RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Bestrijding van mond- en klauwzeer

De Europese Unie (EU) past de Gemeenschapswetgeving over de bestrijding van mond- en klauwzeer aan op basis van de ervaring die werd opgedaan met de epidemie die het Verenigd Koninkrijk in 2001 heeft getroffen. De nieuwe richtlijn bevat maatregelen ter voorkoming, bestrijding en uitroeiing van de ziekte. Ook worden de stappen beschreven om opnieuw de status "vrij van mond- en klauwzeer en van besmetting zonder vaccinatie" te krijgen. Centraal in de strategie staan het beginsel van regionalisering en de noodvaccinatie.

BESLUIT

Richtlijn 2003/85/EG van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van communautaire maatregelen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer, tot intrekking van Richtlijn 85/511/EEG en van de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG, en tot wijziging van Richtlijn 92/46/EEG.

SAMENVATTING

Mond- en klauwzeer is een zeer besmettelijke virale aandoening die niet gevaarlijk is voor de mens en hoofdzakelijk voorkomt bij evenhoevigen (plantenetende zoogdieren met hoeven).

De epidemie die in 2001 meer dan 2 000 Britse bedrijven heeft getroffen, veroorzaakte zware economische verliezen voor de plattelandsgemeenschap. De maatregelen die werden genomen in de strijd tegen mond- en klauwzeer, waaronder de noodslachting van besmette beslagen, de beperkingen inzake het communautaire handelsverkeer alsook de indirecte gevolgen voor de omgeving en het toerisme in de besmette gebieden vormden een zware last voor de gehele Gemeenschap. Om nieuwe epidemieën te voorkomen en de ziekte op een efficiëntere manier te kunnen bestrijden, past de Unie de bestaande wetgeving aan.

VOORWERP EN WERKINGSSFEER

Deze richtlijn strekt tot vaststelling van:

  • de minimale communautaire bestrijdings- en uitroeiingsmaatregelen die bij het uitbreken van mond- en klauwzeer moeten worden toegepast, ongeacht het betrokken virustype;
  • bepaalde preventieve maatregelen om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten en de landbouwgemeenschap zelf beter bedacht zijn op mond- en klauwzeer.

De lidstaten kunnen strengere maatregelen treffen dan die welke zijn voorzien in deze richtlijn om epidemieën van mond- en klauwzeer te voorkomen en te bestrijden.

BESTRIJDING VAN MOND- EN KLAUWZEER

Elke haard van mond- en klauwzeer dient te worden gemeld. De personen die in hun werk met dieren van gevoelige soorten in contact staan, dienen de aanwezigheid of vermoedelijke aanwezigheid van de ziekte onverwijld te melden bij de bevoegde autoriteiten of een officiële dierenarts.

Maatregelen ingeval een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt vermoed

Wanneer op een bedrijf een geval van mond- en klauwzeer wordt vermoed, zien de lidstaten erop toe dat de volgende maatregelen worden getroffen:

  • de officiële dierenarts brengt onmiddellijk een officieel onderzoek op gang waarbij monsters worden genomen voor laboratoriumonderzoek;
  • de bevoegde autoriteit plaatst het bedrijf onder officieel toezicht: alle dieren worden geteld en geïsoleerd, alle producten van dierlijke oorsprong (melk, melkproducten, vlees, vleesproducten, huiden, wol, sperma, embryo's, eicellen, gier, mest, diervoeders en strooisel) worden geregistreerd en er wordt een epizoötiologisch onderzoek uitgevoerd;
  • dieren en producten van dierlijke oorsprong mogen het bedrijf niet binnenkomen of verlaten. Verkeer van personen is streng aan banden gelegd teneinde verspreiding van het mond- en klauwzeervirus te voorkomen.

Indien er sprake is van een hoge dichtheid van ziektegevoelige dieren, veelvuldige verplaatsingen van dieren of vertragingen bij het melden van een vermoedelijke besmetting, kan de bevoegde autoriteit een tijdelijk bestrijdingsgebied instellen waarin de voorafgaande maatregelen van toepassing zijn. Het verbod op het verplaatsen van alle dieren in een gebied of op het hele grondgebied van een lidstaat geldt voor ten hoogste 72 uur.

De bevoegde autoriteit kan een preventief uitroeiingsprogramma ten uitvoer leggen waarbij alle waarschijnlijk met het virus verontreinigde dieren worden geruimd. Zij dient de Commissie hiervan vooraf in kennis te stellen.

Maatregelen ingeval een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt bevestigd

Zodra een uitbraak van mond- en klauwzeer is bevestigd, zien de lidstaten erop toe dat in het bedrijf onverwijld de volgende maatregelen worden toegepast:

  • alle ziektegevoelige dieren op het bedrijf worden ter plaatse gedood. De bevoegde autoriteit kan besluiten dat ook andere dieren op het bedrijf moeten worden gedood;
  • de officiële dierenarts ziet erop toe dat de nodige monsters worden genomen voor het epizoötiologisch onderzoek. Dit onderzoek heeft ten minste betrekking op de datum waarop mond- en klauwzeer is uitgebroken, de mogelijke oorsprong van het virus, de identificatie van andere besmette bedrijven en het verkeer van personen, voertuigen en producten van dierlijke oorsprong;
  • de karkassen van dode of gedode dieren worden onverwijld verwerkt;
  • alle producten van dierlijke oorsprong (melk, melkproducten, vlees, vleesproducten, huiden, wol, sperma, embryo's, eicellen, gier, mest, diervoeders en strooisel), die op het bedrijf aanwezig zijn sinds de datum waarop het mond- en klauwzeervirus waarschijnlijk is ingesleept, worden op zodanige wijze behandeld dat het eventueel aanwezig mond- en klauwzeervirus gegarandeerd wordt vernietigd;
  • de gebruikte gebouwen en voertuigen worden onder officieel toezicht gereinigd en ontsmet op zodanige wijze dat de schadelijke effecten voor het milieu zoveel mogelijk worden beperkt.

Deze maatregelen zijn tevens van toepassing indien een uitbraak van mond- en klauwzeer wordt bevestigd in een slachthuis, een grensinspectiepost of een vervoermiddel. In geval van een uitbraak van mond- en klauwzeer in niet-agrarische voorzieningen (een laboratorium, instelling, dierentuin of wildpark) dienen alle maatregelen op het gebied van de bioveiligheid te worden genomen om die dieren tegen besmetting te beschermen.

Ten vroegste 21 dagen na de ontsmetting mag worden aangevangen met de herbevolking van het bedrijf volgens stringente regels en onder permanent veterinair toezicht.

BESCHERMINGSGEBIEDEN EN TOEZICHTSGEBIEDEN

Zodra een uitbraak van mond- en klauwzeer officieel is bevestigd, gelden de volgende bepalingen:

  • de bevoegde autoriteit stelt een beschermingsgebied in met een straal van ten minste 3 km en een toezichtsgebied met een straal van ten minste 10 km rond de uitbraak van mond- en klauwzeer. Deze gebieden worden aan de ingang gemarkeerd met borden van voldoende groot formaat;
  • op nationaal en lokaal niveau worden ziektebestrijdingscentra opgericht. Deze centra voeren de noodmaatregelen uit op basis van het advies van deskundigen en verstrekken informatie aan de nationale en Europese instellingen;
  • de lidstaten verlenen hun medewerking aan het traceren van alle ziektegevoelige dieren en daarvan verkregen producten van dierlijke oorsprong.

De volgende maatregelen zijn van toepassing op de bedrijven die zich in het beschermingsgebied bevinden:

  • alle bedrijven worden geregistreerd en alle op die bedrijven aanwezige dieren worden geteld;
  • op gezette tijden wordt een veterinaire inspectie verricht op de betrokken bedrijven;
  • ziektegevoelige dieren mogen het bedrijf niet verlaten, tenzij voor een noodslachting in een buiten het beschermingsgebied gelegen slachthuis;
  • markten, beurzen en tentoonstellingen voor evenhoevige dieren alsmede kunstmatige inseminatie zijn verboden;
  • het vervoer van ziektegevoelige dieren is verboden.

Het is verboden vlees en bereidingen op basis van vlees van ziektegevoelige dieren die geproduceerd zijn in het beschermingsgebied in de handel te brengen. Dit verbod is tevens van toepassing op vleesproducten, melk, melkproducten, sperma, eicellen, embryo's, huiden, voeder, groenvoeder, hooi en stro, tenzij ze een speciale bewerking en/of stringente veterinaire controle hebben ondergaan. Dezelfde beperkingen gelden voor schapenwol, haar van herkauwers en varkenshaar, alsmede andere in het beschermingsgebied vervaardigde dierlijke producten van runderen, geiten en varkens. In alle gevallen is het verboden mest uit te rijden die afkomstig is uit het gebied.

Slechts de bevoegde autoriteit is gerechtigd specifieke afwijkingen op deze verboden toe te staan en aanvullende certificeringen voor het intracommunautaire handelsverkeer af te geven.

De lidstaten handhaven de in het beschermingsgebied geldende maatregelen totdat aan de volgende voorwaarden is voldaan:

  • er zijn ten minste 15 dagen verstreken sinds de dag waarop alle dieren in het met mond- en klauwzeer besmette bedrijf zijn gedood en verwijderd;
  • in alle in het beschermingsgebied gelegen bedrijven is met gunstig resultaat een onderzoek uitgevoerd.

Nadat de specifieke maatregelen voor het beschermingsgebied zijn ingetrokken, blijven de maatregelen die voor het toezichtsgebied zijn vastgesteld van toepassing gedurende ten minste 15 dagen.

In het toezichtsgebied zijn de maatregelen voor het beschermingsgebied van kracht. Het gaat hoofdzakelijk om de registratie van de bedrijven en de dieren die hier verblijven, het verbod op het vervoer van ziektegevoelige dieren en beperkingen voor het op de markt brengen van vlees en producten van dierlijke oorsprong.

Regionalisering

Wanneer het mond- en klauwzeervirus zich ondanks de vastgestelde uitroeiingsmaatregelen toch lijkt te verspreiden, zien de betreffende lidstaten erop toe dat een diepgaand epizoötiologisch onderzoek wordt uitgevoerd. Naargelang van de resultaten regionaliseren zij hun grondgebied in één of meer ingesloten gebieden en een vrij gebied. In een ingesloten gebied worden de volgende maatregelen getroffen:

  • controle van het handelsverkeer, transport van dieren en daarvan verkregen producten;
  • tracering en merking van alle opgeslagen producten;
  • specifieke certificering van ziektegevoelige dieren en daarvan verkregen producten door het aanbrengen van een keurmerk op producten overeenkomstig de geldende communautaire regelgeving;
  • het traceren, verwerken en opslaan door de lidstaten van vers vlees, rauwe melk en melkproducten verkregen van ziektegevoelige dieren uit het betreffende gebied na de datum waarop het mond- en klauwzeervirus waarschijnlijk is ingesleept.

VACCINATIE

De lidstaten zien erop toe dat het gebruik van mond- en klauwzeervaccins op hun grondgebied verboden is, behoudens het bepaalde in deze richtlijn.

De handel in tegen mond- en klauwzeer gevaccineerde dieren is verboden. Wanneer het beschermingsgebied wordt opgeheven, mogen gevaccineerde dieren van geteste beslagen binnen de lidstaat worden verplaatst, mits tracering garandeert dat ze buiten de communautaire handel worden gehouden.

Noodvaccinatie

Tot het verrichten van noodvaccinatie kan worden besloten door de betrokken lidstaat, op initiatief van de Commissie of op verzoek van een blootgesteld buurland, in overleg met de getroffen lidstaat. Ten minste een van de volgende voorwaarden dient te zijn vervuld:

  • uitbraken van mond- en klauwzeer zijn bevestigd en dreigen zich verder te verspreiden op het grondgebied van de lidstaat;
  • andere lidstaten lopen risico's in verband met de geografische ligging van de uitbraken en de weersomstandigheden;
  • andere lidstaten lopen risico's in verband met uit epizoötiologisch oogpunt relevante contacten tussen bedrijven in de betrokken lidstaat;
  • andere lidstaten lopen risico's in verband met de geografische ligging of de weersomstandigheden in een aangrenzend derde land.

De criteria op grond waarvan al dan niet tot beschermende vaccinatie wordt besloten betreffen met name: de veedichtheid en de verplaatsingen van ziektegevoelige dieren, de kans op verspreiding van het mond- en klauwzeervirus door de lucht, de capaciteit van de lidstaat om besmette dieren te ruimen alsook de oorsprong, verspreiding en incidentie van uitbraken van de ziekte.

De voorschriften voor vaccinatie hebben betrekking op de omschrijving van de geografische zone waar de vaccinatie wordt uitgevoerd, de soort en de leeftijd van de te vaccineren dieren en de duur van de vaccinatiecampagne. De gevaccineerde dieren worden duidelijk geïdentificeerd en geregistreerd en mogen in geen enkel geval worden verplaatst.

Tussen het begin van de noodvaccinatiecampagne en het herstel van de status van een land als "vrij van mond- en klauwzeer en van besmetting" volgen drie afzonderlijke fases elkaar op. In elke fase zijn specifieke maatregelen voor het vaccinatiegebied van toepassing. Deze maatregelen hebben hoofdzakelijk betrekking op de verplaatsingen van dieren, vers vlees en andere producten van dierlijke oorsprong, melk en melkproducten, klinisch en serologisch onderzoek, alsmede de indeling van bedrijven.

Beschermende vaccinatie

Lidstaten die beschermende vaccinatie toepassen, regionaliseren het vaccinatiegebied indien nodig in nauwe samenwerking met de naburige lidstaten. De beginselen van hygiëne en bioveiligheid worden in acht genomen, alsmede de hierboven beschreven specifieke regels voor de beschermingsgebieden en toezichtsgebieden. In geval van beschermende vaccinatie dient het vaccinatiegebied te worden omgeven door een tweede toezichtsgebied met een straal van ten minste 10 km.

Onderdrukkende vaccinatie

Onderdrukkende vaccinatie maakt deel uit van een strategie waarbij onmiddellijk wordt geruimd en wordt slechts toegepast om ervoor te zorgen dat het virus zich zo min mogelijk verspreidt bij het verwijderen van besmette dieren. Lidstaten die besluiten onderdrukkende vaccinatie toe te passen, stellen de Commissie daarvan in kennis. Onderdrukkende vaccinatie wordt uitsluitend in een beschermingsgebied en op duidelijk geïdentificeerde bedrijven toegepast.

HERSTEL VAN DE STATUS VAN EEN LAND ALS "VRIJ VAN MOND- EN KLAUWZEER EN VAN BESMETTING"

Een lidstaat die door een mond- en klauwzeerepidemie is getroffen en waarvan het grondgebied is geregionaliseerd, stelt alles in het werk om opnieuw de status "vrij van mond- en klauwzeer en van besmetting" te verkrijgen.

Indien de lidstaat geen vaccinatie heeft toegepast, dienen de volgende voorwaarden in acht te worden genomen:

  • de maatregelen ter bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer in de beschermings- en toezichtsgebieden waren doeltreffend en kunnen worden opgeheven;
  • ten minste een van de volgende voorwaarden dient te zijn vervuld: de aanbevelingen van de diergezondheidscode (EN) van het OIE zijn in acht genomen; ten minste drie maanden zijn verstreken sedert de laatste uitbraak van mond- en klauwzeer is geconstateerd.

Indien de lidstaat vaccinatie heeft toegepast, verkrijgt het deze status opnieuw onder de volgende voorwaarden:

  • de maatregelen ter bestrijding en uitroeiing van mond- en klauwzeer in de beschermings- en toezichtsgebieden waren doeltreffend en kunnen worden opgeheven;
  • de maatregelen van de drie fases volgend op het begin van de vaccinatiecampagne zijn getroffen;
  • ten minste een van de volgende voorwaarden dient te zijn vervuld: de aanbevelingen van de diergezondheidscode van het OIE zijn in acht genomen, ten minste drie maanden zijn verstreken sedert het laatste gevaccineerde dier is geslacht en serologische bewaking is toegepast, ten minste zes maanden zijn verstreken sedert de laatste uitbraak van mond- en klauwzeer of sedert de voltooiing van de noodvaccinatie (indien dat later was).

PREVENTIEVE MAATREGELEN

Laboratoria en inrichtingen waar met levend mond- en klauwzeervirus wordt gewerkt

Het werken met levend mond- en klauwzeervirus, het genoom daarvan, antigenen of vaccin is alleen toegestaan in erkende, streng gecontroleerde laboratoria. Er wordt een officiële lijst van deze instellingen opgesteld die regelmatig wordt bijgewerkt.

Elke lidstaat wijst een nationaal referentielaboratorium aan dat de beschikking heeft over voldoende middelen en personeel. Dit laboratorium heeft in de eerste plaats tot taak de aanwezigheid van mond- en klauwzeer te bevestigen dan wel uit te sluiten. Daarnaast coördineert het op nationaal niveau de normen en methoden op het gebied van de diagnose en maakt het een antigeentypering en een genoomkarakterisering voor alle virussen die tot nieuwe uitbraken van de ziekte leiden. Een nationaal referentielaboratorium kan deze rol voor een of meer lidstaten vervullen. Tevens worden communautaire referentielaboratoria aangewezen.

Diagnose van mond- en klauwzeer

De nationale laboratoria maken gebruik van de diagnostische tests en normen die beantwoorden aan de eisen zoals beschreven in het "Handboek inzake normen voor diagnostische tests en vaccins" (EN) van het OIE. Gestandaardiseerd geïnactiveerd antigeen van de zeven serotypes alsmede isolaten van mond- en klauwzeer zijn beschikbaar bij het wereldreferentielaboratorium.

Rampenplannen en alarmoefeningen in reële tijd

Elke lidstaat stelt een rampenplan op waarin wordt aangegeven welke nationale maatregelen vereist zijn bij een uitbraak van mond- en klauwzeer. Het doel hiervan is om voortdurend bedacht te blijven op een mogelijke uitbraak van de ziekte en om het milieu te beschermen. Het rampenplan zorgt ervoor dat alle benodigde apparatuur en personeel op elk moment beschikbaar zijn en maakt coördinatie met naburige lidstaten mogelijk. De Europese Commissie brengt advies uit over deze plannen, die om de vijf jaar worden geëvalueerd.

Ten minste twee maal per vijf jaar worden alarmoefeningen in reële tijd uitgevoerd.

Ze worden gehouden in nauwe samenwerking met de bevoegde autoriteiten van de naburige lidstaten. De Commissie wordt in kennis gesteld van de resultaten van deze oefeningen.

Antigeen- en vaccinbanken

In het kader van het rampenplan kunnen de lidstaten nationale antigeen- en vaccinbanken instellen en handhaven voor de opslag van de vaccinvoorraden voor noodvaccinaties, overeenkomstig de bepalingen van Richtlijn 2001/82 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik.

Deze richtlijn strekt tot oprichting van een communautaire antigeen- en vaccinbank. De informatie inzake hoeveelheden van de antigenen en de goedgekeurde opgeslagen vaccins moet om veiligheidsredenen als geclassificeerde informatie worden beschouwd. De producent van antigeen met wie de Commissie een overeenkomst heeft gesloten dient in staat te zijn binnen vier dagen één miljoen doses vaccin te leveren en binnen tien dagen vier miljoen. Alle lidstaten hebben op verzoek toegang tot de communautaire bank. Wanneer dat in het belang van de Gemeenschap is, kan de Commissie derde landen ondersteunen.

Aanvullende maatregelen inzake preventie en controle

De lidstaten zien erop toe dat het voederen van keukenafval aan ziektegevoelige dieren wordt verboden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1774/2002 inzake niet voor menselijke of dierlijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten.

Wanneer wilde dieren vatbaar zijn voor mond- en klauwzeer, dient de lidstaat de aanwezigheid van mond- en klauwzeer te bevestigen dan wel uit te sluiten met name door middel van laboratoriumtests. Zodra mond- en klauwzeer bij een wild dier is bevestigd, treft de lidstaat de benodigde maatregelen om het risico op verspreiding van de ziekte te beperken en wordt een plan ter uitroeiing opgesteld. De eventuele eigenaren van deze dieren en de jagers zullen van verdere ontwikkelingen op de hoogte worden gesteld.

Sancties

De lidstaten leggen regels vast met betrekking tot de straffen die gelden bij overtreding van de nationale voorschriften. Deze straffen moeten doelmatig zijn, in verhouding staan tot de overtreding en ontradend werken. Ze moesten uiterlijk op 30 juni 2004 bij de Commissie zijn gemeld.

INTREKKINGEN

Richtlijn 85/511/EEG en de Beschikkingen 89/531/EEG en 91/665/EEG die ter uitvoering daarvan zijn genomen, worden ingetrokken.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Richtlijn 2003/85/EG

12.12.2003

30.6.2004

L 306 van 22.11.2003

De opeenvolgende wijzigingen en rectificaties van Richtlijn 2003/85/EG zijn opgenomen in de basistekst. Deze geconsolideerde versie heeft slechts informatieve waarde.

GERELATEERDE BESLUITEN

RAMPENPLANNEN

Beschikking 2007/18/EG van de Commissie van 22 december 2006 houdende goedkeuring van rampenplannen voor de bestrijding van mond- en klauwzeer krachtens Richtlijn 2003/85/EG van de Raad (kennisgeving geschied onder nummer C(2006) 6855) [Publicatieblad L 7 van 12.1.2007].

MOND- EN KLAUWZEERVACCINS

Beschikking 91/666/EEG van de Raad van 11 december 1991 betreffende de vorming van communautaire reserves van mond- en klauwzeervaccins [Publicatieblad L368 van 31.12.1991].
Zie geconsolideerde versie .

Beschikking 2001/75/EG van de Commissie van 18 januari 2001 betreffende de controle van de veiligheid en de werkzaamheid van mond- en klauwzeervaccins en bluetonguevaccins [Publicatieblad L 26 van 27.1.2001].

Besluit 2009/486/EG van de Commissie van 22 juni 2009 betreffende de aankoop van mond-en-klauwzeerantigeen [Publicatieblad L 160 van 23.6.2009].

Laatste wijziging: 23.11.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven