RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 23 talen
Nieuwe beschikbare talen:  BG - CS - ET - GA - LV - LT - HU - MT - PL - RO - SK - SL

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep

De richtlijn stelt een algemeen kader in voor de naleving van het beginsel van gelijke behandeling van personen in de Europese Unie, ongeacht ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid, in verband met de toegang tot werkgelegenheid of beroep, de promotiekansen, de beroepsopleiding, de arbeidsvoorwaarden en -omstandigheden en het lidmaatschap van bepaalde organen.

BESLUIT

Richtlijn 2000/78/EG van 27 november 2000 tot instelling van een algemeen kader voor gelijke behandeling in werkgelegenheid en beroep.

SAMENVATTING

De bestrijding van discriminatie is een grote uitdaging voor de Europese Unie. De Unie is immers gegrondvest op de beginselen van vrijheid, democratie, eerbiediging van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, en van de rechtsstaat. De EU dient dus alle passende maatregelen te nemen om alle vormen van discriminatie te bestrijden, meer in het bijzonder als zij de werkgelegenheid en de arbeidsmarkt betreffen.

Werkgelegenheid en beroep zijn van doorslaggevend belang voor het waarborgen van gelijke kansen voor iedereen en zij leveren een belangrijke bijdrage tot de volledige deelneming van burgers aan het economische, sociale en culturele leven. Er worden evenwel talrijke discriminaties aangetroffen op het gebied van werkgelegenheid en arbeidsmarkt.

Artikel 13 van het EG-verdrag dat ingevoerd werd door het Verdrag van Amsterdam, kent de Gemeenschap specifieke bevoegdheden toe op het gebied van de bestrijding van discriminaties op grond van geslacht, ras of etnische afstamming, godsdienst of overtuiging, handicap, leeftijd of seksuele geaardheid.

De lidstaten verbieden discriminatie op het gebied van werkgelegenheid en beroep. Er zijn evenwel grote variaties in de reikwijdte van dit verbod, van de inhoud en van de afdwingbaarheid ervan. In deze richtlijn wordt gestreefd naar het vastleggen van een algemeen minimumkader.

Werkingssfeer

Het voorstel heeft betrekking op de volgende gebieden:

  • de toegang tot arbeid in loondienst of als zelfstandige, ook in verband met de promotiekansen;
  • de beroepsopleiding;
  • werkgelegenheid en arbeidsvoorwaarden (ook inzake salariëring en ontslag);
  • lidmaatschap van en betrokkenheid bij organisaties van werkgevers of werknemers of andere beroepsorganisaties.

Het zal worden toegepast in de overheidssector zowel als in de particuliere sector en voor betaalde zowel als voor onbetaalde arbeid.

Het begrip discriminatie

De richtlijn is bedoeld voor de bestrijding van zowel de directe discriminatie (verschil in behandeling op grond van een specifiek kenmerk) als van de indirecte discriminatie (wanneer een ogenschijnlijk neutrale bepaling, criterium of praktijk een schadelijke weerslag heeft op bepaalde personen, of aanzetting tot discriminatie). Intimidatie die een vijandige werkomgeving creëert, is ook een vorm van discriminatie. Er moeten redelijke maatregelen worden genomen om de gelijke behandeling van gehandicapten te waarborgen, voor zover dit geen onbillijke gevolgen heeft.

Gevallen waarin een ongelijke behandeling toegelaten is

  • als wezenlijke beroepskwalificaties zijn vereist.

In sommige gevallen is een verschil in behandeling gerechtvaardigd door de aard van het werk of wegens de context waarbinnen de functie wordt uitgeoefend.

  • Verschillen in behandeling op grond van de leeftijd

Dergelijke verschillen in behandeling zijn toegelaten op voorwaarde dat zij objectief gerechtvaardigd zijn, en dat zij gepast en nodig zijn voor het bereiken van een legitiem doel op de arbeidsmarkt (bescherming van jongeren en van oudere werknemers, vereisten in verband met de duur van de beroepservaring, enz).

  • Positieve acties

De lidstaten hebben het recht maatregelen te handhaven of vast te stellen die bedoeld zijn om bestaande ongelijkheden te voorkomen of om deze te compenseren (maatregelen voor de beroepsintegratie van jongeren, de overgang van werk naar pensioen, enz.).

Minimumvereisten

Het voorstel bevat een bepaling inzake de "vrijwaring van het beschermingsniveau", bedoeld voor de lidstaten die in hun wetgeving een hoger beschermingsniveau voorzien dan het niveau dat door de richtlijn wordt gegarandeerd.

Rechtsmiddelen en rechtshandhaving

Ondanks de bevestiging van het principe van de gelijke behandeling van mannen en vrouwen in het communautair recht, is de toepassing daarvan in de praktijk uitermate moeilijk gebleken. Om die reden bevat het voorstel een reeks mechanismen om de doeltreffendheid van de maatregelen tegen discriminatie te waarborgen.

Deze mechanismen berusten op:

  • een betere verdediging van de rechten door een betere toegang tot juridische procedures of tot bemiddelingsprocedures (zowel individueel als door verenigingen die ten behoeve van een slachtoffer optreden);
  • omkeren van de bewijslast : indien er feiten worden vastgesteld die discriminatie doen vermoeden, wordt de bewijslast bij de verweerder gelegd, overeenkomstig richtlijn 97/80 en de jurisprudentie van het Hof van Justitie in het geval van discriminatie op grond van geslacht;
  • de bescherming van de slachtoffers van discriminatie tegen vergelding, en met name tegen ontslag;
  • een doeltreffende verspreiding van informatie in verband met de bepalingen van de richtlijn (zodra die is aangenomen) bij de instellingen voor beroepsopleiding en onderwijs, en op de werkplek.

De rol van de sociale partners bij de bestrijding van discriminatie is van groot belang. De lidstaten dienen dus passende maatregelen te nemen om de dialoog tussen de sociale partners aan te moedigen in het belang van de gelijke behandeling : onder meer door toe te zien op de werkplekpraktijk, door gedragscodes, door het uitwisselen van ervaringen en van een modelaanpak enz.

Alle nationale bepalingen die discriminatoir zijn, moeten worden afgeschaft of nietig verklaard. De lidstaten stellen sancties vast op overtredingen van het principe van gelijke behandeling.

De lidstaten dienen de Commissie binnen twee jaar na het van kracht worden van de richtlijn, en vervolgens elke vijf jaar, kennis te geven van alle inlichtingen die nodig zijn voor het opstellen van een verslag over de toepassing van de richtlijn ten behoeve van het Europees Parlement en de Raad.

Het voorstel voor een richtlijn bevat een beoordelingsformulier over de gevolgen van het voorstel voor de ondernemingen, in het bijzonder het midden en kleinbedrijf (MKB of KMO).

Context

Dit voorstel voor een richtlijn maakt deel uit van een pakket maatregelen ter bestrijding van discriminaties. Naast dit voorstel is er ook nog een mededeling van de Commissie waarin het algemeen kader voor de acties wordt voorgesteld, een richtlijn betreffende de gelijke behandeling zonder onderscheid van ras of etnische afstamming (), en een actieprogramma ter bestrijding van discriminatie voor de periode 2001-2006.

Discriminatie op basis van geslacht wordt in deze richtlijn niet behandeld, omdat dit beginsel al aan bod komt in de communautaire wetgeving (met name in richtlijn 76/207/EEG over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het arbeidsproces, de beroepsopleiding en de promotiekansen ( (ES) (DE) (EN) (FR))en ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, en de richtlijn 86/613/EEG over de gelijke behandeling van zelfstandig werkzame mannen en vrouwen ( (ES) (DE) (EN) (FR)), de landbouwsector inbegrepen).

REFERENTIES

Besluit Inwerkingtreding Uiterste datum voor omzetting in nationaal recht Publicatieblad
Richtlijn 2000/78/EG

2.12.2000

2.12.2003

L 303 van 2.12.2000

Laatste wijziging: 11.04.2007
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven