RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Europees Energiehandvest

Dankzij het Verdrag inzake Energiehandvest wordt een internationaal kader voor samenwerking tussen de Europese landen en andere industrielanden in het leven geroepen met als doel met name het energiepotentieel van de Centraal- en Oost-Europese landen te ontwikkelen en de energiebevoorrading van de Europese Unie veilig te stellen. Het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten heeft ten doel beleid inzake energie-efficiëntie dat compatibel is met duurzame ontwikkeling te bevorderen, aan te sporen tot een efficiënter en evenwichtiger energiegebruik en aan te moedigen tot samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie.

BESLUIT

Besluit 98/181/EG, EGKS, Euratom: Besluit van de Raad en de Commissie van 23 september 1997 betreffende sluiting door de Europese Gemeenschappen van het Verdrag inzake het Energiehandvest en het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten.

SAMENVATTING

Context

Tijdens de Raad van Dublin (juni 1990) had de Nederlandse eerste minister voorgesteld in de energiesector samenwerking tot stand te brengen met de landen van Oost-Europa en de voormalige Sovjet-Unie met het doel bij te dragen tot de economische heropleving van deze landen en de verbetering van de continuïteit van de energievoorziening van de Gemeenschap. Uitgenodigd door de Raad om te zoeken naar de beste mogelijkheid om deze samenwerking te bewerkstelligen heeft de Commissie in 1991 de idee van een Europees Energiehandvest voorgesteld. De onderhandelingen over dit Handvest werden in Brussel in juli 1991 aangevat en werden voltooid met de ondertekening van het slotdocument op 17 december 1991 in Den Haag.

De 51 partijen die het Europees Energiehandvest hebben ondertekend, hebben zich ertoe verbonden de doelstellingen van het Handvest na te streven en de beginselen ervan toe te passen alsook de samenwerking vast te leggen in een juridisch bindend kader. Dat laatste is het Verdrag inzake het Energiehandvest geworden dat ten doel heeft de industriële samenwerking tussen oost en west te bevorderen meer bepaald door juridische waarborgen te verlenen op het gebied van investeringen, doorvoer en handel. Het Verdrag inzake het Energiehandvest en het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten zijn op 17 december 1994 in Lissabon door alle partijen bij het Handvest van 1991, met uitzondering van de Verenigde Staten en Canada, ondertekend. De Europese Gemeenschappen en hun lidstaten hebben het Verdrag en het Protocol ondertekend.

Het Verdrag inzake het Energiehandvest en het protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten zijn krachtens bovengenoemd besluit goedgekeurd namens de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal (EGKS), de Europese Gemeenschap (EG) en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (Euratom).

In het besluit wordt aangegeven volgens welke procedure de Europese Gemeenschap haar standpunt moet innemen binnen de Conferentie over het Energiehandvest. Er wordt eveneens aangegeven op welke wijze het namens de EGKS en Euratom in te nemen standpunt wordt vastgesteld.

Verdrag over het Energiehandvest

Het Verdrag heeft ten doel een juridisch kader te bieden voor de bevordering van de samenwerking op lange termijn in de energiesector, overeenkomstig de doelstellingen en beginselen van het Europees Energiehandvest.

De belangrijkste bepalingen van het Verdrag hebben betrekking op de bescherming van de investeringen, de handel in grondstoffen en energieproducten, de doorvoer en de regeling van geschillen.

In verband met de uitgevoerde investeringen moeten de verdragsluitende partijen buitenlandse investeringen bevorderen en daarvoor stabiele, gunstige en transparante voorwaarden scheppen. Zij passen daarbij het beginsel van de meest begunstigde natie toe, dan wel de voorwaarden die gelden voor hun eigen investeerders, naargelang welke behandeling het gunstigste is. Voor pre-investeringen wordt het beginsel van de "nationale behandeling" echter in twee fasen toegepast. Overeenkomstig het Verdrag wordt voor de toepassing van dit beginsel in een eerste fase uitgegaan van een "maximale inspanning". In een tweede fase, en onder voorbehoud van de voorwaarden die zullen worden opgenomen in het aanvullend verdrag waarover nu wordt onderhandeld, zal bij de uitvoering van de investeringen op juridisch bindende wijze het beginsel van de nationale behandeling gelden.

De handel in energiegrondstoffen en -producten tussen de verdragsluitende partijen valt onder de voorschriften van de GATT. Dit houdt in dat de verdragsluitende partijen verplicht zijn om op de handel in energiegrondstoffen en -producten de regels van de GATT toe te passen, zelfs wanneer zij geen partij zijn bij de GATT, respectievelijk de WHO.

Doorvoer: elke verdragsluitende partij neemt de nodige maatregelen ter vergemakkelijking van de doorvoer van energiegrondstoffen en -producten overeenkomstig het beginsel van de vrije doorvoer en zonder onderscheid te maken naar oorsprong, bestemming of eigendom van die energiegrondstoffen en -producten, zonder prijsdiscriminatie op grond van een dergelijk onderscheid en zonder onredelijke vertragingen, beperkingen of heffingen op te leggen.

Wat energiegrondstoffen en -producten in doorvoer betreft, verbindt elke verdragsluitende partij zich ertoe ervoor te zorgen dat haar bepalingen inzake het vervoer van energiegrondstoffen en -producten en het gebruik van energietransportvoorzieningen niet ongunstiger zijn dan voor dergelijke grondstoffen en producten afkomstig van of bestemd voor haar eigen grondgebied, tenzij dat in een bestaande internationale overeenkomst anders is bepaald.

Ingeval van een geschil in verband met de voorwaarden voor de doorvoer van energiegrondstoffen en -producten, is het verboden de bestaande stroom van deze grondstoffen en producten te onderbreken vóór de afsluiting van de voor dergelijke gevallen bedoelde procedures voor het beslechten van geschillen.

Krachtens andere bepalingen van het Verdrag mogen de landen waarlangs energiegrondstoffen en -producten worden doorgevoerd, zich niet verzetten tegen het scheppen van nieuwe capaciteit.

Het Verdrag voorziet in strikte procedures voor de regeling van geschillen tussen de verdragsluitende partijen enerzijds, en tussen particuliere investeerders en de staten waar hun investeringen hebben plaatsgevonden, anderzijds. In geval van een geschil tussen een investeerder en een staat kan de investeerder verzoeken het geschil voor te leggen aan internationale arbitrage. Bij geschillen tussen verdragsluitende partijen kan een scheidsgerecht ad hoc worden opgericht wanneer een regeling langs diplomatieke weg niet mogelijk is gebleken. De uit deze geschillenregelingsmechanismen voortvloeiende uitspraken zijn bindend.

Wat de mededinging, de transparantie, de soevereiniteit, de belastingen en het milieu betreft, voorziet het Verdrag in de hierna beschreven maatregelen.

Mededinging: elke partij streeft naar een vermindering van de marktverstoringen en belemmeringen van de mededinging bij economische activiteiten in de energiesector. Zij zorgt ervoor dat zij de nodige wetten tot stand brengt om unilaterale en overeengekomen gedragingen ter beperking van de mededinging bij economische activiteiten in de energiesector te kunnen bestrijden.

Transparantie: elke verdragsluitende partij wijst een of meer informatiebureaus aan waartoe men zich kan wenden met verzoeken om informatie over wetten, voorschriften, rechterlijke besluiten en bestuursrechtelijke beslissingen met betrekking tot de handel in energiegrondstoffen en -producten.

Soevereiniteit: elke verdragsluitende partij beschikt over soevereiniteit over haar energiebronnen, dit in overeenstemming met en inachtneming van de regels van het internationaal recht. Zij behoudt het recht vast te stellen welke geografische gebieden binnen haar grondgebied voor exploratie en ontwikkeling mogen worden gebruikt.

Milieu: het beginsel dat "de vervuiler betaalt" is opgenomen in het Verdrag en de verdragsluitende partijen bevorderen een prijsvorming die marktgericht is en waarin de milieukosten en -voordelen volledig weerspiegeld worden. Elke verdragsluitende partij tracht op economisch verantwoorde wijze schadelijke milieueffecten, die zich voordoen zowel binnen als buiten haar grondgebied en die worden veroorzaakt door werkzaamheden binnen de energiecyclus op haar grondgebied, zo gering mogelijk te houden. De verdragsluitende partijen waken daarbij over de toepassing van de veiligheidsnormen.

Belastingen: Het Verdrag schept geen nieuwe belastingsrechten of -verplichtingen. De directe belastingen blijven vallen onder het toepassingsgebied van de nationale wetgeving van elk land of de relevante bilaterale verdragen.

Overheidsbedrijven en ondernemingen met een bevoorrechte status: overheidsbedrijven of lichamen waaraan een verdragsluitende partij uitsluitende of bijzondere voorrechten heeft verleend, moeten voldoen aan de verplichtingen van de verdragsluitende partij uit hoofde van het Verdrag.

Het Verdrag omvat een clausule ter bescherming van preferentiële behandelingen die voortvloeien uit de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen. Krachtens de bepaling betreffende de Overeenkomsten tot economische integratie (OEI) heeft een verdragsluitende partij die lid is bij een OEI derhalve geen enkele verplichting om een uit hoofde van het lidmaatschap van die OEI geldende preferentiële behandeling uit te breiden tot een andere verdragsluitende partijen die geen lid is van bedoelde OEI.

Na de bekrachtiging en inwerkingtreding van het Verdrag zijn niet alle bepalingen van het Verdrag onmiddellijk van toepassing voor alle verdragsluitende partijen. Voor de landen met een economie in overgang gelden een aantal overgangsregelingen.

In het Verdrag worden de organisatie, structuur, taken en financieringsbeginselen van de Conferentie over het Energiehandvest nader omschreven.

Mits naleving van een bepaalde termijn (vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van het Verdrag) kan elke verdragsluitende partij het Verdrag te allen tijde opzeggen.

Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten.

Dit protocol is aangenomen overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag, waarin uitdrukkelijk de mogelijkheid is opgenomen om te onderhandelen over protocollen en verklaringen met het oog op het behalen van de doelstellingen en het toepassen van de beginselen van het Handvest.

De doelstellingen van het protocol zijn:

  • de bevordering van een beleid voor energie-efficiëntie dat verenigbaar is met duurzame ontwikkeling;
  • het scheppen van de randvoorwaarden die producenten en consumenten ertoe aanzetten energie zo zuinig, efficiënt en milieuvriendelijk mogelijk te gebruiken;
  • de aanmoediging van samenwerking op het gebied van energie-efficiëntie.

De verdragsluitende partijen verbinden zich ertoe een beleid te formuleren ter bevordering van de energie-efficiëntie en een passend wettelijk en regelgevend kader tot stand te brengen voor de bevordering van, onder meer, een efficiënte werking van het marktmechanisme, met inbegrip van een op de markt gerichte prijsvorming.

Zowel het Verdrag inzake het Energiehandvest als het Protocol bij het Energiehandvest betreffende energie-efficiëntie en daarmee samenhangende milieuaspecten zijn op 16 april 1998 in werking getreden.

REFERENTIES

BesluitInwerkingtreding - vervaldatumUiterste datum voor omzetting in nationaal rechtPublicatieblad
Besluit 98/181/EG, EGKS en Euratom23.9.1997-L 69 van 9.3.1998

GERELATEERDE BESLUITEN

Besluit 2001/595/EG van de Raad van 13 juli 2001 inzake de sluiting door de Europese Gemeenschap van de wijziging van de met de handel verband houdende bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest [Publicatieblad L 209 van 2.8.2001].
Bij dit besluit keurt de Europese Gemeenschap de wijziging goed van de met de handel verband houdende bepalingen van het Verdrag inzake het Energiehandvest die in juli 1998 voorlopig was goedgekeurd. De wijziging heeft betrekking op de opneming bij verwijzing in het Verdrag inzake het Energiehandvest van de toepasselijke WTO-bepalingen in plaats van de bepalingen van de GATT 1947 en op de opneming in de met de handel verband houdende bepalingen van een lijst van uitrusting op energiegebied.

Conferentie over het Energiehandvest - Regels voor de beslechting van geschillen over doorvoer [Publicatieblad L 11 van 16.1.1999].

Laatste wijziging: 30.01.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven