RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Geologische opslag van kooldioxide

De Europese Unie (EU) stelt een wetgevingskader vast voor de geologische opslag van kooldioxide (CO2) op een voor het milieu veilige wijze. Dit rechtskader heeft tot doel de schadelijke gevolgen van CO2 en alle risico’s voor het milieu en de volksgezondheid te voorkomen of, indien dat niet mogelijk is, tot een minimum te beperken.

BESLUIT

Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad.

SAMENVATTING

Bij deze richtlijn wordt een wettelijk kader vastgesteld voor de geologische opslag van kooldioxide op een voor het milieu veilige wijze, teneinde bij te dragen tot de bestrijding van de klimaatverandering.

Deze richtlijn is van toepassing op de geologische opslag van CO2 op het grondgebied van de lidstaten, in hun exclusieve economische zones en op hun continentaal plat.

Deze richtlijn is niet van toepassing op de geologische opslag van CO2 met een opslagcapaciteit van minder dan 100 kiloton.

CO2 mag niet worden opgeslagen in de waterkolom, noch op opslaglocaties met een opslagcomplex die gelegen zijn buiten het grondgebied, de exclusieve economische zones en het continentaal plat van de lidstaten.

Selectie en exploratie van de opslaglocaties

Een geologische formatie wordt pas als opslaglocatie geselecteerd indien zij onder de voorgestelde exploitatievoorwaarden geen significant risico op lekkage en op negatieve effecten voor de volksgezondheid inhoudt.

De capaciteit van een als opslaglocatie gebruikte geologische formatie wordt bepaald door een karakterisering en beoordeling van het potentiële opslagcomplex en het omliggende gebied volgens de in bijlage I bij deze richtlijn gespecificeerde criteria. De karakterisering van een locatie gebeurt in drie fasen:

  • fase 1: verzameling van gegevens over de locatie (geologie, hydrogeologie, seismische activiteit, enz.) en de omgeving (bevolkingsspreiding, nabijheid van natuurlijke rijkdommen of beschermde gebieden, enz.);
  • fase 2: ontwikkeling van computermodellen op basis van de verzamelde gegevens, om de locatie vanuit diverse oogpunten te karakteriseren (geologische structuur, geomechanische en geochemische kenmerken, beschikbaar volume, enz.);
  • fase 3: karakterisering van het dynamische opslaggedrag en van de gevoeligheid en beoordeling van de risico’s.

De exploraties op basis waarvan de voor de selectie van een opslaglocatie vereiste gegevens worden bekomen, mogen niet zonder vergunning worden uitgevoerd. Deze vergunningen worden door de bevoegde autoriteit van iedere lidstaat afgegeven voor de periode die voor het verrichten van de desbetreffende exploratie nodig is. De looptijd kan verlengd worden om de exploratie te kunnen voltooien. Enkel de houder van de exploitatievergunning heeft het recht de exploratiewerkzaamheden met betrekking tot het potentiële CO2-opslagcomplex uit te voeren. De lidstaten zien erop toe dat gedurende de geldigheidsperiode van de vergunning geen conflicterend gebruik van het complex wordt toegestaan.

Opslagvergunning

Geen enkele opslaglocatie mag zonder vergunning worden geëxploiteerd. Aanvragen voor opslagvergunningen moeten aan de bevoegde autoriteit van de desbetreffende lidstaat worden gericht en moeten bepaalde informatie bevatten, zoals informatie over de exploitant, de karakterisering van de opslaglocatie en het opslagcomplex, de evaluatie van de verwachte veiligheid van de opslag, de totale hoeveelheid CO2 die zal worden geïnjecteerd en de samenstelling van de CO2-stromen, de preventieve maatregelen, het voorgestelde monitoringplan, de corrigerende maatregelen, een voorlopig plan voor de periode na afsluiting, het bewijs dat een financiële zekerheid is gesteld, enz.

De bevoegde autoriteit moet zich ervan vergewissen dat de toepasselijke voorschriften van deze richtlijn en de overige wettelijke bepalingen van het Europees recht worden nageleefd en dat het beheer van de opslaglocatie wordt toevertrouwd aan een betrouwbaar en technisch onderlegd persoon. De lidstaten moeten ontwerp-opslagvergunningen binnen één maand na de ontvangst ervan aan de Commissie voorleggen. De Commissie heeft daarna vier maanden de tijd om daarover een niet-bindend advies uit te brengen. De bevoegde autoriteit moet dit advies bij haar besluit in aanmerking nemen en moet haar uiteindelijke besluit met redenen omkleden wanneer dat tegen het advies van de Commissie ingaat.

Voor alle belangrijke wijzigingen is conform deze richtlijn een nieuwe opslagvergunning of een actualisering van de bestaande opslagvergunning vereist.

De bevoegde autoriteit moet de situatie opnieuw bekijken en de opslagvergunning actualiseren of, in het ergste geval, intrekken:

  • in geval van lekkages of significante onregelmatigheden;
  • wanneer de vergunningsvoorwaarden niet worden nageleefd en bij risico op lekkages of significante onregelmatigheden;
  • wanneer de exploitant de vergunningsvoorwaarden niet naleeft;
  • op basis van wetenschappelijke bevindingen en de technologische vooruitgang;
  • en in ieder geval om de vijf jaar na de afgiftedatum van de vergunning en vervolgens om de tien jaar.

Verplichtingen voor de exploitatie, de afsluiting en de periode na afsluiting

Afval noch enig ander materiaal mag aan de CO2‑stroom worden toegevoegd met het doel dat afval of ander materiaal te verwijderen. De concentraties van de stoffen die toevallig in de stroom aanwezig zijn, mogen geen niveaus overschrijden die de integriteit van de opslaglocatie en van de relevante transportinfrastructuur in het gedrang kunnen brengen of die een bedreiging kunnen vormen voor het milieu. De exploitant moet kunnen bewijzen dat de CO2‑stroom aan deze criteria voldoet en moet een register bijhouden van de geleverde CO2‑stromen.

De exploitant moet zorgen voor monitoring van de injectiefaciliteiten, het opslagcomplex en eventueel het omliggende milieu, conform het door de bevoegde autoriteit goedgekeurde monitoringplan. De monitoring heeft met name ten doel het feitelijke CO2-gedrag in de opslaglocatie aan de vooraf opgestelde computermodellen te toetsen en belangrijke onregelmatigheden, CO2-migratie, CO2‑lekkages en negatieve effecten op het milieu en de bevolking te detecteren. Het monitoringplan wordt minstens elke vijf jaar geactualiseerd.

Minstens eenmaal per jaar rapporteert de exploitant bij de bevoegde autoriteit over onder meer: de resultaten van de monitoring van de opslaglocatie, de geleverde hoeveelheden en de kenmerken van de CO2‑stromen. Hij levert het bewijs dat de gestelde financiële zekerheid nog geldt.

De bevoegde autoriteit zorgt ervoor dat regelmatige (minstens eenmaal per jaar) en gerichte inspecties van de opslaglocatie plaatsvinden (bijvoorbeeld in geval van lekkages, belangrijke onregelmatigheden, niet-naleving van de vergunningsvoorwaarden of ernstige klachten in verband met het milieu of de volksgezondheid). De exploitant wordt van het verslag van iedere inspectie in kennis gesteld en het verslag wordt ook gepubliceerd.

De exploitant moet de bevoegde autoriteit onmiddellijk in kennis stellen van eventuele lekkages of belangrijke onregelmatigheden en de nodige corrigerende maatregelen nemen zoals beschreven in het door de bevoegde autoriteit goedgekeurde plan met corrigerende maatregelen. De bevoegde autoriteit kan aanvullende maatregelen opleggen en wanneer de exploitant niet zelf tot corrigerende maatregelen overgaat de kosten hiervan op de exploitant verhalen.

De opslaglocatie wordt afgesloten wanneer de in de vergunning vervatte voorwaarden zijn vervuld, op verzoek van de exploitant of wanneer de bevoegde autoriteit tot afsluiting besluit na intrekking van de opslagvergunning. Nadat de opslaglocatie is afgesloten, blijft de exploitant er verder voor verantwoordelijk; hij moet dus ook de opslaglocatie verzegelen en de injectiefaciliteiten verwijderen. De exploitant blijft tevens onderworpen aan dezelfde verplichtingen als tijdens de exploitatie, conform het door de bevoegde autoriteit goedgekeurd voorlopig plan voor de periode na afsluiting. Vervolgens wordt de verantwoordelijkheid aan de bevoegde autoriteit overgedragen wanneer uit de beschikbare gegevens blijkt dat de opgeslagen CO2 voor onbeperkte tijd volledig en permanent ingesloten zal blijven, dat een minimumtermijn is verstreken, dat de financiële verplichtingen zijn nagekomen, dat de opslaglocatie is verzegeld en dat de injectie-installaties zijn verwijderd. Na de overdracht van de verantwoordelijkheid worden de routine-inspecties stopgezet en kan de monitoring worden beperkt tot het niveau waarop lekkages of significante onregelmatigheden kunnen worden vastgesteld. Betreft het een vergunning die is ingetrokken, dan is het de bevoegde autoriteit die alle bovengenoemde verplichtingen nakomt. Zij verhaalt de gemaakte kosten in dat geval evenwel op de vorige exploitant tot alle voorwaarden voor de definitieve overdracht van de verantwoordelijkheid aan de bevoegde autoriteit zijn vervuld (d.w.z. tot uit alle beschikbare gegevens blijkt dat de CO2 volledig en permanent ingesloten zal blijven).

Andere bepalingen

De exploitant moet, alvorens hij een aanvraag voor een opslagvergunning kan indienen, een financiële zekerheid stellen of een andere financiële waarborg bieden in verband met het nakomen van zijn verplichtingen tijdens de exploitatie van de opslaglocatie, de afsluiting en de periode na afsluiting.

De lidstaten moeten de nodige maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat potentiële gebruikers toegang krijgen tot de opslaglocaties voor CO2 en zij moeten in dat verband de doelstellingen van eerlijke en open toegang in aanmerking nemen. Zij moeten eveneens een systeem voor geschillenbeslechting in het leven roepen, samenwerken wanneer het grensoverschrijdende geschillen betreft, een register voeren van de afgesloten opslaglocaties en dat aan de Commissie overmaken, en om de drie jaar (en voor het eerst op 30 juni 2011) een verslag overleggen over de tenuitvoerlegging van de richtlijn.

Context

Deze richtlijn maakt deel uit van het pakket “Energie en klimaatverandering” waarmee de Commissie begin 2008 een aanvang heeft gemaakt.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad

Richtlijn 2009/31/EG

25.6.2009

25.6.2011

L 140 van 5.6.2009

GERELATEERDE BESLUITEN

Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's - Naar 20-20 in 2020 - Kansen van klimaatverandering voor Europa [COM(2008) 30 definitief – Niet bekendgemaakt in het Publicatieblad].
In januari 2008 heeft de Commissie een reeks coherente, algemene maatregelen vastgesteld om de doelstellingen die door de EU in het voorjaar van 2007 op het gebied van klimaatverandering en hernieuwbare energiebronnen voor 2020 waren vastgesteld, te verwezenlijken.

Laatste wijziging: 17.02.2011
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven