RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Antidumpingmaatregelen

Deze verordening zet de antidumpingvoorschriften van de overeenkomst over de toepassing van artikel VI van de Algemene Overeenkomst betreffende Tarieven en Handel 1994 om in Europees recht. Zij bevat bepalingen met betrekking tot de berekening van dumping, de procedures voor het openen en verrichten van een onderzoek, de instelling van voorlopige en definitieve maatregelen en de duur en de herziening van antidumpingmaatregelen.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap.

SAMENVATTING

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen verkoop met dumping en verkoop tegen lage prijs als gevolg van lagere kosten of van een hogere productiviteit. Het essentiële criterium is immers niet de verhouding tussen de prijs die voor het uitgevoerde product wordt aangerekend en de prijs die op de markt van het land van invoer wordt gehanteerd maar wel de verhouding tussen de prijs bij uitvoer van het product en zijn normale waarde. De prijs van een product wordt bijgevolg als een dumpingprijs beschouwd indien deze bij uitvoer van het product naar de Europese Unie (EU) lager is dan de vergelijkbare prijs voor een soortgelijk product die in het kader van normale handelstransacties in het land van uitvoer wordt gehanteerd.

De normale waarde die in aanmerking moet worden genomen om de dumping vast te stellen, is gewoonlijk gebaseerd op de door onafhankelijke afnemers in het land van uitvoer in het kader van normale handelstransacties betaalde of te betalen prijs.

Indien de exporteur in het land van uitvoer evenwel geen soortgelijk product vervaardigt of verkoopt, wordt de normale waarde vastgesteld op basis van de prijzen die door andere verkopers of producenten worden toegepast. De productiekosten in het land van oorsprong kunnen in aanmerking worden genomen indien geen verkoop van het soortgelijk product in het kader van normale handelstransacties heeft plaatsgevonden (bijvoorbeeld bij verkoop door een onderneming met een monopoliepositie), indien deze verkoop ontoereikend was of indien deze verkoop ten gevolge van de bijzondere situatie op de markt geen valabele vergelijking toeliet.

Bij invoer uit landen zonder markteconomie wordt de normale waarde vastgesteld op basis van de prijs of de samengestelde waarde in een derde land met markteconomie, de prijs bij uitvoer uit dit land naar andere landen of, indien dat niet mogelijk is, op iedere andere redelijke basis.

Het tweede vergelijkingselement, d.w.z. het element dat in vergelijking met de in het land van oorsprong vastgestelde normale waarde de dumpingmarge oplevert, is de uitvoerprijs. Het betreft de werkelijk betaalde of te betalen prijs voor het product dat naar de EU wordt uitgevoerd.

Indien er geen uitvoerprijs is of indien het een uitvoerprijs betreft die wordt gehanteerd in het kader van een associatie of een compensatieregeling waarbij enerzijds de exporteur en anderzijds de importeur of een derde persoon betrokken zijn, wordt iedere referentie aan de uitvoerprijs onmogelijk. In dat geval mag de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde product wordt doorverkocht aan de eerste onafhankelijke afnemer. Indien het product niet wordt doorverkocht aan een onafhankelijke afnemer of niet wordt doorverkocht in de staat waarin het werd ingevoerd, wordt de uitvoerprijs samengesteld op iedere andere redelijke basis. Er worden correcties toegepast om rekening te houden met de kosten die zijn ontstaan tussen de invoer en de wederverkoop en met een winstmarge.

Dumpingmarge

Onder dumpingmarge wordt verstaan het bedrag waarmee de normale waarde de prijs bij uitvoer overstijgt. De vergelijking vindt plaats aan de hand van verkopen die hebben plaatsgevonden in hetzelfde handelsstadium en op data die zo dicht mogelijk bij elkaar liggen. Er worden correcties toegepast om rekening te houden met verschillen in verkoopvoorwaarden, belastingen alsmede andere verschillen die gevolgen hebben voor de vergelijkbaarheid van de prijzen.

Schade

De instelling van een antidumpingrecht is ook afhankelijk van een tweede essentieel element, namelijk aanmerkelijke schade voor een bedrijfstak van de EU. Het kan daarbij gaan om schade die aan een bedrijfstak werd berokkend of dreigt te worden berokkend dan wel om aanzienlijke vertraging bij het in het leven roepen van een bedrijfstak.

De vaststelling van de schade moet op positieve bewijzen gebaseerd zijn en een objectief onderzoek van de volgende elementen omvatten:

  • de met dumping ingevoerde hoeveelheden, met name indien deze hetzij in absolute waarde, hetzij in verhouding tot de productie of het verbruik in de EU sterk zijn gestegen;
  • de prijzen van de met dumping ingevoerde producten, met name om vast te stellen of er, in vergelijking met de prijzen van een soortgelijk product van de bedrijfstak van de EU, ernstige prijsonderbieding heeft plaatsgevonden, dan wel of druk op de prijzen werd uitgeoefend of deze in hun ontwikkeling werden belemmerd;
  • de gevolgen van bovenstaande elementen voor de betrokken bedrijfstak van de EU, met name voor zijn productie, bezettingsgraad van de productiecapaciteit, voorraden, verkoop, marktaandeel, prijsverloop, winsten, rendement op investeringen, kasstroom en werkgelegenheid.

Anderzijds moeten de gevolgen van de dumping geëvalueerd worden voor de productie van het soortgelijk product door de bedrijfstak van de EU waarbij de productiesector in de meest strikte zin in aanmerking wordt genomen.

Onder de term “bedrijfstak van de EU” worden alle in de EU gevestigde producenten verstaan of de producenten die samen een groot deel van de productie van de EU voor hun rekening nemen. Indien een producent evenwel terzelfder tijd importeur is van het met dumping ingevoerde product, kan de definitie van “bedrijfstak van de EU” beperkt worden tot de overige producenten.

Inleiding van de procedure

De procedure wordt ingeleid na een schriftelijke klacht van een natuurlijk persoon, een rechtspersoon of een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid die optreedt namens de bedrijfstak van de EU. Indien geen klacht werd ingediend maar een EU-land over toereikende bewijzen van dumping en van hieruit voortvloeiende schade voor de bedrijfstak van de EU beschikt, deelt het EU-land in kwestie deze elementen aan de Commissie mee.

De klacht moet bewijzen bevatten van de dumping en van de schade en van een oorzakelijk verband tussen beide. De klacht moet ook de volgende gegevens bevatten:

  • de identiteit van de indiener van de klacht alsook de in de EU vervaardigde hoeveelheden en de waarde daarvan;
  • de beschrijving van het product dat naar verluidt met dumping wordt ingevoerd en het land van oorsprong en de identiteit van iedere bekende producent/exporteur en importeur;
  • de verkoopprijs bij verbruik van het product op de binnenlandse markt van het land of de landen van oorsprong of van uitvoer alsook de prijs bij uitvoer van het product;
  • informatie over veranderingen in de van het betrokken product ingevoerde hoeveelheden en de gevolgen van deze invoer voor de prijs van het soortgelijk product in de EU.

De klacht wordt geacht te zijn ingediend door of namens de bedrijfstak van de EU indien de klacht gesteund wordt door Europese producenten die samen 50 % van de productie van de EU voor hun rekening nemen.

De klacht wordt onderzocht door een raadgevend comité, dat is samengesteld uit vertegenwoordigers van elk EU-land en wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie. Indien na dit overleg blijkt dat de klacht onvoldoende bewijzen bevat om de inleiding van een onderzoek te rechtvaardigen, wordt de klacht van de hand gewezen en wordt de klagende partij hiervan op de hoogte gebracht.

Indien na het overleg in comité blijkt dat er voldoende bewijzen zijn om de inleiding van een onderzoek te rechtvaardigen, dient de Commissie de procedure binnen 45 dagen na de ontvangst van de klacht te starten. Zij publiceert in het Publicatieblad van de Europese Unie een bericht van inleiding van het onderzoek. Hierin worden het betrokken product en de betrokken landen vermeld, de ontvangen gegevens samengevat en een termijn vastgesteld waarbinnen de partijen hun standpunten bekend kunnen maken en kunnen verzoeken om te worden gehoord.

De klacht kan vóór de inleiding van het onderzoek worden ingetrokken.

Onderzoek

In het onderzoek dat de Commissie in samenwerking met de EU-landen verricht, worden de dumping en de schade gelijktijdig onderzocht. Er wordt een onderzoektijdvak vastgesteld dat normaal minimaal zes maanden vóór de inleiding van de procedure bestrijkt. De Commissie stuurt de betrokken partijen vragenlijsten toe en deze beschikken over een termijn van minstens dertig dagen om de hierin gestelde vragen te beantwoorden.

De Commissie kan de EU-landen verzoeken haar inlichtingen te verstrekken, haar te machtigen met name bij de importeurs, de marktdeelnemers en de Europese producenten verificaties en controles te verrichten of in derde landen onderzoeken te verrichten (met dien verstande dat de betrokken ondernemingen hiermee moeten instemmen en dat ook de regering van het betrokken land niet tegen deze onderzoeken gekant mag zijn). Ambtenaren van de Commissie kunnen de ambtenaren van de EU-landen bij het uitoefenen van hun functies bijstaan. De Commissie kan zelf - en dat is het meest gebruikelijk - de bedrijven bezoeken om de boekhouding van de betrokken partijen te onderzoeken; de Commissie kan ook zelf de onderzoeken in de betrokken derde landen verrichten.

De Commissie kan de betrokken partijen die hierom verzoeken horen. Zij kan ook ontmoetingen organiseren tussen deze partijen om eventueel de verschillende standpunten met elkaar te confronteren. De betrokken partijen mogen kennis nemen van de inlichtingen die de Commissie werden verstrekt, met uitzondering van de inlichtingen in vertrouwelijke documenten.

Een onderzoek wordt beëindigd doordat het wordt stopgezet ofwel doordat definitieve maatregelen worden ingesteld. Normaal moet het onderzoek binnen een termijn van vijftien maanden na inleiding van de procedure worden beëindigd.

Beëindiging van het onderzoek zonder instelling van maatregelen

De bevindingen van de procedure kunnen negatief zijn. Indien aan het eind van het overleg blijkt dat geen enkele beschermende maatregel noodzakelijk is en in het raadgevend comité tegen deze conclusie geen enkel bezwaar werd geuit, wordt de procedure beëindigd. Indien er wel bezwaren werden geuit, legt de Commissie de Raad meteen een verslag voor van de resultaten van het overleg alsmede een voorstel voor het beëindigen van de procedure. De procedure is dan beëindigd indien de Raad niet anders beschikt.

De procedure wordt beëindigd indien de dumping en de schade verwaarloosbaar worden geacht. De procedure wordt eveneens beëindigd zonder voorlopige of definitieve rechten indien verbintenissen worden aangeboden die de Commissie aanvaardt. Deze verbintenissen kunnen de vorm aannemen van een herziening van de prijzen of van een verlaging van de uitvoer in die mate dat de schadelijke gevolgen van de dumping verdwijnen.

Instelling van voorlopige antidumpingrechten

Voorlopige antidumpingrechten kunnen worden ingesteld indien met een eerste onderzoek werd aangetoond dat er sprake is van dumping en van schade en indien in het belang van de EU meteen moet worden opgetreden om verdere schade te voorkomen. Het bedrag aan rechten mag de dumpingmarge niet overschrijden en moet lager zijn indien een lager bedrag volstaat om de aan de bedrijfstak van de EU berokkende schade op te heffen.

De rechten moeten uiterlijk negen maanden na de inleiding van de procedure zijn ingesteld. Deze rechten worden ingesteld door de Commissie, na overleg met het comité of, bij hoogdringendheid, nadat de EU-landen op de hoogte werden gebracht. De Commissie stelt de Raad en de EU-landen van deze voorlopige maatregelen in kennis. De Raad kan evenwel andere maatregelen instellen.

Instelling van definitieve antidumpingrechten

Indien de definitieve bevindingen luiden dat er sprake is van dumping en van uit deze dumping voortvloeiende schade en dat in het belang van de EU moet worden opgetreden, stelt de Raad een definitief antidumpingrecht in. Net zoals bij de voorlopige maatregelen mag het definitieve recht niet hoger zijn dan de dumpingmarge en moet het lager zijn indien een lager recht volstaat om de schade op te heffen.

Het recht moet op niet-discriminatoire wijze worden toegepast op het product dat tegen dumpingprijzen die schade berokkenen wordt ingevoerd. De verordening waarbij het recht wordt ingesteld, bepaalt welk bedrag aan rechten op iedere leverancier - of eventueel op ieder land - van toepassing is.

De voorlopige of definitieve rechten kunnen niet met terugwerkende kracht worden toegepast. Er kan evenwel een definitief recht worden geïnd op producten die ten hoogste 90 dagen vóór de datum van toepassing van de voorlopige rechten in het vrije verkeer werden gebracht.

Belang van de EU

Antidumpingmaatregelen waartoe werd besloten, worden eventueel niet toegepast indien wordt geconcludeerd dat de toepassing van deze maatregelen niet in het belang van de EU is. Bij deze conclusie worden alle belangen in aanmerking genomen: het belang van de bedrijfstak van de EU, dat van de gebruikers en dat van de consumenten. Alle betrokken partijen kunnen hun standpunt bekend maken.

Duur en nieuw onderzoek

Een antidumpingmaatregel blijft slechts van toepassing zolang dit nodig is om de schadeveroorzakende invoer met dumping tegen te gaan. De rechten vervallen vijf jaar na de instelling ervan of vijf jaar na beëindiging van het meest recente nieuwe onderzoek naar de maatregelen. Dat nieuwe onderzoek vindt plaats op initiatief van de Commissie of op verzoek van de Europese producenten. De rechten blijven gedurende het nieuwe onderzoek van kracht.

Terugbetaling van de rechten

De geïnde rechten kunnen worden terugbetaald indien de importeur kan bewijzen dat de dumpingmarge niet meer bestaat of tot onder het antidumpingrecht werd verlaagd. De importeur beschikt over een termijn van zes maanden om zijn verzoek om terugbetaling in te dienen, gerekend vanaf de datum waarop het bedrag van de definitieve rechten werd vastgesteld of de datum waarop werd beslist tot de definitieve inning van de voorlopige rechten over te gaan. Het desbetreffende verzoek moet gericht worden aan het EU-land waar het product in het vrije verkeer werd gebracht. Dit EU-land legt het verzoek voor aan de Commissie, die na overleg met het comité beslist.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 1225/2009

11.1.2010

-

L 343, 22.12.2009

Laatste wijziging: 17.02.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven