RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Bestrijding van fraude en vervalsing van betaalmiddelen

Met de goedkeuring van een kaderbesluit vult de Raad van de Europese Unie de maatregelen aan die reeds waren genomen voor de bestrijding van elke fraude met betrekking tot andere betaalmiddelen dan contanten. In het kaderbesluit worden onder meer de frauduleuze gedragingen omschreven die als een strafbaar feit kunnen worden beschouwd en in de hele Unie aan sancties kunnen worden onderworpen.

BESLUIT

Kaderbesluit van de raad van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten.

SAMENVATTING

Met dit kaderbesluit worden een reeks andere maatregelen aangevuld die de Raad reeds had aangenomen betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten, onder meer:

  • het Gemeenschappelijk Optreden 98/428/JBZ tot oprichting van een Europees
    justitieel netwerk;
  • het Gemeenschappelijk Optreden 98/733/JBZ inzake de strafbaarstelling van deelneming aan een criminele organisatie in de lidstaten van de Europese Unie;
  • het Gemeenschappelijk Optreden 98/699/JBZ inzake de identificatie, opsporing, bevriezing, inbeslagneming en confiscatie van hulpmiddelen en van de opbrengsten van misdrijven.

Overeenkomstig dit kaderbesluit wordt elke vorm van fraude waarbij andere betaalmiddelen dan contanten worden gebruikt, beschouwd als een strafbaar feit dat in alle lidstaten van de Unie kan worden bestraft met doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties.

Strafbare gedragingen

Met dit kaderbesluit wil men bereiken dat het gebruik van strikt gedefinieerde kwalificaties in het strafrecht vermeden wordt, en wel omdat in dit opzicht verschillen tussen de lidstaten bestaan. Het kaderbesluit beperkt zich dus tot het opstellen van een lijst met verschillende opzettelijke gedragingen die in heel de Unie beschouwd moeten worden als strafbare feiten. Bedoelde gedragingen worden ingedeeld naargelang ze gericht zijn tegen het betaalinstrument zelf of de vervaardiging ervan, of tegen één of meer bepaalde betalingstransacties dan wel tegen het eigenlijke systeem voor het geven van opdrachten tot en het verzamelen, verwerken, clearen en afwikkelen van de betalingstransacties.

Sancties

Alle hierboven genoemde gedragingen worden door alle lidstaten als strafbare feiten gekwalificeerd. De lidstaten dragen er dus zorg voor dat er strafrechtelijke sancties genomen worden tegen deze strafbare feiten, ongeacht of deze begaan zijn door natuurlijke personen of rechtspersonen. De sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Deze sancties omvatten niet noodzakelijkerwijs vrijheidsberoving, behalve voor ernstigere overtredingen die aanleiding kunnen geven tot uitlevering. De lidstaten hebben de mogelijkheid om binnen een bepaalde marge de ernst van een strafbaar feit vast te stellen, alsmede de aard en de zwaarte van de toegepaste sancties te bepalen.

Rechtsmacht

Er zijn een aantal criteria vastgesteld om de rechtsmacht van de nationale rechtbanken te bepalen voor vervolging van de in dit kaderbesluit bedoelde strafbare feiten. De lidstaten oefenen hun rechtsmacht uit als het strafbare feit gepleegd is:

  • op hun grondgebied;
  • door hun onderdanen (als de extraterritoriale bevoegdheid erkend wordt door de lidstaat);
  • ten voordele van een rechtspersoon met hoofdkantoor op het grondgebied van die lidstaat.

Er zijn tevens maatregelen opgenomen die vervolging van strafbare feiten garanderen als een lidstaat zijn onderdanen niet uitlevert.

Samenwerking

Het kaderbesluit bevat maatregelen voor samenwerking tussen enerzijds openbare en particuliere diensten en organen die belast zijn met het beheren en het volgen van, alsmede met het toezicht houden op de betaalsystemen, en anderzijds de nationale autoriteiten die bevoegd zijn voor het onderzoek en de bestraffing van de in dit kaderbesluit bedoelde strafbare feiten. Er kunnen extra samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten tot stand worden gebracht, overeenkomstig de geldende verdragen, multi- en bilaterale overeenkomsten en andere geldende afspraken. De Commissie brengt aan de Raad verslag uit over de wijze waarop de lidstaten de bepalingen ervan hebben toegepast.

Arrest C-176/03 (castellanodeutschenglishfrançais) van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen inzake de bevoegdheidsverdeling in strafzaken tussen de Europese Commissie en de Raad van de Europese Unie heeft gevolgen voor dit besluit.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Kaderbesluit 2001/413/JAI2.6.20012.6.2003L 149 van 2.6.2001

GERELATEERDE BESLUITEN

Tweede verslag op basis van artikel 14 van het Kaderbesluit van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten [COM(2006) 65 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Overeenkomstig de conclusies van de Raad van 25-26 oktober 2004 dient de Commissie dit tweede verslag in op basis van de aanvullende gegevens die door de lidstaten zijn verstrekt. In dit verslag komen Oostenrijk, België, Denemarken, Griekenland, Luxemburg, Nederland, Portugal en Zweden aan de orde. In het verslag zijn de lidstaten opgenomen die in 2004 tot de Europese Unie zijn toegetreden.

De Commissie stelt vast dat de meerderheid van de lidstaten die in het verslag aan de orde komen, in overeenstemming zijn met het kaderbesluit. Griekenland en Luxemburg hebben nog niet alle maatregelen genomen die nodig zijn voor een volledige omzetting van het kaderbesluit: het desbetreffende wetsontwerp moet nog door het nationale parlement worden goedgekeurd. Cyprus heeft onvoldoende gegevens verstrekt om de Commissie in staat te stellen een volledige evaluatie op te stellen van de overeenstemming van zijn nationale wetgeving met de bepalingen van het kaderbesluit. De Commissie betreurt dat zeven lidstaten al hun wetgeving nog niet hebben medegedeeld of op het moment van de voltooiing van dit verslag de procedure tot omzetting van het kaderbesluit nog niet hadden beëindigd.

Verslag van de Commissie op basis van artikel 14 van het Kaderbesluit van de Raad van 28 mei 2001 betreffende de bestrijding van fraude en vervalsing in verband met andere betaalmiddelen dan contanten [COM(2004) 346 def. - Niet verschenen in het Publicatieblad].
Artikel 14 van voornoemd kaderbesluit bepaalt dat de Europese Commissie een verslag moet opstellen over de mate waarin de lidstaten de nodige maatregelen hebben genomen om aan dit kaderbesluit te voldoen. De Commissie heeft kritiek op het feit dat bepaalde lidstaten niet binnen de uiterlijke termijn (2 juni 2003) - de noodzakelijke gegevens hebben verstrekt om erop toe te kunnen zien dat de verplichtingen die dit kaderbesluit hen oplegt, in hun nationale wetgeving werden omgezet. Het verslag is dus gebaseerd op onvolledige gegevens. Op grond van de specifieke gegevens die door negen lidstaten werden verstrekt, heeft de Commissie een stand van zaken opgesteld over de vooruitgang die werd geboekt bij de uitvoering van het kaderbesluit.

De Commissie concludeert dat slechts vijf lidstaten (Duitsland, Frankrijk, Italië, Ierland en het Verenigd Koninkrijk) zich hebben gehouden aan de termijn waarbinnen de bepalingen van het kaderbesluit in nationale wetgeving moesten zijn omgezet. Spanje, Finland en Zweden hebben ook hun omzettingsmaatregelen medegedeeld. België is van oordeel dat haar wetgeving reeds voldoet aan de bepalingen, zonder echter een aanvullende toelichting op de relevante wetteksten te geven. Op de datum van indiening van het verslag waren Oostenrijk, Griekenland en Luxemburg bezig met de tenuitvoerlegging van de vereiste nationale maatregelen. Nederland had maatregelen aangenomen die nog niet van kracht waren. Denemarken en Portugal hebben de Commissie geen antwoord verstrekt.

De meeste maatregelen zijn ten uitvoer gelegd door een meerderheid van de lidstaten die het kaderbesluit in nationale wetgeving hebben omgezet. Hierbij treden er evenwel verschillen op. De uitvoering van onder meer artikel 6, dat betrekking heeft op strafsancties, is vrij heterogeen.

Laatste wijziging: 06.06.2006
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven