RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen

In deze richtlijn wordt een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen om de broeikasgasemissies te verminderen en een milieuvriendelijker vervoer te bevorderen. In deze optiek worden nationale actieplannen bepaald evenals de gebruiksmodaliteiten voor biobrandstoffen.

BESLUIT

Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (Voor de EER relevante tekst).

SAMENVATTING

Deze richtlijn beoogt de vaststelling van een gemeenschappelijk kader voor het bevorderen van de productie van energie uit hernieuwbare bronnen.

Nationale streefcijfers en maatregelen

Elke lidstaat beschikt over een streefcijfer inzake het aandeel uit hernieuwbare bronnen geproduceerde energie in het bruto-eindverbruik van energie voor 2020. Dit cijfer stemt overeen met het algemeen streefcijfer „20-20-20“ van de Gemeenschap.

Bovendien moet het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen in de transportsector tegen 2020 minstens 10 % bedragen van het eindverbruik in deze sector.

Nationale actieplannen inzake hernieuwbare energie

De lidstaten moeten een nationaal actieplan opmaken dat het aandeel energie uit hernieuwbare bronnen vastlegt dat tegen 2020 zal worden verbruikt voor vervoer, elektriciteit en verwarming. Deze actieplannen moeten rekening houden met de effecten van andere maatregelen inzake energie-efficiëntie bij het eindverbruik van energie (hoe meer het energieverbruik daalt, hoe minder energie uit hernieuwbare bronnen geproduceerd zou moeten worden om deze doelstelling te bereiken). Deze plannen moeten eveneens de modaliteiten vastleggen voor de hervorming van de plannings- en tariferingsstelsels en de toegang bepalen tot het elektriciteitsnet ter ondersteuning van energie afkomstig uit hernieuwbare bronnen.

Samenwerking tussen de lidstaten

De lidstaten mogen via statistische overdracht onderling een hoeveelheid energie afkomstig uit hernieuwbare bronnen „uitwisselen“ alsook gezamenlijke projecten opzetten op het vlak van elektriciteitsproductie en verwarming afkomstig van hernieuwbare bronnen.

Er kunnen eveneens gezamenlijke projecten opgezet worden tussen lidstaten en derde landen die aan volgende voorwaarden moeten voldoen:

  • de elektriciteit moet in de Gemeenschap worden verbruikt;
  • de elektriciteit wordt geproduceerd door een recente installatie die operationeel is geworden na juni 2009;
  • de hoeveelheid geproduceerde en uitgevoerde elektriciteit heeft geen steun gekregen uit een andere steunregeling.

Garanties van oorsprong

Elke lidstaat moet de garantie van oorsprong kunnen afgeven voor elektriciteit, verwarming en koeling geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen. De informatie omtrent deze garanties van oorsprong is genormaliseerd en moet erkend worden in alle lidstaten. Deze gegevens kunnen ook dienen als informatie voor de consumenten met betrekking tot de samenstelling van de diverse elektriciteitsbronnen.

Toegang tot en beheer van de netwerken

De lidstaten moeten passende infrastructuren voorzien in de transportsector die noodzakelijk zijn voor de productie van energie uit hernieuwbare bronnen. Daarvoor moeten ze:

  • erop toezien dat de beheerders de transmissie en distributie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen garanderen;
  • ervoor zorgen dat dit soort energie voorrang krijgt.

Biobrandstoffen en vloeibare biomassa

In de richtlijn komt energie verkregen uit biobrandstoffen en vloeibare biomassa eveneens in aanmerking. Om in overweging genomen te worden, moeten ze wel bijdragen tot een vermindering van 35 % van de broeikasgasemissies. Vanaf 1 januari 2017 moet hun aandeel in de emissiereductie tot 50 % worden opgetrokken.

Biobrandstoffen en vloeibare biomassa zijn afkomstig van grondstoffen die zowel binnen als buiten de Gemeenschap voorkomen. Biobrandstoffen en vloeibare biomassa mogen niet geproduceerd worden uit grondstoffen afkomstig uit hoogwaardige grond inzake biodiversiteit of terreinen met een belangrijke koolstofvoorraad. Om een financiële bijstand te kunnen genieten, moeten ze als „duurzaam“ aangeduid worden volgens de criteria van deze richtlijn.

Context

De richtlijn maakt deel uit van een wetgevingspakket inzake energie en klimaatverandering dat een wetgevingskader biedt aan de communautaire streefcijfers op het vlak van de broeikasgasemissiereductie. Dit kader dient ter aanmoediging van de energie-efficiëntie, het energieverbruik vanuit hernieuwbare bronnen, de verbetering van de energievoorziening en de economische stimulans van een dynamische sector waarin Europa toonaangevend is.

REFERENTIES

BesluitDatum van inwerkingtredingUiterste datum voor omzetting in de lidstatenPublicatieblad
Richtlijn 2009/28/EG

25.6.2009

5.12.2010

PB L 140 van 5.6.2009

VERWANT BESLUIT

Verslag van 25 februari 2010 van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende de duurzaamheidseisen voor het gebruik van vaste en gasvormige biomassa bij elektriciteitsproductie, verwarming en koeling [COM(2010) 11 definitief — Nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad]
Dit rapport is vergezeld van een effectenanalyse (SEC(2010)65) en een samenvatting van de effectenanalyse (SEC(2010)66 ).
Dit rapport brengt verslag uit over de vereisten voor een duurzaamheidsregeling voor het gebruik van andere biomassa dan biobrandstoffen en vloeibare biomassa voor de opwekking van energie (d.w.z. vaste en gasvormige brandstoffen gebruikt bij elektriciteitsproductie, verwarming en koeling).
Bij haar analyse van de eisen voor de uitbreiding van een duurzaamheidsregeling voor de EU heeft de Commissie drie beginselen voor ogen gehouden waaraan een Europabreed beleid inzake de duurzaamheid van biomassa moet voldoen:

  • doeltreffendheid qua oplossing van problemen inzake duurzaam biomassagebruik;
  • kostenefficiëntie bij het nastreven van de doelstellingen;
  • coherentie met het beleid dat van kracht is.

Op basis van deze analyseonderdelen besluit het rapport dat het in dit stadium niet noodzakelijk is op dit terrein een dwingend, geharmoniseerd Europees stelsel in te voeren en dat de bestaande maatregelen volstaan voor een duurzaam EU-verbruik van vaste en gasvormige biomassa voor elektriciteit, verwarming en koeling.
De Commissie doet in haar rapport wel aanbevelingen inzake duurzaamheid en spoort de lidstaten sterk aan er rekening mee te houden om een bepaalde coherentie tussen de bestaande of toekomstige nationale duurzaamheidsystemen te waarborgen. De aanbevelingen zijn, behalve enkele uitzonderingen, voornamelijk gebaseerd op het duurzaamheidsstelsel opgenomen in Richtlijn 2009/28/EG inzake biobrandstoffen en vloeibare biomassa.
De Commissie stelt in haar rapport dat de conclusies van de uitgevoerde analyse aan bod moeten komen in verslaggeving en monitoring. Daarom zal de Commissie uiterlijk op 31 december 2011 een nieuw rapport publiceren. Ze zal daarin nagaan of de nationale regelingen het duurzaamheidsaspect bij het gebruik van biomassa van binnen of buiten de EU op afdoende en geschikte wijze hebben geïntegreerd en of deze regelingen al dan niet hebben geleid tot belemmeringen voor de handel en voor de ontwikkeling van de bio-energiesector. Zij zal zich beraden over de gegrondheid van aanvullende maatregelen, zoals gemeenschappelijke duurzaamheidscriteria op EU-niveau.

Laatste wijziging: 09.07.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven