RSS
Alfabetische index

Glossarium

Eigen middelen

In de begintijd van de Europese opbouw was de Gemeenschapsbegroting afhankelijk van financiële bijdragen van de lidstaten.

Bij besluit van 21 april 1970 zijn de bijdragen van de lidstaten vervangen door eigen middelen: overdrachten door de lidstaten aan de Gemeenschapsbegroting om de financiering van de uitgaven van de Europese Unie te dekken. Dankzij de financiering van de Gemeenschapsbegroting uit de eigen middelen kon de financiële zelfstandigheid van de EU worden verwezenlijkt.

Thans mag het totaal van alle eigen middelen niet meer bedragen dan 1,24% het totaal van het bruto nationaal inkomen (BNI) van alle lidstaten samen. Het eigenmiddelenstelsel omvat vier soorten inkomsten, twee traditionele eigen middelen:

  • landbouwrechten en suikerheffingen: dit betreft voornamelijk douanerechten op uit derde landen ingevoerde landbouwproducten waarvoor een gemeenschappelijke marktordening bestaat, alsmede heffingen op suiker, isoglucose en inulinestroop;
  • douanerechten: deze vloeien voort uit de toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief en worden geheven op de invoer uit derde landen;

en twee nieuwere:

  • de middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (BTW): deze vloeit voort uit de toepassing van een uniform percentage op de BTW-grondslag van elke lidstaat. Dit uniforme percentage bedraagt sinds 2004 0,50%. Het wordt toegepast op een grondslag die niet meer mag bedragen dan 50% van het BNP van een lidstaat;
  • de BNI-middelen (de "vierde middelenbron"): deze in 1988 ingevoerde middelen worden aanvullend genoemd omdat bij de vaststelling ervan rekening wordt gehouden met de andere drie bronnen waaruit de begroting wordt gevoed. Deze middelen zijn gebaseerd op de toepassing van een in het kader van de begrotingsprocedure vastgesteld uniform percentage op de som van de BNI's van alle lidstaten.

Zie ook:

Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven