RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Nationale emissiemaxima voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen

De Unie stelt nationale emissieplafonds vast voor verzurende en eutrofiërende verontreinigende stoffen en voor precursoren van ozon om aldus de bescherming van het milieu en de menselijke gezondheid tegen de schadelijke effecten van die stoffen te verbeteren.

BESLUIT

Richtlijn 2001/81/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake nationale emissieplafonds voor bepaalde luchtverontreinigende stoffen [Zie wijzigingsbesluit(en)].

SAMENVATTING

Deze richtlijn volgt op de mededeling van 1997 betreffende een communautaire strategie voor de bestrijding van verzuring, die tot doel had voor de eerste keer nationale emissiemaxima vast te stellen voor bepaalde verontreinigende stoffen.

Toepassingsgebied

Deze richtlijn bestrijkt de door menselijke activiteiten veroorzaakte emissies van vier verontreinigende stoffen op het grondgebied van de lidstaten en in hun exclusieve economische zones:

  • emissies van zwaveldioxide (SO2);
  • emissies van stikstofoxiden (NOx);
  • emissies van vluchtige organische stoffen (VOS); en
  • emissies van ammoniak (NH3).

Deze verontreinigende stoffen veroorzaken verzuring en eutrofiëring en leiden tot de vorming van troposferische ozon (ook "slechte ozon" genoemd omdat hij op lage hoogte aanwezig is, in tegenstelling tot de ozon in de stratosfeer), ongeacht de bron waaruit zij voortkomen.

Nationale emissiemaxima

Overeenkomstig de richtlijn moeten de lidstaten uiterlijk tegen eind 2010 nationale emissiemaxima vaststellen voor de vier bovengenoemde verontreinigende stoffen. Deze plafonds worden aangegeven in bijlage I bij de richtlijn.

Tussentijdse milieudoelstellingen

Het is de bedoeling om dankzij deze emissieplafonds grotendeels de volgende tussentijdse milieudoelstellingen te bereiken:

  • vergeleken met de situatie in 1990 moet het areaal, waar de kritische belasting inzake verzuring wordt overschreden, met ten minste 50 % zijn teruggebracht;
  • waar de door ozon op leefniveau veroorzaakte belasting hoger is dan het gezondheids­gerelateerde kritische niveau, moet zij ten opzichte van de situatie in 1990 met twee derde worden teruggebracht. Er is ook een absolute grens vastgesteld. Tegelijkertijd mogen overschrijdingen van de richtwaarden van de Wereld­gezondheids­organisatie zich niet meer dan 20 dagen per jaar voordoen;
  • waar de door ozon op leefniveau veroorzaakte belasting hoger is dan het kritische niveau voor landbouwgewassen en halfnatuurlijke vegetatie moet deze ten opzichte van de situatie in 1990 met een derde worden teruggebracht. Er is ook een absolute grens vastgesteld.

Nationale programma’s

De lidstaten moeten vóór 1 oktober 2002 programma's uitwerken voor de geleidelijke vermindering van hun jaarlijkse emissies. Bedoelde programma's zullen zo nodig in 2006 worden herzien en geactualiseerd. De opgestelde programma's zijn beschikbaar voor het publiek en de relevante organisaties en worden aan de Commissie toegezonden.

Emissie-inventarissen

Bovendien moeten de lidstaten jaarlijks nationale emissie-inventarissen en -prognoses opstellen voor SO2, NOx, VOS en NH3. Deze inventarissen en prognoses worden jaarlijks, uiterlijk op 31 december, aan de Commissie en het Europees Milieuagentschap toegezonden.

Verslagen

De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit (in 2004, 2008 en 2012) over de voortgang bij de tenuitvoerlegging van de emissiemaxima, de tussentijdse milieudoelstellingen en de langetermijndoelstellingen van deze richtlijn. Deze verslagen moeten voor elke lidstaat een economische evaluatie omvatten over de kosteneffectiviteit, de kosten en de baten, het effect op het concurrentievermogen en de sociaaleconomische consequenties van de toepassing van de nationale emissiemaxima.

De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over de mate waarin de emissies van de internationale zeevaart en van vliegtuigen bijdragen tot verzuring, bodemeutrofiëring en ozonvorming op leefniveau in de Gemeenschap. Zij stelt een actieprogramma op dat op internationaal en communautair niveau zou kunnen worden uitgevoerd om de emissies van de betrokken sector te beperken.

Samenwerking met derde landen

De lidstaten en de Commissie werken samen met derde landen en relevante internationale organisaties met het oog op de uitwisseling van informatie en de voortgang van het onderzoek inzake de reductie van de uitstoot van SO2, NOx, VOS en NH3.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Richtlijn 2001/81/EG

27.11.2001

27.11.2002

L 309 van 27.11.2003

Wijzigingsbesluit(en)Datum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad

Verordening (EG) nr. 219/2009

20.4.2009

-

L 87 van 31.3.2009

GERELATEERDE BESLUITEN

Besluit 2003/507/EG van de Raad van 13 juni 2003 betreffende de toetreding van de Europese Gemeenschap tot het protocol inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand.
Het protocol inzake vermindering van verzuring, eutrofiëring en ozon op leefniveau heeft het terugdringen ten doel van de uitstoot, veroorzaakt door menselijke activiteit, van zwavel, NOx, NH3 en VOS die de gezondheid en het milieu schade kunnen toebrengen ten gevolge van de verzuring, eutrofiëring en de vorming van ozon op leefniveau via grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand. Het protocol is in werking getreden op 17 mei 2005.

Laatste wijziging: 03.09.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven