.

Laatste wijziging: 05.10.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven