RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Doelmatigheid en rechtvaardigheid in de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels

De Commissie laat de lidstaten op basis van nationale ervaringen en onderzoek zien hoe ze voor op doelmatigheid * en rechtvaardigheid * gebaseerde onderwijs- en opleidingsstelsels van hoge kwaliteit kunnen zorgen. Als deze beginselen in alle niveaus van de onderwijs- en opleidingsstelsels worden opgenomen, zou iedereen en met name achterstandsgroepen toegang tot onderwijs en opleiding moeten krijgen. Toepassing van deze beginselen draagt niet alleen bij tot de concurrentiekracht en de sociale samenhang, maar kan ook op de lange termijn de kosten verminderen die het gevolg zijn van onderwijs- en opleidingsachterstanden en helpen de uitdagingen zowel binnen als buiten de EU het hoofd te bieden.

BESLUIT

Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 8 september 2006, "Doelmatigheid en rechtvaardigheid in de Europese onderwijs- en opleidingsstelsels" [COM(2006) 481 def. - Niet in het Publicatieblad verschenen].

SAMENVATTING

De lidstaten moeten de beginselen doelmatigheid en rechtvaardigheid bij hervormingen van hun onderwijs- en opleidingsstelsels steviger verankeren in het onderwijs- en opleidingsbeleid. Deze mededeling is gebaseerd op de ervaringen van een aantal lidstaten en onderzoek, waaruit blijkt dat doelmatigheid en rechtvaardigheid een gunstig effect kunnen hebben op het onderwijs- en opleidingsbeleid.

Het is nog veel te vaak het geval dat onderwijs- en opleidingsstelsels bestaande ongelijkheid reproduceren of zelfs nog vergroten, waarvan vooral mensen met lage kwalificaties (32 % in 2004) het slachtoffer zijn. Uit de trajecten die zij doorlopen blijkt dat zij niet dezelfde kansen op onderwijs en opleiding hebben als mensen die een volledige opleiding volgen, bijvoorbeeld in het hoger onderwijs.

De ongelijkheid in onderwijs en opleiding brengt ook kosten met zich mee door gederfde inkomstenbelasting en de kosten van gezondheidszorg en sociale bijstand en van meer (jeugd-)criminaliteit (studies uit de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk). Onderwijs- en opleidingsbeleid gebaseerd op doelmatigheid en rechtvaardigheid biedt de mogelijkheid het rendement op de lange termijn te maximaliseren, de economische en maatschappelijke kosten te verminderen en een toegevoegde waarde te bieden voor andere beleidsterreinen, zoals duurzame ontwikkeling en sociale samenhang. Dergelijke initiatieven kosten uiteraard veel, maar de kosten van het uitblijven van maatregelen en het hoge aantal voortijdige schoolverlaters liggen aanmerkelijk hoger.

Als alle EU-burgers verzekerd zijn van onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit, kan de EU ook de sociaaleconomische uitdagingen het hoofd bieden, namelijk globalisering en nieuwe en sterk concurrerende industrielanden, demografische ontwikkelingen (vergrijzing en migratiestromen), een snel veranderende arbeidsmarkt, en een revolutie van informatie- en communicatietechnologieën (ICT).

Strategieën voor een leven lang leren

Doelmatigheid en rechtvaardigheid moeten in de planning van de strategieën voor een leven lang leren worden opgenomen (DE) (EN) (FR) (de nationale strategieën voor een leven lang leren die de lidstaten voor eind 2006 moeten vaststellen). De impact wordt net als de effecten van de investeringen in onderwijs en opleiding pas op lange termijn zichtbaar. In deze strategieën moet het accent liggen op:

  • langetermijnplanningen op lokaal en landelijk niveau bij beslissingen over uitgavenprioriteiten;
  • de validering van alle mogelijke leerresultaten, met inbegrip van niet-formeel en informeel leren, waarbij essentiële kennis en vaardigheden worden verworven. Deze validering verloopt vlotter met behulp van nationale en Europese certificeringskaders;
  • een evaluatiecultuur die het mogelijk maakt betrouwbare cijfers te verkrijgen op grond van wetenschappelijk onderzoek, statistieken of monitoringmechanismen, om de doelmatigheid van het beleid te verbeteren;
  • sectoroverschrijdende beleidsmaatregelen. De vermindering van ongelijkheid wordt niet alleen bereikt door middel van onderwijsbeleid maar ook ander beleid, bijvoorbeeld op het gebied van werkgelegenheid, economische zaken, sociale integratie, jongeren en gezondheidszorg.

Onderwijs- en opleidingsbeleid

Voorschools onderwijs is essentieel voor het leren op latere leeftijd, zowel wat prestaties als socialisatie betreft. Het voorkomt schooluitval en leidt tot meer rechtvaardigheid in termen van onderwijsresultaten en algemene vaardigheidsniveaus maar ook tot een kostenbesparing op andere gebieden (werkloosheid, criminaliteit, enz.).

Daarom moet het voorschools onderwijs, naar het voorbeeld van een aantal lidstaten waaronder België en Italië, voorzien in vroegtijdige interventieprogramma's om kinderen uit achterstandsgroepen te ondersteunen. Om de doeltreffendheid te consolideren, moeten deze programma's worden ondersteund met andere maatregelen, bijvoorbeeld op het gebied van taalverwerving en maatschappelijk functioneren.

Deze programma's moeten gericht zijn op jonge kinderen en rekening houden met de aard van het geboden onderwijs (leren, persoonlijke en sociale competenties) en de pedagogische methoden (verbetering van het aanbod aan onderwijspersoneel, betrokkenheid van de ouders). De betrokkenheid van de ouders kan worden ondersteund door speciale programma's voor gerichte oudereducatie en voor de voorlichting van gemarginaliseerde personen.

In het basis- en voortgezet onderwijs moet het accent komen te liggen op een betere basisopleiding voor iedereen. Met andere woorden, in een kennismaatschappij moet iedereen gelijkelijk toegang hebben tot het basisonderwijs en de verwerving van kerncompetenties. Procedures zoals vroege selectie, waarbij leerlingen van 10-12 jaar naargelang hun mogelijkheden in gedifferentieerde programma's worden ingedeeld, moeten worden vermeden omdat deze tot ongelijkheden kunnen leiden, met name voor kansarme groepen en migranten.

In veel lidstaten zijn accountabilitysystemen ingevoerd om de autonomie van de onderwijsinstellingen te vergroten. Deze combinatie van institutionele autonomie en accountability blijkt een gunstige uitwerking te hebben op de doelmatigheid. Niettemin moet in de beoordelingsnormen en -criteria ook rekening worden gehouden met rechtvaardigheid en de verspreiding van de resultaten.

De doelmatigheid en rechtvaardigheid worden ook gewaarborgd als de aard van het onderwijs en de pedagogische methoden zijn afgestemd op aanwervingsbeleid dat onderwijs van hoge kwaliteit garandeert. Bovendien moet de samenwerking tussen leerkrachten, ouders en welzijnsorganisaties worden gestimuleerd, met name door middel van integratiebeleid dat voortdurend wordt bijgesteld en op pedagogisch onderzoek inhaakt.

Het hoger onderwijs, dat onderwijs, innovatie en onderzoek omvat ('de kennisdriehoek') speelt een cruciale rol in een kenniseconomie en -maatschappij. Daarom moet het beter kunnen concurreren en topprestaties mogelijk maken, zoals de Commissie in 2006 heeft benadrukt in haar mededeling over de modernisering van de universiteiten. De Commissie heeft toen voorgesteld binnen tien jaar 2 % van het bruto binnenlands product (bbp) voor het hoger onderwijs uit te trekken.

Bij de modernisering van het hoger onderwijs staan drie elementen voorop: het moet voor iedereen in gelijke mate toegankelijk zijn, financierbaar zijn en doelmatiger functioneren. De nationale stelsels voor gratis hoger onderwijs zijn niet per se het meest rechtvaardig, want deze bevoordelen kinderen van ouders uit hogere sociaaleconomische milieus of die hoger onderwijs hebben gevolgd. Bovendien heeft het hoger onderwijs niet meer geld tot zijn beschikking gekregen, terwijl het aantal studenten wel constant is gestegen en steeds meer van het hoger onderwijs verwacht wordt. De voordelen voor studenten worden niet afdoende gecorrigeerd door de progressieve belastingstelsels, hetgeen een herverdeling van inkomen van arm naar rijk tot gevolg heeft.

Het accent moet dus liggen op investeringen in het hoger onderwijs, en met name de invoering van heffing van collegegeld. Hierdoor worden de door de afzonderlijke belastingbetaler en de samenleving opgebrachte kosten en baten rechtvaardiger over iedereen verdeeld en wordt ervoor gezorgd dat universiteiten extra geld krijgen. Dit zal een positief effect hebben op de kwaliteit van het onderwijs, het bestuur van universiteiten en de motivatie van studenten.

Om te garanderen dat iedereen toegang heeft tot het hoger onderwijs, moet de heffing van collegegeld worden gecompenseerd door studiefinanciering voor studenten uit armere milieus, omdat zij meestal minder in hun toekomst investeren als niet zeker is dat dit financieel voordeel oplevert. Dit speelt vooral als de collegegelden gebaseerd zijn op schattingen van wat men in de toekomst zal verdienen. Zo kunnen studiebeurzen, bankleningen en inkomensafhankelijke studieleningen de toegang tot het hoger onderwijs vergemakkelijken.

Tegelijkertijd moet het hoger onderwijs aantrekkelijker worden voor leerlingen uit achterstandsgroepen, degenen die het kwalificatieniveau hebben dat nodig is voor toelating tot het hoger onderwijs maar ook gezinnen met jonge kinderen en moet het beeld van het hoger onderwijs in de samenleving veranderen. Er moet dus meer informatie worden verstrekt door scholen te bezoeken, mentoringprogramma's en programma's voor keuzebegeleiding op te zetten en maatregelen te nemen om gemarginaliseerde personen voor te lichten en de toegang tot universitair onderwijs te vergemakkelijken (onder andere door brugprogramma's en gereserveerde studieplaatsen voor bepaalde studenten).

De betrekkingen tussen het onderwijs en het bedrijfsleven moeten worden verbeterd. Het onderwijs moet in beroepsonderwijs voorzien om de beroepsstelsels aantrekkelijker te maken en de overgang van mensen met een kwalificatie van het hoger onderwijs en een beroepskwalificatie te vergemakkelijken. Dit is des te dringender nu de behoeften van de arbeidsmarkt zijn veranderd en met name de vraag naar hoger opgeleide mensen toeneemt. Ook met andere factoren zoals de vergrijzing en de jeugdwerkloosheid moet rekening worden gehouden; zo zullen er tegen 2050 65 % meer Europeanen van 65 jaar of ouder zijn dan nu, terwijl het aantal Europeanen in de werkende leeftijd (15 tot 64 jaar) met twintig procent zal zijn gedaald.

Tijdige maatregelen die de onderwijsdeelname vergroten en tot hogere opleidingsniveaus leiden zijn dan ook niet voldoende om de kansen op werk te verbeteren. Er moeten heldere, uiteenlopende trajecten in het beroepsonderwijs en leerlingstelsel worden uitgewerkt die het mogelijk maken om al werkend verder te leren, naar het voorbeeld van de stelsels voor beroepsonderwijs- en -opleiding (DE) (EN) (FR). Mensen die hieraan hebben deelgenomen kunnen op een redelijk inkomen rekenen.

Volwasseneneducatie biedt ook de mogelijkheid in te spelen op de veranderingen op de arbeidsmarkt en zo de kansen op werk te verbeteren. Het zijn namelijk de minst gekwalificeerde mensen die gedurende hun loopbaan het minst deelnemen aan onderwijs en opleiding. Slechts 10,8 % van de volwassen Europeanen maakt gebruik van de mogelijkheden om een leven lang in formeel, niet-formeel of informeel verband te leren. Dit cijfer ligt nog ver onder de benchmark van de EU (12,5 % in 2010).

Deze opleidingen leveren sociaal en cultureel gezien veel op: ze geven het gevoel dat men erbij hoort en zij dragen ertoe bij dat volwassenen weer beginnen te leren. Dergelijke programma's blijken de kansen op werk voor volwassenen met achterstanden in het algemeen echter maar weinig te verbeteren. Hierin kan langs twee lijnen verandering worden gebracht:

  • via het onderwijs door middel van partnerschappen tussen ondernemingen, overheid, sociale partners en plaatselijke vrijwilligersorganisaties, gericht op specifieke groepen en hun behoefte aan opleiding. Deze hebben bewezen succesvol te zijn in het terugdringen van het aantal voortijdige schoolverlaters;
  • gedurende de loopbaan door middel van op de behoeften van de werkgevers afgestemde opleidingen in de vorm van partnerschappen. Deze komen tegemoet aan de eisen van de arbeidsmarkt, maar moeten vraag en aanbod beter op elkaar afstemmen en studie- en loopbaankeuzes eenvoudiger maken. Gebleken is dat deze opleidingen de kansen van achterstandsgroepen op werk verbeteren. De lidstaten bieden voorlichting en opleidingsprogramma's, hetgeen particuliere investeringen stimuleert en de kosten voor ondernemingen en werknemers laag houdt. Tegelijkertijd moeten werkgevers in onderwijs- en opleidingsmaatregelen investeren, willen ze kunnen blijven concurreren en vanuit hun maatschappelijke verantwoordelijkheid 'lerende organisaties' worden.

Actie van de EU

De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor hun onderwijs- en opleidingsbeleid, maar een actie op EU-niveau kan een stimulans zijn voor onderling leren en de uitwisseling van goede praktijken tussen de lidstaten. De EU biedt de lidstaten daarom de helpende hand bij de implementatie van doelmatigheid en rechtvaardigheid in hun onderwijs- en opleidingsstelsels in het kader van de herziene Lissabonstrategie en van het werkprogramma "Onderwijs en opleiding 2010".

Deze beginselen worden ook geïntegreerd in de werkzaamheden die gericht zijn op het leren van volwassenen en op de totstandbrenging van zowel een Europees kwalificatiekader als een Europees kader voor statistieken en indicatoren en in onderzoeksprojecten die onder het zevende kaderprogramma voor onderzoek en ontwikkeling van de EU vallen.

Ook het actieprogramma op het gebied van een leven lang leren en transnationale samenwerking door middel van mobiliteit helpt individuen zich nieuwe vaardigheden eigen te maken en zich beter toe te rusten op de Europese arbeidsmarkt en verbetert tegelijkertijd de kwaliteit van de wisselwerking tussen de onderwijs- en opleidingsinstellingen in de EU.

Context

De lidstaten van de EU moeten aan onderwijs- en opleidingsstelsels van hoge kwaliteit werken om de uitdagingen op het gebied van de concurrentiekracht en de sociale samenhang het hoofd te bieden. Deze doelstellingen maken deel uit van het partnerschap van Lissabon voor groei en werkgelegenheid en van de open coördinatiemethode op het gebied van sociale integratie en sociale bescherming. De voorjaarsbijeenkomst van de Europese Raad van 23 en 24 maart 2006 heeft aangegeven dat een hoger tempo van de hervormingen niet alleen belangrijk maar noodzakelijk is.

Belangrijkste begrippen
  • Doelmatigheid "verwijst naar het verband tussen inputs en outputs in een proces. Stelsels zijn doelmatig als met de inputs een maximale output wordt bereikt. De relatieve doelmatigheid van een onderwijs- en opleidingsstelsel wordt gewoonlijk aan test- en eindexamenresultaten afgemeten. De doelmatigheid van onderwijs en opleidingen voor de maatschappij en de economie wordt aan het individueel en maatschappelijk rendement van onderwijs en opleidingen afgemeten."
  • Rechtvaardigheid "wordt hier beschouwd als de mate waarin mensen in termen van kansen, toegang, behandeling en resultaten van onderwijs en opleidingen kunnen profiteren. Rechtvaardige stelsels zorgen ervoor dat onderwijs- en opleidingsresultaten onafhankelijk zijn van sociaaleconomische achtergronden en andere factoren die tot onderwijsachterstanden leiden en ieder de behandeling krijgt die bij zijn of haar specifieke leerbehoeften past."

GERELATEERDE BESLUITEN

De Raad Onderwijs, jeugd en cultuur van 13 en 14 november 2006 heeft zijn conclusies op grond van de hier besproken mededeling aangenomen. De Raad wijst op de rol van de lidstaten en de voordelen van Europese samenwerking. Hij ondersteunt de noodzaak van een sectordoorsnijdende aanpak om de doelmatigheid en rechtvaardigheid van een leven lang leren te garanderen. De Raad heeft positief gereageerd op de mededeling van de Commissie en verklaart dat kwaliteit een gemeenschappelijke doelstelling voor alle vormen van onderwijs en opleiding is. Kwaliteit is niet alleen een kwestie van leerresultaten of het verstrekken van onderricht, maar ook van de mate waarin onderwijs- en opleidingsstelsels voldoen aan individuele, sociale en economische behoeften, de rechtvaardigheid vergroten en het welzijn verbeteren.
De lidstaten wordt verzocht meer aandacht te besteden aan een optimaal gebruik van de middelen van de onderwijs- en opleidingsstelsels, waarbij zowel doelmatigheid als rechtvaardigheid worden gegarandeerd. Ook wordt hun verzocht te zorgen voor een doelmatige afstemming van hervormingen en investeringen, met name door meer aandacht te besteden aan preprimair onderwijs, gerichte programma's voor vroegtijdige ondersteuning en rechtvaardige onderwijs- en opleidingsstelsels die erop gericht zijn kansen, toegangsmogelijkheden, benaderingen en resultaten te bieden die tot meer gelijkheid kunnen leiden, zodat iedereen de mogelijkheid krijgt onderwijs te volgen. De Raad legt ook de nadruk op gekwalificeerd personeel dat voortdurend wordt bijgeschoold. Bovendien is er behoefte aan voldoende middelen, in de vorm van overheidsfinanciering of particuliere bijdragen, voor onderwijs en opleiding en voor volwasseneneducatie, voortgezet beroepsonderwijs en voortgezette beroepsopleiding. Ook moet het bedrijfsleven meer bij onderwijs en opleiding betrokken worden: bedrijven moeten nauwer betrokken worden bij onderwijs en opleiding op het gebied van onderzoek en ontwikkeling, werkgevers in de vorm van actieve partnerschappen die tegemoetkomen aan de competentiebehoeften van de economie. Om tot kwaliteit, rechtvaardigheid en doelmatigheid in het gehele onderwijs- en opleidingsstelsel te komen, is het belangrijk evaluatie- en toezichtprocedures te ontwikkelen en onderzoek te doen naar en een transparante feedback te geven over de resultaten van de hervormingen, de aanpassingen en behoeften die hieruit naar voren komen en de ontwikkeling van onderwijs- en leermethoden en -praktijken. Daarom worden de Commissie en de lidstaten verzocht met de onderzoeksnetwerken samen te werken, van de desbetreffende onderzoeksresultaten gebruik te maken onder andere in het kader van de communautaire programma's, met name bij het bepalen van de doelstellingen van het programma Onderwijs en opleiding 2010.

 
Laatste wijziging: 14.12.2006
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven