RSS
Alfabetische index
Deze pagina is beschikbaar in 15 talen
Nieuwe beschikbare talen:  CS - HU - PL - RO

We are migrating the content of this website during the first semester of 2014 into the new EUR-Lex web-portal. We apologise if some content is out of date before the migration. We will publish all updates and corrections in the new version of the portal.

Do you have any questions? Contact us.


Het Bolognaproces: totstandbrenging van een Europese ruimte voor hoger onderwijs

Doel van het Bolognaproces is onder andere om verschillende stelsels voor hoger onderwijs een heldere driefasenstructuur (bachelor-master-doctor) te geven.

BESLUIT

De Bolognaverklaring (EN ) van 19 juni 1999 – Gezamenlijke verklaring van de Europese ministers van Onderwijs [Niet in het Publicatieblad bekendgemaakt].

SAMENVATTING

De Verklaring van Bologna heeft het Bolognaproces in gang gezet. Doel van dit proces is een stelsel van gemakkelijk herkenbare en vergelijkbare academische graden in te voeren, de mobiliteit onder studenten, docenten en wetenschappelijke onderzoekers te bevorderen, onderwijs van hoge kwaliteit te waarborgen en het hoger onderwijs een Europese dimensie te geven.

Vergelijkbare academische graden en bevordering van mobiliteit

De volgende zes actiepunten staan in de Bolognaverklaring centraal:

  • een stelsel van gemakkelijk herkenbare en vergelijkbare academische graden: er wordt onder andere een gemeenschappelijk diplomasupplement ingevoerd om de transparantie te bevorderen;
  • een structuur die in beginsel uit twee fasen bestaat: een eerste fase van minimaal drie jaar die op de arbeidsmarkt afgestemd is en een tweede fase (Master) voor studenten die de eerste fase met succes hebben afgerond;
  • een verzamel- en overdrachtssysteem voor studiepunten in de trant van het ECTS dat wordt gebruikt in het kader van Erasmus-uitwisselingen;
  • mobiliteit van studenten, docenten en wetenschappelijke onderzoekers: opheffing van alle belemmeringen voor het vrije verkeer;
  • samenwerking op het gebied van kwalititeitsborging;
  • invoering van een Europese dimensie in het hoger onderwijs: uitbreiding van het aantal modules, studieprogramma’s en trajecten die qua inhoud, richting en opzet een Europese dimensie hebben.

Hervorming van de stelsels voor hoger onderwijs in Europa

Door de Bolognaverklaring te ondertekenen verbinden landen zich er vrijwillig toe hun eigen onderwijsstelsel te hervormen. Deze hervorming wordt niet aan de nationale regeringen en universiteiten opgelegd. Voor de lidstaten van de Europese Unie (EU) bepaalt artikel 165 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie: “De Unie draagt bij tot de ontwikkeling van onderwijs van hoog gehalte door samenwerking tussen de lidstaten aan te moedigen en zo nodig door hun activiteiten te ondersteunen en aan te vullen [...].”

De lidstaten blijven echter volledig verantwoordelijk voor de inhoud van het onderwijs en de organisatie van hun onderwijsstelsels alsook voor culturele en taalkundige verscheidenheid ervan. De maatregelen van de Unie hebben ten doel:

  • de Europese dimensie van het onderwijs te ontwikkelen, in het bijzonder door het doceren en verspreiden van de talen van de lidstaten;
  • de mobiliteit van studenten en leerkrachten te bevorderen, door de academische erkenning van onder meer diploma’s en studietijdvakken aan te moedigen;
  • samenwerking tussen onderwijsinstellingen te stimuleren;
  • informatie en ervaringen uit te wisselen met betrekking tot gemeenschappelijke problemen waarmee de onderwijsstelsels van de lidstaten geconfronteerd worden.

Communiqué van Praag (EN ) van 19 mei 2001 – Naar een Europese ruimte voor hoger onderwijs

De actiepunten uit het communiqué van Praag werden aan het Bolognaproces toegevoegd:

  • een leven lang leren, een belangrijk onderdeel van de Europese ruimte voor hoger onderwijs (ERHO), teneinde het economische concurrentievermogen te versterken;
  • betrokkenheid van de instellingen voor hoger onderwijs en de studenten zelf; de ministers wijzen met nadruk op het belang van de inbreng van universiteiten, andere instellingen voor hoger onderwijs en studenten voor de opbouw van een constructieve ERHO;
  • verhoging van de aantrekkelijkheid van de ERHO onder studenten uit Europa en andere delen van de wereld.

Communiqué van Berlijn (EN ) van 19 september 2003 – “Verwezenlijking van de Europese ruimte voor hoger onderwijs”

Tijdens de conferentie van Berlijn in 2003 namen de voor het hoger onderwijs verantwoordelijke ministers een communiqué aan waarin opleidingen voor promovendi en synergieën tussen de ERHO en de Europese onderzoeksruimte in het Bolognaproces werden opgenomen. Zij wezen op het grote belang van wetenschappelijk onderzoek, onderzoekersopleidingen en een interdisciplinaire aanpak om de kwaliteit van het hoger onderwijs te handhaven en te verbeteren en het concurrerender te maken. Zij pleitten voor meer mobiliteit bij promotieopleidingen en postdoctorale opleidingen en spoorden de betrokken instellingen aan om bij de opleiding van promovendi en jonge onderzoekers intensiever met elkaar samen te werken.

Communiqué van Bergen (EN ) van 19 en 20 mei 2005 – “De Europese ruimte voor hoger onderwijs – de doelstellingen verwezenlijken”

In het communiqué van Bergen stelden de ministers vast dat aanzienlijke vooruitgang geboekt was met het Bolognaproces. Tegen 2007 wilden de ministers werk maken van:

  • invoering van standaards en richtsnoeren voor kwaliteitszorg, zoals door het ENQA (European Network for Quality assurance in Higher Education) voorgesteld;
  • invoering van nationale kwalificatieraamwerken;
  • uitreiking en erkenning van gezamenlijke diploma's, m.i.v. doctordiploma’s; en
  • mogelijkheden voor flexibele leertrajecten en erkenning van elders verworven competenties.

Communiqué van Londen (EN ) van 18 mei 2007 – “Naar een Europese ruimte voor hoger onderwijs: problemen overwinnen in een geglobaliseerde wereld”

In de periode van 2005 tot 2007 werd over het algemeen goede vooruitgang geboekt met de totstandbrenging van de ERHO. Toch moeten nog altijd heel wat problemen worden overwonnen. Alle aandacht moet nu worden gericht op:

  • bevordering van de mobiliteit van studenten en personeel en nemen van maatregelen om deze mobiliteit te evalueren;
  • evaluatie van de doeltreffendheid van de nationale strategieën inzake de sociale dimensie van het onderwijs;
  • ontwikkeling van indicatoren en gegevens om de vooruitgang op het gebied van mobiliteit en de sociale dimensie te meten;
  • bestuderen van mogelijkheden om de inzetbaarheid in het kader van het driefasensysteem en een leven lang leren te verbeteren;
  • verbetering van de verspreiding van informatie over het ERHO en de erkenning ervan in de hele wereld;
  • verdere opvolging van de vooruitgang die geboekt wordt met de totstandbrenging van het ERHO en ontwikkeling van een daartoe bestemde kwalitatieve analyse.

Communiqué van Leuven en Louvain-la-Neuve (EN ) van 28 en 29 april 2009 – “Het Bolognaproces 2020 – De Europese ruimte voor hoger onderwijs in het nieuwe decennium”

In dit communiqué stelden de ministers vast dat vooruitgang was geboekt met het Bolognaproces en dat het ERHO sinds de Bolognaverklaring van 1999 al goed ontwikkeld was. Bepaalde streefdoelen waren evenwel nog niet volledig gehaald en correct toegepast op Europees, nationaal en institutioneel niveau. In het communiqué werd dan ook opgemerkt dat het Bolognaproces ook na 2010 zal voortduren, waarbij voor de komende tien jaar de volgende prioriteiten werden vastgesteld:

  • gelijke kansen voor toegang tot kwalitatief onderwijs: de deelname aan het hoger onderwijs dient te worden verruimd en met name voor studenten uit ondervertegenwoordigde groepen dienen de nodige voorwaarden voor deelname te worden geschapen;
  • grotere participatie in een leven lang leren: de toegankelijkheid, kwaliteit en transparantie van de informatie over een leven lang leren dienen te worden gewaarborgd. Het beleid ter zake moet samen met nationale kwalificatiekaders en middels sterke partnerschappen tussen alle belanghebbenden ten uitvoer worden gelegd;
  • bevordering van inzetbaarheid: de belanghebbende partijen dienen samen te werken om de initiële kwalificaties hoger te tillen, de geschoolde beroepsbevolking te vernieuwen en de verlening, toegankelijkheid en kwaliteit van loopbaan- en werkbegeleiding te verbeteren. Bovendien moeten stages in het kader van studieprogramma’s en opleidingen op de werkvloer verder worden aangemoedigd;
  • ontwikkeling van studentgerichte leerresultaten en onderwijsopdrachten: dit betekent onder meer de ontwikkeling van internationale referentiepunten voor verschillende vakken en de verbetering van de onderwijskwaliteit van studieprogramma’s;
  • vervlechting van onderwijs, onderzoek en innovatie: de verwerving van onderzoeksbekwaamheden dient te worden gestimuleerd, onderzoek dient beter geïntegreerd te worden in doctoraatsprogramma’s en de loopbaanontwikkeling van jonge onderzoekers dient aantrekkelijker te worden gemaakt;
  • openstelling van hogeronderwijsinstellingen voor internationale fora: de Europese instellingen dienen de internationale dimensie van hun activiteiten te versterken en meer op internationaal niveau samen te werken;
  • bevordering van kansen voor en kwaliteit van mobiliteit: tegen 2020 dient 20 % van de afstuderende studenten een studie- of opleidingstijdsvak in het buitenland te hebben doorgebracht;
  • betere gegevensverzameling: er dienen gegevens verzameld te worden om de vorderingen met betrekking tot de doelstellingen van het Bolognaproces te volgen en te evalueren;
  • ontwikkeling van multidimensionele transparantie-instrumenten: met het oog op de verzameling van gedetailleerde informatie over hogeronderwijsinstellingen en hun programma's dienen in samenwerking met de belangrijkste belanghebbenden transparantie-instrumenten te worden ontwikkeld. Deze instrumenten moeten stoelen op vergelijkbare gegevens en geschikte indicatoren en dienen in overeenstemming te zijn met de beginselen van het Bolognaproces inzake kwaliteitsborging en erkenning;
  • waarborging van financiering: er dienen nieuwe, uiteenlopende financieringsoplossingen te worden gevonden als aanvulling op de openbare middelen.

Verklaring van Boedapest en Wenen (EN ) van 12 maart 2010 over de Europese ruimte voor hoger onderwijs

Deze verklaring markeerde het einde van de eerste tien jaar van het Bolognaproces en de officiële lancering van de Europese ruimte voor hoger onderwijs (ERHO), zoals was vastgesteld in de Bolognaverklaring van 1999. In deze verklaring:

  • verwelkomden de ministers Kazachstan als 47e lid van de Europese ruimte voor hoger onderwijs;
  • benadrukten de ministers het specifieke karakter van het Bolognaproces, dat een uniek samenwerkingsverband inhoudt tussen overheden, hogeronderwijsinstellingen, studenten en personeel enerzijds en werkgevers, kwaliteitsborgingsorganisaties, internationale organisaties en Europese instellingen anderzijds;
  • wezen de ministers er met klem op dat het Bolognaproces en de daaruit voortvloeiende Europese ruimte voor hoger onderwijs, beide unieke voorbeelden van grensoverschrijdende samenwerking inzake hoger onderwijs, op heel wat belangstelling konden rekenen in andere delen van de wereld en dat zij het Europees hoger onderwijs wereldwijd meer zichtbaarheid hebben gegeven. De ministers verklaarden tevens ernaar uit te kijken hun beleidsdialoog en -samenwerking met partners over de hele wereld te versterken;
  • erkenden de ministers de bevindingen van verschillende verslagen, volgens welke bepaalde actiepunten van het Bolognaproces met wisselend succes werden uitgevoerd en recent protest in bepaalde landen aantoonde dat de Bolognadoelstellingen en -hervormingen niet correct werden uitgevoerd en uitgelegd. De ministers beloofden te zullen luisteren naar de kritiek van het onderwijspersoneel en de studenten;
  • bevestigden de ministers hun inzet voor de volledige en correcte tenuitvoerlegging van de doelstellingen en de agenda voor de komende tien jaar, die werden vastgesteld in het communiqué van Leuven en Louvain-la-Neuve.

Bovendien zetten de ministers de volgende thema’s in de verf:

  • academische vrijheid alsook autonomie en verantwoordingsplicht van hogeronderwijsinstellingen als beginselen van de Europese ruimte voor hoger onderwijs;
  • de sleutelrol van de academische gemeenschap – leiders van instellingen, docenten, onderzoekers, administratief personeel en studenten – in het tot stand brengen van de Europese ruimte voor hoger onderwijs;
  • hoger onderwijs als een verantwoordelijkheid van de overheid: hogeronderwijsinstellingen dienen over de nodige middelen te beschikken in een door de overheid vastgesteld en beheerd kader;
  • de behoefte aan bijkomende inspanningen op sociaal vlak, teneinde gelijke kansen voor kwaliteitsonderwijs te verzekeren, met bijzondere aandacht voor ondervertegenwoordigde groepen.

De voor het hoger onderwijs bevoegde ministers kwamen overeen op 26 en 27 april 2012 opnieuw bij elkaar te komen in Boekarest.

Context

Op 18 september 1988 ondertekenden de rectores magnifici ter gelegenheid van het negenhonderdjarig bestaan van de universiteit van Bologna de Magna Charta Universitatum (EN ). Zij gingen ervan uit dat de toekomst van de mensheid aan het eind van het millennium voor een groot deel bepaald wordt door de ontwikkelingen op cultureel, wetenschappelijk en technisch gebied. De universiteiten leveren de kennis die hiervoor nodig is.

Op 25 mei 1998 namen de voor hoger onderwijs verantwoordelijke ministers van Duitsland, Frankrijk, Italië en het Verenigd Koninkrijk ter gelegenheid van het achthonderdjarig bestaan van de universiteit van Parijs de Sorbonneverklaring (EN ) aan. Doel was de opzet van het Europees hoger onderwijs te harmoniseren. De ministers brachten naar voren dat wij niet alleen een Europa van de euro, banken en de economie aan het opbouwen zijn, maar ook een Europa van de kennis.

De Bolognaverklaring van 19 juni 1999 werd ondertekend door 30 landen, waaronder de toenmalige vijftien lidstaten van de EU (Oostenrijk, België, Duitsland, Denemarken, Griekenland, Spanje, Finland, Frankrijk, Ierland, Italië, Luxemburg, Nederland, Portugal, Zweden en het Verenigd Koninkrijk) en de tien landen die op 1 mei 2004 tot de Unie zijn toegetreden (Cyprus, Estland, Hongarije, Letland, Litouwen, Malta, Polen, Slovenië, Slowakije en Tsjechië). De verklaring werd tevens ondertekend door IJsland, Noorwegen en de Zwitserse Confederatie alsmede door Bulgarije en Roemenië, die op 1 januari 2007 lid van de Unie zijn geworden. Kazachstan trad in maart 2010 tot het Bolognaproces toe.

Momenteel werken 47 landen aan het Bolognaproces mee. Zij hebben aan de hiervoor nodige toetredingsvoorwaarden en -procedures voldaan (EN ). Ook de landen die aangesloten zijn bij de Europese Culturele Conventie (EN) die onder auspiciën van de Raad van Europa op 19 december 1954 werd ondertekend, kunnen aan de ERHO meedoen. Hiervoor moeten zij wel in het eigen hoger onderwijs aan de doelstellingen van het Bolognaproces werken. In hun toetredingsaanvraag moeten zij uiteenzetten hoe de beginselen en doelstellingen van het Bolognaproces gestalte zullen krijgen.

Het Bolognaproces is in overeenstemming met de doelstellingen van Onderwijs en opleiding 2020 en Europa 2020.

Laatste wijziging: 09.04.2010

Zie ook

  • De websites van het directoraat-generaal Onderwijs en cultuur over het Bolognaproces (EN) en het hoger onderwijs in Europa (EN).
Juridische mededeling | Over deze site | Zoeken | Contact | Naar boven