RSS
Alfabetische index

Glossarium

Nauwere samenwerking

Nauwere samenwerking stelt de landen van de Unie in staat om binnen het rechtskader van de Unie in een verschillend tempo en/of met verschillende doelstellingen verder te gaan met de Europese integratie dan de overige lidstaten. Daarbij mogen de in de Verdragen vastgestelde bevoegdheden echter niet worden overschreden. Nauwere samenwerking mag bovendien geen betrekking hebben op domeinen die onder de exclusieve bevoegdheid van de Unie vallen en mag pas in laatste instantie worden aangegaan, namelijk wanneer de Raad heeft vastgesteld dat de doelstellingen van de samenwerking niet binnen een redelijke termijn door de Unie kunnen worden bereikt.

De algemene regeling van nauwere samenwerking is opgenomen in het Verdrag betreffende de Europese Unie (titel IV). In principe moeten ten minste negen lidstaten aan de nauwere samenwerking deelnemen, maar andere lidstaten kunnen zich er later bij aansluiten. Nauwere samenwerking mag niet leiden tot discriminatie tussen de deelnemende landen en de overige lidstaten. Alle in het kader van een dergelijke samenwerking aangenomen besluiten zijn uitsluitend bindend voor de deelnemende lidstaten en maken geen deel uit van het acquis. De nauwere samenwerking moet bijdragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van de Unie, de belangen van de Unie beschermen en de Europese integratie versterken.

In aanvulling op de algemene regeling voorziet het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (titel III) ook in bijzondere regelingen. De Raad geeft lidstaten op voorstel van de Commissie en na goedkeuring door het Europees Parlement toestemming voor nauwere samenwerking. Besluiten tot goedkeuring van samenwerking op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB) worden met eenparigheid van stemmen door de Raad aangenomen, rekening houdend met het advies van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en van de Commissie. Stemrecht is voorbehouden aan de leden van de Raad die de aan de nauwere samenwerking deelnemende lidstaten vertegenwoordigen. De wens om deel te nemen aan een reeds bestaande nauwere samenwerking wordt meegedeeld aan de Raad en de Commissie en, indien het samenwerking op het gebied van het GBVB betreft, aan de hoge vertegenwoordiger. Afgezien van besluiten betreffende militaire en defensiegerelateerde aangelegenheden kan de Raad onder bepaalde omstandigheden met eenparigheid van stemmen besluiten om het systeem van gekwalificeerde meerderheid of de gewone wetgevingsprocedure toe te passen.

De mogelijkheid van nauwere justitiële samenwerking in strafzaken is bij het Verdrag van Amsterdam in het Verdrag betreffende de Europese Unie en in het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap ingevoerd. Het Verdrag van Nice voorzag in belangrijke wijzigingen ter vereenvoudiging van de regeling. Zo kan een lidstaat zich niet meer tegen de totstandkoming van nauwere samenwerking verzetten, wat volgens het Verdrag van Amsterdam wel mogelijk was. Met het oog op een nog betere en doelgerichtere samenwerking werden in het Verdrag van Lissabon aanvullende wijzigingen doorgevoerd, hoofdzakelijk betreffende de procedure voor het aangaan van nauwere samenwerking en de besluitvorming in het kader van een dergelijke samenwerking.

Zie ook:

 

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven