RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Rijtijd in de sector van het wegvervoer

De verordening neemt nieuwe en eenvoudigere bepalingen aan in verband met rijtijden voor bestuurders van vrachtwagens en bussen. Ze legt de verantwoordelijkheden van vervoersondernemingen en bestuurders vast, evenals mogelijke uitzonderingen. Ze bevat bepalingen over de controle en evaluatie van de verordening en over sancties bij inbreuken.

BESLUIT

Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2006 tot harmonisatie van bepaalde voorschriften van sociale aard voor het wegvervoer, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 3821/85 en (EG) nr. 2135/98 en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 3820/85 van de Raad.

SAMENVATTING

Deze verordening is van toepassing op het wegvervoer van goederen door voertuigen met een toegestane maximummassa van meer dan 3,5 ton en op het wegvervoer van passagiers door voertuigen die zijn toegerust om meer dan negen personen te vervoeren.

Sommige voertuigen die tot deze categorieën behoren, zijn echter vrijgesteld van de verordening, nl.:

  • voertuigen die gebruikt worden voor geregelde diensten van personenvervoer over een traject van niet meer dan 50 km (deze voertuigen hoeven niet voorzien te worden van een tachograaf *, maar deze Verordening voorziet wel een controle op basis van de dienstregelingen en dienstroosters);
  • voertuigen waarvan de toegestane maximumsnelheid niet meer dan 40 km per uur bedraagt;
  • voertuigen van de strijdkrachten, de civiele bescherming, de brandweer en de korpsen voor de handhaving van de openbare orde;
  • voertuigen gebruikt voor humanitaire hulp, noodsituaties of reddingsoperaties;
  • voertuigen die speciaal zijn uitgerust voor reparaties en wegslepen, binnen een straal van 100 km rond hun standplaats;
  • voertuigen die op de weg worden beproefd met het oog op de technische ontwikkeling;
  • voertuigen van niet meer dan 7,5 ton voor niet-commercieel goederenvervoer;
  • voertuigen die een historisch statuut hebben en die voor niet-commerciële doeleinden worden gebruikt.

Lidstaten mogen ook andere uitzonderingen toestaan voor hun eigen grondgebied en deze uitzonderingen laten afhangen van bijzondere voorwaarden. Deze gelden voor voertuigen:

  • van de overheid op voorwaarde dat ze de particuliere vervoersondernemingen niet beconcurreren;
  • gebruikt door landbouw-, tuinbouw-, bosbouw-, veeteelt- of visserijbedrijven binnen een straal van 100 km;
  • met een toegestane maximummassa van ten hoogste 7,5 ton, die binnen een straal van 50 km worden gebruikt door leveranciers van de universele dienst of voor het dragen van materiaal dat de bestuurder gebruikt in het kader van zijn hoofdactiviteit;
  • van niet meer dan 7,5 ton die worden aangedreven met gas of elektriciteit binnen een straal van 50 km;
  • voertuigen die rijden op kleine eilanden die niet verbonden zijn met het nationale grondgebied;
  • die worden gebruikt voor autorijlessen en -examens;
  • die worden gebruikt in verband met diensten van algemeen belang, radio- en televisie-uitzendingen, onderhoud van de wegen en bepaalde controles;
  • voor niet-commercieel vervoer van 10 tot 17 personen;
  • voor het gespecialiseerde vervoer van circus- of kermismateriaal;
  • voor mobiele projecten die als educatieve inrichting zijn bedoeld;
  • voor het ophalen van melk en het terugbrengen van voor veevoeding bestemde melk;
  • die speciaal voor geld- en/of waardetransporten zijn uitgerust;
  • voor het vervoer van niet voor menselijke consumptie bestemd dierlijk slachtafval;
  • die uitsluitend gebruikt worden in havens of spoorwegterminals;
  • die voor het vervoer van dieren naar boerderijen, markten en slachthuizen gebruikt worden binnen een straal van 50 km.

Bestuurders en bijrijders moeten minstens 18 jaar oud zijn, behalve in bepaalde omstandigheden voor bijrijders in opleiding voor wie een minimumleeftijd van 16 jaar geldt.

Toepassingsgebied

De verordening is van toepassing op al het grensoverschrijdende en internationale vervoer dat uitsluitend plaatsvindt binnen het grondgebied van de EU of tussen de EU, Zwitserland en de landen die partij zijn bij de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (EER).

De EU is een ondertekenaar van de Europese overeenkomst nopens de arbeidsvoorwaarden voor de bemanningen van motorrijtuigen in het internationale vervoer over de weg (AETR) die in 1970 in het kader van de Internationale Arbeidsorganisatie werd gesloten. Het toepassingsgebied van deze overeenkomst is groter dan dat van de huidige verordening. Ze geldt ook voor voertuigen die zijn ingeschreven in derde landen die geen overeenkomstsluitende partij zijn bij de AETR, wanneer ze door het door de overeenkomst gedekte gebied rijden.

Rijtijd

De rijtijd is onderworpen aan een aantal regels, nl.:

  • de dagelijkse rijtijd * mag niet meer bedragen dan negen uur. Twee keer per week mag dit verlengd worden tot tien uur;
  • de wekelijkse rijtijd * mag niet meer bedragen dan 56 uur;
  • de totale rijtijd gedurende eender welke twee opeenvolgende weken mag niet meer bedragen dan 90 uur;
  • de bestuurder registreert als „andere werkzaamheden” op de tachograaf alle werktijd die hij niet rijdend doorbrengt, evenals alle tijd die hij heeft besteed aan het besturen van een voertuig dat buiten de werkingssfeer van deze Verordening valt en de reistijd op een veerboot of trein gedurende dewelke hij niet kan beschikken over een bed of slaapbank;
  • na een rijperiode van vier en een half uur neemt de bestuurder een aaneengesloten onderbreking * van ten minste 45 minuten of van 15 minuten gevolgd door een onderbreking van ten minste 30 minuten over dezelfde periode;
  • een verplichte wekelijkse rusttijd van ten minste 45 uur (normale wekelijkse rustperiode) of 24 uur (verkorte wekelijkse rusttijd);
  • indien, over een periode van twee opeenvolgende weken, een bestuurder maar één verkorte wekelijkse rusttijd kan nemen, moet de verkorting gecompenseerd worden door een equivalente periode van rust die voor het einde van de derde week na de betrokken week en bloc genomen moet worden;
  • tussen twee wekelijkse rusttijden * mag een bestuurder ten hoogste drie keer een verkorte dagelijkse rusttijd nemen *;
  • wanneer een bestuurder dit zo verkiest, mogen dagelijkse rusttijden en verkorte wekelijkse rusttijden in een voertuig worden doorgebracht. Op voorwaarde dat het voertuig stilstaat en over behoorlijke slaapfaciliteiten beschikt;
  • wanneer een bestuurder een rustperiode neemt, wanneer het voertuig per veerboot of trein wordt vervoerd, mag die rusttijd hooguit tweemaal worden onderbroken voor niet langer dan één uur in totaal. De bestuurder moet ook kunnen beschikken over een bed of slaapbank.

Aansprakelijkheid

Vervoersondernemingen of andere organisaties die dezelfde dienst aanbieden, moeten ervoor zorgen dat hun bestuurders Verordening (EEG) nr. 3821/85 over de tachograaf kunnen naleven:

  • ze mogen geen bonussen toekennen in functie van de afgelegde afstand of de hoeveelheid vervoerde goederen, ingeval dergelijke betalingen van dien aard zijn dat ze de verkeersveiligheid in gevaar brengen;
  • ze moeten ervoor zorgen dat de vervoerstijdplanning aan deze Verordening voldoet en dat de gegevens van digitale tachografen op het juiste moment gedownload en gedurende minstens 12 maanden bewaard worden.

Vervoersondernemingen zijn aansprakelijk voor de inbreuken die de bestuurders van de onderneming begaan. Behalve in gevallen waarin ze redelijkerwijs niet aansprakelijk kan worden gesteld voor de begane inbreuk, bv. wanneer een bestuurder die voor meer dan één vervoersonderneming werkt, haar onvoldoende informatie heeft verstrekt om aan deze Verordening te kunnen voldoen.

Uitzonderingen

Een lidstaat kan:

  • na goedkeuring door de Commissie, uitzonderingen toestaan voor bepaalde vervoersoperaties in, van of naar gebieden van zijn grondgebied met een bevolkingsdichtheid van minder dan vijf inwoners per vierkante kilometer;
  • een uitzondering toestaan voor een periode van ten hoogste 30 dagen in dringende gevallen en voor vervoersoperaties die uitsluitend op zijn grondgebied worden verricht;
  • na goedkeuring door de Commissie, een vrijstelling toekennen in bijzondere omstandigheden voor vervoersoperaties die uitsluitend op zijn grondgebied worden verricht.

De bestuurder mag van de verordening afwijken teneinde een geschikte stopplaats te kunnen bereiken. Hij dient echter de reden voor deze rit manueel op het registratieblad of op een afdruk van de digitale tachograaf aan te geven. Verder kan een bestuurder die een internationale passagiersvervoersdienst verricht, onder bepaalde omstandigheden, zijn wekelijkse rusttijd van 12 opeenvolgende dagen naar een later tijdstip verschuiven vanaf de vorige gewone rusttijd.

Controleprocedures en sancties

De lidstaten zullen sancties bepalen om de naleving van de Verordening op hun grondgebied te verzekeren. Ze kunnen:

  • vervoersondernemingen die inbreuken hebben begaan, financiële sancties opleggen;
  • een voertuig stilleggen, als de begane inbreuk van dien aard is dat de verkeersveiligheid erdoor in het gedrang gebracht kan worden;
  • de bestuurder verplichten om een dagelijkse rusttijd te nemen;
  • de vergunning van een onderneming of het rijbewijs van een bestuurder intrekken, schorsen of beperken.

Om te vermijden dat een bestuurder twee keer voor dezelfde inbreuk wordt gesanctioneerd, moeten de lidstaten de bestuurder een schriftelijk bewijs van de sanctie bezorgen, dat de bestuurder moet bewaren en op verzoek moet kunnen voorleggen. Daarnaast zullen de lidstaten trachten om op de hoogte te blijven van inbreuken die door niet-ingezetenen werden begaan en sancties die hun ingezetenen opgelegd kregen voor inbreuken die ze in andere lidstaten begingen.

Context

De verordening wil de verkeersveiligheid en werkomstandigheden verbeteren in de sector van het wegvervoer, een sector die aan concurrentiedruk onderhevig is. Hiertoe voorziet de verordening eenvoudigere en doeltreffendere bepalingen ter vervanging van de bepalingen van voormalige Verordening (EEG) nr. 3820/85.

Belangrijkste begrippen
  • Tachograaf: de uitrusting die de rijtijd registreert.
  • Dagelijkse rijtijd: de totale bij elkaar opgetelde rijtijd tussen twee dagelijkse rusttijden of tussen een dagelijkse en een wekelijkse rusttijd.
  • Wekelijkse rijtijd: de totale bij elkaar opgetelde rijtijd tussen 00.00 op maandag en 24.00 op zondag.
  • Onderbreking: periode gedurende dewelke een bestuurder kan recupereren. Tijdens deze periode mag hij niet rijden, noch andere werkzaamheden verrichten.
  • Rust: iedere ononderbroken periode waarin een bestuurder vrijelijk over zijn tijd kan beschikken.
  • Dagelijkse rusttijd: verplichte rustperiode gedurende elke periode van 24 uur (30 uur bij meervoudige bemanning), die minstens 11 uur (normale dagelijkse rusttijd) of 9 uur (verkorte dagelijkse rusttijd) lang moet zijn.
  • Wekelijkse rusttijd: verplichte rusttijd die uiterlijk aan het einde van zes periodes van 24 uur vanaf het einde van de vorige wekelijkse rusttijd moet beginnen en ten minste 45 uur (normale wekelijkse rusttijd) of 24 uur (verkorte wekelijkse rusttijd) moet duren.

REFERENTIES

Besluit Inwerkingtreding Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten Publicatieblad
Verordening (EG) nr. 561/2006

11.4.2007, met uitzondering van artikel 10, lid 5, artikel 26, lid 3 en lid 4, and artikel 27, die in werking treden op 1.5.2006

PB L 102 van 11.4.2006

Wijzigingsbesluit(en) Inwerkingtreding Uiterste datum voor omzetting in de lidstaten Publicatieblad
Verordening (EG) nr. 1073/2009

4.12.2009, met uitzondering van een gedeeltelijke toepassing, zie artikel 31

PB L 300 van 14.11.2009

GERELATEERDE BESLUITEN

Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer [Publicatieblad L 370 van 31.12.1985].

Laatste wijziging: 27.10.2010
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven